null Beeld Getty Images/EyeEm
Beeld Getty Images/EyeEm

Janneke & het hospice: “Ik probeer dit grote gevoel passend te maken in mijn hart en in de realiteit van alledag”

Na een bezoek aan de huisarts besluit Janneke Siebelink (46) vrijwilligerswerk te gaan doen. Nu kookt ze elke week in een hospice en schrijft erover in Libelle. Haar doel: het verhaal vertellen van de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. Zodat niemand ongezien in de vergetelheid raakt. Dit keer schrijft ze over het gesprek tussen de dames H. (94) en C. (80). Zij praten over meneer F. die onlangs is geëuthanaseerd.

null Beeld Janneke
Beeld Janneke

Ik sta op het balkon tussen de dames H. (94) en C. (80) in. Ze zitten wijdbeens in de septemberzon, die ons deze week nog even verrast met aangename warmte voordat de herfst definitief zijn intrede zal doen. De schouderbandjes van hun nachtponnetjes hebben ze over hun schouders naar beneden getrokken. De tint moet egaal zijn, ook als je in de winter van je leven bent. Ik breng ze twee glazen citroenlimonade. De ijsklontjes glinsteren en tinkelen vrolijk als ze voorzichtig een slokje nemen.

Voltooid leven

Ze praten over meneer F. die onlangs is geëuthanaseerd. Hij was 94, tenniste nog iedere week. Hij kwam om te herstellen van zijn gebroken been, maar iedere dag leek er een kwaaltje bij te komen. Het duurde maanden, zijn lichaam leek stil te vallen en daarmee ook zijn geest. Het was goed zo. Een voltooid leven.

“Hij was vrolijk hoor, die dag. Hij heeft zelfs ontbeten. En ik heb ook nog even met hem gepraat toen hij dat infuus al in had”, zegt mevrouw C.

“Maar dan zat die vloeistof er nog niet in, dat kan niet”, concludeert mevrouw H. zonder op de andere informatie in te gaan die mevrouw C. met ons deelt.

“Jawel, hij lag toch aan dat infuus. En die zat in zijn arm hoor. Ik zat ernaast, ik kan het toch weten.” Mevrouw C. kijkt me aan en vraagt met haar ogen om bijval, maar ik kijk weg. Ik wil niet voor me zien hoe meneer F. daar lag, terwijl de dodelijke vloeistof zich gestaag door zijn lichaam verspreidde en hij zich voorbereidde op zijn reis naar het onbekende, daar waar niemand over kan vertellen hoe het er was. Ik was dol op hem. Altijd vroeg hij: “Mag ik misschien een beetje appelsap? Dat is me toch lekker, heel koud.” Hij keek als een kleine jongen in een snoepwinkel zo blij als ik een groot glas op de tafel bij zijn bord zette.

Dat je nog weg kan-kant

Terwijl ik denk aan zijn grapjes en aan wat zijn laatste gedachten zullen zijn geweest, gaat aan weerszijden naast mij het geharrewar door over hoe snel de vloeistof werkt en of de naald er misschien niet goed inzat, nog een tijdje door. Er wordt niet gerept over races in het weekend bij het strand of wanhopige demonstraties tegen een samenraapsel van mismanagement van een land. Ik kijk van links naar rechts en andersom. Tenslotte concluderen de dames vrij klinisch dat de vloeistof waarschijnlijk nog niet was toegediend. Mevrouw H. zucht diep.

“Misschien wil ik dat ook wel”, zegt ze. Ik realiseer me dat ik niet weet of zij aan de niet-palliatieve kant zit. De ‘dat je nog weg kan’-kant, zoals mevrouw C. die gang omschrijft. Zelf zit ze aan de andere zijde. De P.-zijde. En dat steekt mevrouw C. niet onder stoelen of banken.

Oorlog

“Heeft u een goed leven gehad? Ik bedoel, u leeft natuurlijk nog (hou je mond, Janneke). Ik bedoel, als u terugkijkt”, vraag ik onhandig aan mevrouw H.

“Nee.”

“Dat kan natuurlijk ook, hè”, reageert de immer alerte mevrouw C. die mijn ontsteltenis en ongemakkelijkheid aanvoelt. “Het is niet altijd leuk, het leven”, vult ze aan.

Ik vraag: “Wat is er gebeurd?”

“De oorlog.”

Ach, altijd weer de oorlog, denk ik.

“Altijd weer de oorlog”, zeg ik.

Modder

“Ik was krijgsgevangene, vijf jaar lang. Van mijn twaalfde tot mijn zeventiende. In Jappenkampen. Mijn vader stond op een zwarte lijst. Ik zag hoe ze kokend water over anderen gooiden. Het was schorem. Echt schorem. Pas in Nederland in 1945 waren we vrij.”

“Ik kan me voorstellen dat u zich niet meteen vrij voelde”, zeg ik en zak door mijn knieën zodat ik op dezelfde hoogte zit.

“Nee, niet meteen. Maar mijn moeder had veel humor. Daarmee hielp ze ons er doorheen. Samen in de modder, samen uit de modder. Maar vooral als je in de modder zit, moet je samen zijn. Dat leerde ze mij.”

“Maar het stond - staat - voor altijd op uw netvlies gebrand.”

“Ja, dat gaat er nooit meer af”, verzucht mevrouw C.

“Nee”, mevrouw H. schudt haar hoofd. “Dat gaat er nooit meer af.” Ze trekt aan de armleuning van de terrasstoel, zakt achterover in de zon en sluit haar ogen. Ik probeer dit grote gevoel passend te maken in mijn hart en in de realiteit van alledag.

Misschien wil ik dat ook wel

“Zie ik u dadelijk bij de lunch?”

Beide vrouwen knikken.

De woorden zijn even op.

Het soepvlees snijd ik heel fijn. Ik maak kaasstengels van bladerdeeg en geraspte kaas. Salade met ei, tomaat, komkommer, bieslook, Amsterdamse uitjes en mayonaise. Na een uurtje komen ze binnen en zetten zich aan tafel die inmiddels is gedekt.

“Wat is dat?” Mevr. H. wijst naar de kaasstengels.

“Kaasstengels”, zeg ik. “Vers uit de oven, ze zijn nog warm, hier, proef maar.” Ik schuif een schaaltje naar haar toe.

“Die maakt ze zelf, heel lekker!”, roept mevrouw C. bemoedigend.

“Misschien wil ik dat ook wel”, zegt mevrouw H. afwezig.

“Ja, misschien wil ik dat ook wel.”

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden