Jolanda Doornbos is een kind van verstandelijk beperkte ouders

“Ze wílden wel voor me zorgen, maar konden het niet”

null Beeld Petronellanitta
Beeld Petronellanitta

De ouders van Jolanda Doornbos (38) hadden vanwege hun licht verstandelijke beperking geen idee wat hun dochter nodig had. “Iedereen in het dorp wist van mijn situatie, niemand deed iets.”

“Als ik dorst had en mijn vader schonk drinken voor mij in, deed hij het glas vol ranja – zonder water. Mierzoet was het, ik kreeg het amper weg. ‘Papa, er moet water bij’, zei ik dan. Hij antwoordde: ‘Water? Dat is toch niet lekker.’ En dan moest ik het opdrinken. Nu kan ik daarom lachen, maar eigenlijk laat het zo veel zien. Mijn ouders wílden wel voor me zorgen, maar konden het niet. Ze werden allebei veel te vroeg geboren, mijn vader al met vierentwintig weken, hij lag acht maanden lang in een couveuse. Dat was in die tijd, net na de Tweede Wereldoorlog, niet meer dan een warmhoudbak. Hij keek scheel, had steunzolen, kon niet goed horen aan één kant. Mijn moeder, ook te vroeg geboren, was vooral heel traag. Ze had veel langer de tijd nodig om informatie te verwerken. Mijn ouders leerden elkaar kennen via de kruidenierswinkel van mijn opa, waar mijn vader af en toe hielp. Hij bezorgde weleens boodschappen bij mijn moeder, die toen nog bij haar ouders woonde. Ze vonden elkaar leuk, gingen op date, kregen een relatie en trouwden.”

null Beeld

Hetzelfde niveau

“Ik denk dat het klikte tussen mijn ouders omdat ze hetzelfde niveau hadden. Diepgaande gesprekken voerden ze niet, ze hadden het over de boodschappen, het dorp en het weer. Mijn vader werkte als timmerman, mijn moeder als telefoniste, dat ging goed zolang het werk simpel en overzichtelijk was. Ze stopte ermee toen ik werd geboren: een kerngezonde baby. Mijn ouders woonden naast mijn opa. Hij hielp bij de opvoeding, oma was al overleden. Opa zorgde voor regelmaat, dat het geen rommel werd in huis. Hij wees mijn ouders erop als ik nieuwe kleding nodig had en zorgde voor strooigoed en gezelligheid met Sinterklaas. De eerste zeven jaar van mijn leven kwam ik niets tekort. Dat kwam doordat ook mijn opa voor mij zorgde én omdat ik als klein kind qua denkniveau nog niet boven mijn ouders uitkwam. Toen mijn opa overleed, ging het geleidelijk slechter. Het begon ermee dat ik net na zijn dood jarig was en mijn verjaardag niet werd gevierd. ‘Want wij zijn in de rouw’, zei mijn moeder. Ze had nul inlevingsvermogen. Een arm om me heen als ik verdrietig was? Dat deed ze niet. Mijn ouders zeiden niet dat ze van me hielden, ze lieten het zien met cadeautjes. Ik werd soms ook boos, maar kon niet uitleggen waarom. Nu weet ik: ik wilde gewoon geborgenheid.”

Huis vol troep

“Het huishouden verslofte. Kleren die mijn ouders uittrokken konden ze weken op dezelfde plek laten liggen. De afwas werd soms wel gedaan, soms niet. Ze konden ook niets weggooien, waren eigenlijk hoarders, vooral op het laatst. We hadden achttien vertrekken, opa’s huis werd bij het onze gevoegd, en al die ruimtes hebben ze in de loop der jaren volgestouwd met spullen die ieder ander mens allang had weggegooid. Er was geen structuur. Mijn ouders zeiden dat ik op een bepaald tijdstip naar bed moest, maar als ik nee zei of nog uren zat te spelen op mijn kamer, lieten ze dat toe.
Het werd nog erger toen de broer van mijn moeder ook bij ons kwam wonen. Hij had niet-aangeboren hersenletsel door zuurstoftekort, waardoor hij verstandelijk beperkt was. Hij plaste in bed en kon zichzelf niet verzorgen. Mijn ouders konden dat ook niet – dus deed ik het. Verschonen, eten maken… Bizar. Ik was twaalf jaar. Achteraf denk ik: iedereen in ons dorp wíst in wat voor situatie ik leefde, maar niemand deed iets. Er werd achter onze rug over ons gepraat, maar niet mét ons. Ook niet met een hulpverlener.”

null Beeld

Stekelkapsel

“Ik denk, nee, ik weet wel zeker dat ik verwaarloosd ben. Dat vind ik pijnlijk om te zeggen, want mensen denken altijd dat ouders zoiets expres doen. Maar mijn ouders wisten gewoon niet wat ik nodig had. Als ik nu foto’s terugkijk, zie ik mezelf in grote vodden, vijf, zes maten te groot, soms zelfs oude mannenkleding. Het zag er niet uit, inclusief mijn korte stekelkapsel. Op de basisschool werd ik daar soms mee gepest. Ik had wel vriendinnetjes en als ik daar thuiskwam, zag ik wat ik thuis niet had. Moeders die klaar zaten met thee en koekjes. Ook zoiets: een hand geven als je iemand wilt feliciteren of begroeten, een arm om iemand heen als diegene verdrietig is, ik had er geen idee van. Weet je waar ik het van heb geleerd? Goede tijden, slechte tijden. Daar zag ik mensen elkaar begroeten en troosten, daar zag ik opgeruimde huizen, familie-etentjes, gezelligheid, huiselijkheid. Ik heb als kind nooit bewust beseft: mijn ouders zijn niet zo slim. Wel kwam ik er steeds meer achter dat ik best veel kon. Ik was goed in zwemmen, schrijven, lezen, tekenen. Mijn intelligentie uitte ik door creatief te zijn. Knutselspullen hadden we niet, maar ik maakte tekeningen op een stuk karton en bouwde een zelf bewegende mobile van wc-rollen.”

Zorg voor mijn ouders

“Ik ging naar de middelbare school in Rotterdam, niemand kende daar mijn verhaal. In het begin voelde ik me daar als een vis in het water. Ik zat in een havo/vwo-klas, omdat ik mijn cito goed had gemaakt. Maar als puber was ik vaak boos, ik had veel discussies met mijn ouders. Mijn cijfers kelderden en ik haalde met de hakken over de sloot mijn mavodiploma. Ik kon het makkelijk, maar werd tegendraads en ging onderpresteren. Steeds vaker vroeg ik me af hoe het kon dat mijn ouders niet zo slim waren en ik wel. Ze zijn natuurlijk allebei te vroeg geboren. Als dat niet zo was geweest, waren ze misschien wel intelligent geweest.
Op mijn achttiende ging ik het huis uit. Mijn ouders vonden dat niet leuk, maar ik deed het gewoon. Ik wilde studeren, de wereld ontdekken. Ik rondde de opleiding Sociaal Pedagogisch Werk in twee jaar af in plaats van in de vier jaar die ervoor stond. Daarna haalde ik mijn eerstegraadslesbevoegdheid en voltooide ik de kunstacademie.
Ik ben altijd voor mijn ouders blijven zorgen. Dat was hard nodig, want hoe ouder ze werden, hoe slechter ze voor zichzelf en elkaar zorgden. Mijn vader is vorig jaar overleden aan kanker en mijn moeder blijkt aan alzheimer te lijden. Ik had al een vermoeden, maar ze lieten zich niet helpen en de huisarts greep niet in terwijl het huis één grote bende was, dat vind ik nog steeds onbegrijpelijk. Ik heb helaas een dossier moeten opbouwen en ben toen weloverwogen, maar met pijn in mijn hart, naar de rechter gestapt. Ik kreeg bewindvoering en mentorschap en er kwam gedwongen thuiszorg. Mijn vader heeft na die rechtszaak nog een maand geleefd, hij lag in die weken veel in het ziekenhuis.
Na zijn overlijden woonde mijn moeder alleen in dat grote huis waar het een enorme bende was. Met een rechterlijke machtiging is ze in een verzorgingshuis geplaatst. Het gaat nu heel goed met haar. Hoewel ze alzheimer heeft, is ze gelukkig, ze straalt rust uit en herkent me nog. Wat ook ergens wel mooi is: ze zit tussen allemaal andere mensen die ook dementeren. Ineens is ze niet meer de laagst begaafde, ineens maakt denkniveau niets meer uit. Mijn man Anjo en ik gaan er vaak heen en nemen dan onze dochtertjes, Olivia van drie en Norah van vijf, mee. Mijn moeder is een lieve oma. Toen ik zwanger werd, vond ik het aanstaande moederschap best spannend. Misschien leg ik de lat hoger dan andere moeders, juist omdat ik zelf tekortkwam.”

null Beeld

Signalen

“Ik schrijf nu een boek over mijn jeugd en geef lezingen en workshops aan docenten en hulpverleners. Ik ben blij en dankbaar dat ik besta en vind niet dat je mensen op basis van hun intelligentie het recht mag ontnemen om kinderen te krijgen. Maar ouders zoals de mijne hebben wel hulp nodig. Daarvoor moet de omgeving signaleren dat er iets aan de hand is. Ik ben aan mijn lot overgelaten.
De afgelopen maanden ben ik door ons verleden gegaan tijdens het opruimen van mijn ouderlijk huis. Het was monnikenwerk, buurtbewoners en mensen van de kerk uit het dorp kwamen me helpen. In dat vieze, stoffige, leegstaande huis vielen ineens dingen op hun plek. Ik stuitte op diploma’s van mijn opa’s, die lieten me zien aan wie ik mijn IQ te danken heb. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat ik hoogbegaafd ben.
Tijdens het opruimen zat ik even op de motorkap van mijn auto in het zonnetje te genieten van een kop koffie. Er kwam een dorpsgenoot langs, hij vroeg hoe het met me ging en wat ik deed. Toen hij hoorde dat ik twee dochters heb en docent en ontwerper ben, en dat mijn man advocaat is, keek hij verbaasd. Alsof het niet waar kon zijn dat ik onder het juk van dit dorp en mijn jeugd vandaan was gekomen. Mijn verleden zal altijd bij me blijven, en dat is oké. Maar daar, op die motorkap, besefte ik dat ik niet langer in dat hokje van mijn ouders paste. Ik ben verdergegaan.”

  • Styling: Maartje Bodt. Haar en make-up: Astrid Timmer. M.m.v. Mango (jurk), Mayke (laarzen). Oorbellen en armbanden zijn door Jolanda gemaakt van duurzaam hout: jolandadoornbos.nl

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden