null Beeld Tamar Ottink
Beeld Tamar Ottink

column

José: “Het monument doet zijn werk. Hier wordt duidelijk hoevéél Joden het waren. En dan is 102.000 nog maar een schijntje van 6 miljoen”

Bladenmaker en journalist José Rozenbroek is een nieuwsjunk. Elke week schrijft ze voor Libelle een column over wat haar opvalt en waarover ze zich opwindt.

Waar ik woon is de oorlog nooit ver weg. Om de hoek van mijn huis, in de Tweede Jan Steenstraat, staan bordjes voor de ramen van huizen waar in de oorlog Joodse families woonden die werden weggevoerd en nooit zijn teruggekomen. Op nummer 32 bijvoorbeeld het gezin Voorzanger: grootvader, vader, moeder, zoon Albert van 15, dochter Betty van 12. Als ik door de straten loop, houden mijn voeten soms stil bij zogenaamde struikelstenen: stoepstenen met messing plaatjes waarop namen en jaartallen zijn vermeld. Zo struikelde ik gisteren, op weg naar de garage, over Walter Kaufmann, in 1944 vermoord in Midden-Europa, en Paula Kaufmann-Daniels, in 1943 omgekomen in Sobibor.

Vandaag voeren mijn benen mij naar het Nationaal Holocaust Namenmonument dat vorige week is geopend. Ik heb er al foto’s van gezien, maar in werkelijkheid blijkt het verpletterend: een soort van doolhof van lange muren waarin ruim 102.000 bakstenen zijn gemetseld, met daarin gegraveerd de namen van alle 102.000 Nederlandse Joden en 222 Sinti en Roma die tijdens de holocaust zijn vermoord.

De allereerste steen is voor Anny Aa. Ze was 1 toen ze werd weggevoerd. De allerlaatste is voor Heinrich Zysmanowicz. Hij is 19 geworden. Tussen Anny en Heinrich een zee van bruine bakstenen, namen van tienduizenden mannen, vrouwen, kinderen. Onwillekeurig speur ik naar bekende namen: Anne Frank - o ja, ze heette voluit Annelies. Een rij verder haar zusje Margot. In een andere muur Peter van Pels, met wie Anne zat ondergedoken en op wie ze zo verliefd werd. Ik zoek naar namen van familieleden van vrienden en bekenden. Ik vind de naam van de grootvader van acteur Géza Weisz die ik niet zo lang geleden interviewde. Hij vertelde me dat hij vernoemd was naar zijn vermoorde opa. Dat hij voor zijn ouders een jongetje was dat ‘alles moest goed maken’.

Ik lees prachtige namen die je zelden of nooit meer hoort: Trompetter, Schuitevoerder, Zeehandelaar, Ziekenoppasser, Zomerplaag.

Het is een plek om stil van te worden. Het monument doet zijn werk. Hier wordt duidelijk hoevéél het er waren. En dan is 102.000 nog maar een schijntje van 6 miljoen. Het is ontroerend en toch is het geen beklemmende plek. Misschien omdat de herfstwind zo vrolijk de herfstbladeren langs de muren jaagt. Misschien omdat de zon door de wolken breekt. Misschien zijn het de roestvrijstalen platen boven de bakstenen muren die als bliksemschichten de zon en de wolken en de bomen weerspiegelen.

Misschien zijn het vooral de bezoekers. Groepen schoolkinderen die naar hun juf luisteren, jongeren die foto’s nemen, oudere mensen die met elkaar in gesprek raken en elkaar een naam aanwijzen: “Dat is mijn oudtante Nanny …” “Kijk, hier staan de namen van de zussen en de broers van mijn oma …”

Ik realiseer me dat hier overlevenden rondlopen, nazaten van Joden die niet zijn vermoord. Dat maakt dit monument tot een gedenkplaats vol weemoed en verdriet, maar ook van mazzel en overlevingsdrift. Deze oorlog heeft niet iedereen klein gekregen.

Op weg naar huis koop ik een klein pruimentaartje. Vandaag ga ik het leven vieren.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden