Dit is onze nieuwe columnist

Tessa Leuwsha: “Ik ben behoorlijk bijgelovig, net als mijn Surinaamse oma”

null Beeld Sirano Zalman
Beeld Sirano Zalman

In haar jeugd was Suriname voor haar net zo onbekend als elk ander buitenland. Inmiddels woont Tessa Leuwsha alweer 25 jaar in het land van haar vader. Vanaf nu schrijft ze vanuit Paramaribo elke week een column voor Libelle. Maar eerst: een kennismaking.

Tessa LeuwshaSirano Zalman

Als dit een voorstelrondje zou zijn, wat zou je dan zeggen?

“Ik ben Tessa, 55 jaar, geboren in Amsterdam en ik woon nu ruim vijfentwintig jaar in Suriname. Mijn vader was Surinaams, hij leeft niet meer, en mijn moeder is Nederlands. Ik ben getrouwd en moeder van een zoon van drieëntwintig en een dochter van twintig. Mijn dochter studeert in Amsterdam, mijn zoon heeft er ook gestudeerd, maar is weer teruggekomen naar Suriname. Mijn man Sirano en ik wonen in Paramaribo en hebben zes jaar geleden een plantage gekocht net buiten de stad. Een mooie plek met oude huizen uit de achttiende en negentiende eeuw, die we hebben omgebouwd tot vakantieverblijven.”

Je vertrok in de jaren negentig naar Suriname om er een reisgids over te schrijven en bent gebleven. Vertel...

“Een uitgever vroeg mij om een reisgids over Suriname te schrijven. Ik had weinig schrijfervaring, maar het was een mooie kans om het land beter te leren kennen. Het land van mijn vader. Met die opdracht ben ik met mijn toenmalige vriendje naar Suriname vertrokken. Voor het eerst zou ik langer dan twee weken in Suriname doorbrengen. Ik had meteen een gevoel van thuiskomen en vond het er geweldig: de natuur, de verschillende culturen, het eten. Ik pende me suf. Toen ik weer in Nederland was, had ik het nog niet af. Ik ging alleen terug, inmiddels was het uit met mijn vriendje, en toen ontmoette ik mijn man. Voor de liefde ben ik gebleven.”

Hoe waren die eerste jaren daar?

“Het was geweldig. We waren natuurlijk verliefd en vooral erg veel op pad. Mijn man was na zijn studie in Tilburg net begonnen in de toerismesector. Met een houten boot maakte hij met Nederlandse toeristen uitstapjes over de rivieren. Ik ging mee, want ik was nog steeds die reisgids aan het schrijven, en raakte helemaal in de ban van de prachtige natuur. De rivieren, het bos, dat oerwoud. Ik begon me langzaam te settelen, maakte vriendinnen en bouwde een leven op.”

Kende je het land al goed voordat je vertrok?

“Thuis spraken we weinig over Suriname. Mijn vader kwam in de jaren zestig naar Nederland. Hij vond dat hij zich op de toekomst moest richten en niet terug moest kijken. Dat was toen gebruikelijk. Je paste je aan, dat werd ook van je verwacht. Als kind ben ik niet in Suriname geweest. Mijn vader is wel een keer teruggegaan en toen mijn ouders 25 jaar getrouwd waren, hebben we met vrienden geld ingezameld zodat ze een reis konden maken. In 1993 ging ik zelf voor het eerst naar Suriname, samen met een Surinaamse vriendin.”

null Beeld

Waren er in die begintijd momenten dat je je oude leven in Nederland miste?

“In het begin miste ik niet veel, maar later begon ik Amsterdam soms wel te missen. Gelukkig kon ik regelmatig naar Nederland, dan zocht ik mijn broer en moeder op. Mijn moeder is inmiddels 81. Ze woont in Nederland, maar overwintert elk jaar in Suriname.”

Wat fijn dat je je moeder dan in de buurt hebt.

“Dat is ontzettend bijzonder. Onze kinderen hebben daardoor ook veel tijd met haar kunnen doorbrengen. Mijn moeder kende Suriname alleen via mijn vader, maar omdat hij daar niet veel over sprak, wist ze er weinig over. Toen ik hier ging wonen, kwam ze elk jaar. Na mijn vaders dood leerde ze een nieuwe man kennen, die toevallig vroeger op Suriname had gevaren. Ze kochten hier vijftien jaar geleden samen een huis en brachten de Nederlandse winters hier door. Nadat ook hij overleed, zette mijn moeder dat voort. Ze ontdekte een compleet nieuwe wereld. Ze geniet van de zon, de natuur en het gemoedelijke leven. Maar het leven hier kent ups en downs. Suriname is een land in ontwikkeling. Er gaat ook een hele hoop nog niet goed, dat is spannend om van dichtbij mee te maken en levert ook zorgen op.”

Deel jij die zorgen?

“Zeker. Economisch gaat het slecht met het land. Het is moeilijk om te zien dat zo veel mensen moeite hebben om het hoofd boven water te houden. En dit gaat nog wel een tijdje duren. Een stip op de horizon is de olie- en gaswinning, waar ook nadelen aan kleven. Maar de mensen hier zijn eerder vrolijk dan dat ze bij de pakken neerzitten. Dat vind ik een mooie energie.”

null Beeld

Jullie leerden de afgelopen jaren de kracht van Suriname kennen.

“Zo veel mensen hier moeten het met minder doen, daar hebben we veel lessen uit geleerd. Ons piepkleine bedrijfje, dat begon met een houten boot, is uitgegroeid tot een bedrijf met twee mooie resorts: de oude plantage Frederiksdorp net buiten Paramaribo en resort Danpaati in het tropische regenwoud in het zuiden van Suriname. Met de hulp van de mensen die we kennen uit het landelijke gebied houden we de plantage overeind, in het zuiden houdt de lokale gemeenschap het resort draaiende. Na de reisgids ben ik ook blijven schrijven. Romans en non-fictie, waarin Suriname en Nederland altijd een rol spelen. In mijn laatste boek, De wilde vaart, schrijf ik over hoe we de plantage zijn begonnen.”

Hoe is de plantage op jullie pad gekomen?

“De plantage stond al jaren te koop en is eerder van verval gered door een Nederlander. Hij en zijn vrouw waren inmiddels op leeftijd en wilden ervan af. Er kwamen maar geen kopers en elke keer kwam hij weer bij mijn man terug met de vraag of hij de boel wilde overnemen. Uiteindelijk heeft mijn man een paar ondernemers in Nederland weten te interesseren om dit avontuur aan te gaan. Ik vond het allemaal erg spannend en trapte eerder op de rem dan dat ik meteen enthousiast was. Voor de mannen werd het een jongensdroom. Ze kwamen hiernaartoe en waren meteen om. We hebben de plantage kunnen overnemen en uitgebouwd tot een plek voor toeristen. Het is hard werken, toerisme is nog kleinschalig in Suriname. Maar het geeft ook veel voldoening, omdat we die plek op deze manier kunnen behouden. Het is echt nog een plantage waaraan je kunt zien hoe die vroeger was ingericht.”

Waarom trapte jij in eerste instantie op de rem?

“Mijn bezwaar was dat het verleden zo zwaar weegt. Het was een plantage waar koffie en cacao werd verbouwd en waar tot slaaf gemaakten en contractarbeiders hebben gewerkt. Op zo’n locatie, waar je nog de infrastructuur van een plantage kunt zien, leeft dat gevoel zwaar. Ik voelde dat ook aan die plek en vond dat we daarbij moesten stilstaan. Het is fijn dat we het in stand kunnen houden, maar we kunnen niet om dat verleden heen.”

null Beeld

Hoe staan jullie stil bij het verleden van de plantage?

“Ik ben best bijgelovig. Mijn Surinaamse oma had de gewoonte om een ruimte in te zegenen als ze ergens langer verbleef. Ik droomde op een nacht over haar en ze zei tegen mij: “Je moet nu opstaan en een ritueel gaan doen.” Ik heb mijn man midden in de nacht wakker gemaakt. We hebben verschillende rituelen gedaan die we eerder hadden gezien of die mijn oma mij had geleerd. We hebben die nacht bij alle gebouwen stilgestaan, een plengoffer gedaan en uitgesproken dat we in gedachten bij al die mensen zijn die leed hebben ervaren op de plantage. Dat we ze zien, dat we ze erkennen en dat we ze met hart en ziel omarmen op deze plek en ook hun verleden en het leed erkennen. We hadden meteen het gevoel dat we daar goed aan hadden gedaan. In de dagen daarna daalde er een bepaalde rust neer. We hadden pech met de bouw, er waren veel tegenslagen. Dat werd minder. We hadden het gevoel dat er nu harmonie en rust was. Dat gevoel hebben we vastgehouden en toen we wat inkomsten kregen en ook een ondersteunend fonds vonden, hebben we gewerkt aan een verhalenmuseum in de voormalige directeurswoning. En we hebben de Boni-trail tot stand gebracht, een wandelpad door het bos waar we het leven van verzetsheld Boni gedenken, een tot slaaf gemaakte die vluchtte van een plantage en vanuit het oerwoud hevig verzet pleegde.”

Heb je je altijd al beziggehouden met de cultuur en geschiedenis van Suriname?

“Nee, zeker niet. Ik ging in de jaren zeventig naar de lagere school in Amsterdam en in de jaren tachtig naar de middelbare school. Daar was toen weinig aandacht voor Suriname. Er zat een gat in mijn kennis over het land. Toen ik in Suriname kwam, dacht ik: wacht even, dit is een land met een volk dat de Nederlandse taal nog steeds spreekt. Hoe zit dat nou precies? Mijn Surinaamse grootmoeder kwam toen ik twaalf was wegens gezondheidsredenen naar Nederland en logeerde bij ons in huis. Omdat ze zo anders was, had ik als kind weinig connectie met haar. Eenmaal in Suriname wilde ik meer over haar weten. Zij is mijn directe schakel met het land. Haar geschiedenis was ook mijn geschiedenis.”

Komt die geschiedenis ook terug in je columns voor Libelle?

“In mijn columns geef ik een inkijkje in mijn leven. Het leven tussen twee landen. Want dat is wel het lot van mensen die voortkomen uit een voormalige kolonie. Je beweegt je voortdurend tussen het ‘oude’ moederland en het thuisland. Ik wil vertellen wat mij op persoonlijk vlak bezighoudt, maar ook over de cultuur, cultuurverschillen en dilemma’s rond het koloniale verleden, zonder dat het zwaar wordt.”

Over Tessa Leuwsha

Tessa Leuwsha (1967) woont en werkt sinds 1996 in Paramaribo. Haar eerste boek, Wereldwijzer Suriname, bracht haar naar het geboorteland van haar vader. In 2005 debuteerde ze met de roman De Parbo-blues. In het boek Fansi’s stilte (2015) reconstrueerde Leuwsha het leven van haar Surinaamse grootmoeder. Gebaseerd op dit boek maakt ze een documentaire. In 2022 verscheen haar nieuwste boek, De wilde vaart, waarin Tessa en haar man Sirano een bootreis maken over de Surinaamse rivieren, op zoek naar vergeten helden en de helende kracht van de natuur.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden