José: “Het was allemaal doodeng en we stikten van de zenuwen toen we dat kamertje binnenliepen” Beeld Libelle
José: “Het was allemaal doodeng en we stikten van de zenuwen toen we dat kamertje binnenliepen”Beeld Libelle

PREMIUMcolumn

José: “We stikten van de zenuwen toen we dat kamertje binnenliepen”

José Rozenbroek

Door de jaren heen is er heel wat veranderd in het ziekenhuiswezen, José vertelt over haar eigen ervaringen met doktoren.

Tien jaar geleden ging ik met mijn zusje mee naar het ziekenhuis. Ze had slokdarmkanker en moest geopereerd worden. Van tevoren zouden we uitleg krijgen over het soort kanker, hoe gevaarlijk die was, waar de tumor zich precies bevond en hoe die zou worden weggesneden. Het was allemaal doodeng en we stikten van de zenuwen toen we dat kamertje binnenliepen. Tot onze verbazing was het niet de dokter die ons te woord stond, maar een gespecialiseerd verpleegkundige. Ze vertelde dat de dokter de knapste van het land was, en mijn zus beter ging maken, maar dat hij een autismespectrumstoornis had en daarom niet zo goed met zijn patiënten kon praten. Dat stelde ons gerust: een dokter die wist wat hij wél en wat hij niet kon en daar ook niet moeilijk over deed. Wat een gigantisch verschil met vroeger, toen artsen zich scheppers naast God waanden en vanuit grote hoogte met je communiceerden. Ik hoor nog mijn moeder, toch niet op haar mondje gevallen en voor niets of niemand bang, bevangen door een heilig ontzag ‘ja dokter, nee dokter’ prevelen als ze weer eens in het ziekenhuis lag.

Ik moet hieraan denken als ik naar de geweldige tv-documentaireserie kijk die meesterinterviewer Coen Verbraak maakte in het Onze Lieve Vrouwe Ziekenhuis in Amsterdam. Een grotestadsziekenhuis met een van de grootste eerstehulpposten van Nederland, waar jaarlijks 5000 kinderen worden geboren en 500.000 patiënten worden geholpen. Er werken in dat ziekenhuis talloos veel artsen, verpleegkundigen en ander personeel.

Een van de fascinerendste mensen die Coen voor zijn camera wist te slepen, is hartchirurg Riccardo Cocchieri. In een smetteloos wit overhemd en een peperduur jasje vertelt hij zonder blikken of blozen dat hij nu als midden veertiger op de toppen van zijn kunnen is. Als hij een rapportcijfer mocht uitdelen zou hij zichzelf een negenenhalf geven.

Waarom, vraagt Coen, wat maakt u tot zo’n goede chirurg? Omdat hij, zo vertelt Cocchieri, zijn vak als geen ander verstaat en tijdens zo’n risicovolle operatie, die soms wel tien of twaalf uur duurt, het beste van zichzelf geeft en geen moment verslapt. Hij eet niet, hij drinkt niet, hij gaat niet naar de wc. Hij is totaal gefocust.

Ik zou me blind aan zijn zorgen toevertrouwen, ook al vind ik hem een arrogante lul, als hij zo hooghartig de camera inblikt vanuit zijn smetteloze huis met uitzicht op veel groen. Hij vertelt dat hij duizenden mensen heeft geopereerd, zowel hier in Amsterdam als in Oost-Europa. Daar zijn ze hem onmetelijk dankbaar dat hij hen het leven heeft gered, vertelt hij, patiënten vertellen hem dat ze hem nooit, nooit zullen vergeten. Maar niet in Amsterdam, daar vindt men hem doodgewoon, hier krijgt hij zelden een bedankkaartje - misschien dat hij er zestig, zeventig heeft gekregen van al die duizenden Amsterdammers die hij heeft geopereerd.

En éven zie je een kwetsbare jongen, in plaats van de halfgod die hij van zichzelf heeft gemaakt.

Terugkijken, zeg ik, naar die serie op NPO 2. Naar al die dokters en verpleegkundigen die zo dienstbaar zijn, zich wegcijferen, maar net als wij zo graag gezien en gewaardeerd willen worden.

Bladenmaker en journalist José Rozenbroek is een nieuwsjunk. Elke week schrijft ze voor Libelle een column over wat haar opvalt en waarover ze zich opwindt.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden