null Beeld

PREMIUMCOLUMN

Wieke: “Ik roep: ‘Heb je nou je zin, Doos?’ Ja, zo heet mijn navigatie”

Wieke Biesheuvel

Wieke gaat naar een oude schoolvriend en schakelt de navigatie in om de weg te vinden, maar echt soepel gaat het niet.

Ik moet naar Boskoop, hier drie kwartier vandaan. Om vier uur moet ik bij mijn oude schoolvriend zijn, die lid is van een club die mij misschien wel wil helpen met nog een waterpomp in Zambia. Op een stickje staat mijn powerpointdingetje en mijn verhaal erbij trekt de dames en heren hopelijk over de eurostreep.

Google zegt dat Boskoop hemelsbreed 35 kilometer verderop ligt, maar je doet er volgens de routeplanner een klein uur over. Niet als je Wieke heet, dan kost het twee uur, omdat de routeplanner (haar naam is Doos) me heel Leiden doorstuurt met tienduizend stoplichten die, als ze mij zien, op rood springen. Eindelijk is daar de afslag Hazerswoude/Boskoop. Doen ze in Hazerswoude ineens ook aan files, dat verwacht je toch niet? En daar sta ik vervolgens lang in. “Heb je nou je zin, Doos? Is er geen andere optie?” vraag ik. Geen antwoord. Bij moeilijke vragen is Doos nooit thuis of Oost-Indisch doof. (Dit neem ik terug, we doen ‘stokdoof’, misschien kan Oost-Indisch doof niet meer).

Na een kwartier komt er beweging in de rij. Hè hè, daar gaan we dan, op naar Boskoop. Nog één kilometer tot de straat van schoolvriend. Sta ik wéér in een file. Even bellen, dat ik later ben. Zit mijn telefoon niet in mijn tas. Thuis laten liggen. Op dit moment kan ik daar niets aan veranderen, nu ik in deze tweede file gevangen zit. En wat voor eentje. Ik kan niet eens ter verstrooiing een spelletje doen, omdat die stomme telefoon thuis ligt. Pas na een half uur kan ik verder en wat het obstakel nou was? Niemand weet het. Doos al helemaal niet. Parkeren. Schoolvriend, net verhuisd, woont op nummer 110. Dat nummer bestaat niet, beweert een inwoner. Even bellen. O nee, kan niet. Wat nu? Ik loop een winkel binnen en vraag of ik misschien even een telefoon mag gebruiken? Dan kan ik Rob bellen die in mijn telefoon het nummer van schoolvriend kan opzoeken. “Daar beginnen wij niet aan”, zeggen ze daar. Groot gelijk, misschien ben ik wel een drugshandelaar.

Ik heb wél mijn agenda bij me. Misschien heb ik in een vlaag van gezond verstand toch dat telefoonnummer opgeschreven en mag ik in een volgende winkel wél bellen. Ik zie nu dat schoolvriend op nummer 10 woont. Niet op 110. Aan het begin van deze moeizame rit had ik alleen de straat in Boskoop ingetikt, omdat Doos niet reageerde op 110. Nu is het aan mij om op eigen kracht, zonder Doos en zonder telefoon dat appartement te vinden. Dat kon ik toch vroeger ook? Toen niemand nog een mobiele telefoon had? Toen we nog goed konden kaartlezen? Ik vond toen alles. Nu heb ik Doos, maar dat mens bedenkt niet dat 110 ook weleens 10 zou kunnen zijn. Geen enkel initiatief, zo irritant. Eindelijk vind ik nummer tien.

Nadat ik mijn filemisère van me af heb gejammerd, rijden schoolvriend en ik samen naar het dorp verderop, waar de club bijeen komt in een restaurant. Leuke, geïnteresseerde mensen. Dat maakt de hindernistocht helemaal goed. Als daar nu ook nog een pomp uit voortkomt, zal ik nooit meer naar doen over Doos. Zij kon er niks aan doen. Allemaal mijn schuld.

Wat heb ik hier nu van geleerd? Dat ik het jammer vind dat het vak ‘kaartlezen’ niet meer bestaat en – keiharde les – dat ik zonder mijn telefoon verander in een stuk onbenul.

Wieke Biesheuvel is getrouwd met Rob, heeft drie volwassen kinderen en zeven kleinkinderen. Wieke woonde in bijna alle Nederlandse provincies én in Zambia, maar heeft nu haar hart verpand aan Noordwijk. Ze houdt van LLL: leven, lachen en laat-toch-waaien. En eigenlijk is er nog een vierde L, namelijk die van Libelle-lezeressen.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden