Bibi mag na het overlijden van haar zus haar neefjes niet meer zien

“Mijn woede stond het rouwen in de weg”

null Beeld  Petronellanitta
Beeld Petronellanitta

Als haar geliefde zus Saar overlijdt, mag kinderboekenschrijver Bibi Dumon Tak (56) haar neefjes niet meer zien. Vijf jaar later is er aan deze situatie nog steeds niets veranderd. “Het ergste vind ik dat Saar niet rustig kon sterven.”

“Mijn zusje Saar was mijn liefste mens, degene die het dichtst bij me stond. Zeven jaar jonger was ze, en omdat ze zeer slechthorend was, had ik de rol van haar beschermer. Als zij als kind gepest of buitengesloten werd omdat ze niet goed kon praten, kwam ik voor haar op. Later kon Saar uitstekend voor zichzelf opkomen, ik ken niemand die zo doelgericht en duidelijk was als zij. Als zij haar zinnen op iets zette, kreeg ze alles voor elkaar. Ze was een eenvoudige, stralende persoonlijkheid.
Helemaal in lijn met haar karakter was Saar ook vastbesloten om van haar huwelijk een succes te maken, zeker toen er kinderen kwamen. Maar er waren veel problemen. Saar deelde niet alles met mij, maar wat ze soms losliet over haar ex deed mijn oren klapperen. Zo wilde hij per se het voeden van hun baby’s fiftyfifty verdelen. Met een overstuur kind en Saars borsten die op klappen stonden werd geen rekening gehouden. Hij sloot zich met de krijsende baby op in een kamer, net zo lang tot zij gekolfd had en hij de baby kon voeden. Het was ten slotte zijn ‘moederbeurt’. Later kwam ik erachter dat er ook sprake was van fysiek geweld, maar wat er precies is gebeurd, heeft Saar me nooit verteld. Dat het huwelijk geen stand hield, was onvermijdelijk. Na Saars scheiding werd onze band weer net zo hecht als die daarvoor was. Het was heerlijk om haar ‘terug’ te hebben, ze bloeide op. Lang heeft mijn zus niet van haar vrijheid kunnen genieten, want anderhalf jaar na haar scheiding bleek dat ze ongeneeslijke kanker had. Haar kinderen waren net zes en tien jaar oud.”

Fragment uit De dag dat ik mijn naam veranderde (Saar heet in het boek Lize):
Ik heb zelfs met Veilig Thuis gebeld om te vragen wat ik in deze situatie moest doen, wanhopig als ik was. Je kunt toch niet zomaar een heel gezin verliezen? Jij dood, en Rémy en Misha voor altijd uit het zicht. Kom me niet aan met woorden als: ze komen echt wel weer bij jullie terug. Weet je dat bijna iedereen dat zegt? Van begin af aan zeiden mensen dat. Op een dag staan ze voor jullie deur. Echt, vertrouw daar maar op. En dan kwamen er weer voorbeelden van verdwenen kinderen die na jaren weer opdoken. Opdoken als volwassenen dus. Snappen al die mensen dan niet dat ik ze wil zien opgroeien, dat ik ze iets van jou mee wil geven.

null Beeld

“Ik schrijf mijn neefjes Rémy en Misha – niet hun echte namen – nog altijd brieven. Net als mijn moeder, die haar kleinzoons ook al vijf jaar lang, sinds het overlijden van mijn zus, niet meer heeft mogen zien. Dertien en zeventien zijn ze inmiddels. Ik heb geen idee of de jongens de brieven lezen, ik vermoed van niet. Ik heb in elk geval nooit iets teruggekregen. Maar ik blijf ze schrijven, zodat ze op een dag hopelijk denken: misschien zit er toch wel íets goeds in die tante. Ik betwijfel ten zeerste of ze inderdaad ooit weer bij me op stoep zullen staan. Ze zijn geïndoctrineerd door hun vader, die niet wil dat ze contact hebben met ook maar iemand uit hun moeders leven. Hij heeft ze letterlijk gekidnapt en wij – ik, mijn moeder, alle mensen die van Saar en haar jongens houden – moeten machteloos toekijken. Juridisch gezien hebben we geen poot om op te staan. Veilig Thuis is bij hem op bezoek geweest. Toen ze daar geen gevaarlijke situatie aantroffen, was het klaar.”

Verboden woord

“Saar had maar één optie: beter worden. Een plan B was er niet. Ze onderging alle behandelingen die nodig waren en toen ze in Nederland uitbehandeld was, week ze uit naar Duitsland voor een experimentele chemokuur. Als ze vond dat de infuuszak te langzaam leeg druppelde, regelde ze zelf de snelheid. Zo was Saar. Gewend dat alles waar ze haar zinnen op zette, lukte. ‘Dood’ was het verboden woord in haar buurt. Nooit heb ik met haar gepraat over sterven, dat was onmogelijk. Ik kon en wilde haar de hoop ook niet ontnemen, het enige wat ze nog had. Ze kón gewoon niet dood, vanwege haar jongens.

Toen ze ziek werd, werd de band tussen mij en Saar ongekend hecht. Als ik bij haar logeerde, sliep ik bij haar in bed, geen centimeter tussen haar en mijn huid. Intiemer kon niet. Voor haar jongens werd ik meer dan een tante. Ik bracht ze naar school, smeerde hun boterhammen, liet met hen de honden uit. Eindeloos heb ik met Saar in ziekenhuizen en bij dokters gezeten. We waren drie jaar lang zo ontzettend samen, zeker als we met zijn tweeën voor drie dagen naar Duitsland reden, zij doodziek op de achterbank.

Intussen gaf haar ex geen strobreed toe. Van hem kon ze geen enkele sympathie verwachten. Hij vond tot het einde toe dat hij net zo veel recht op zijn jongens had als zij, alles fiftyfifty. Hij hield geen rekening met haar goede dagen, of met het feit dat ze niet lang meer met haar kinderen had.”

Fragment uit De dag dat ik mijn naam veranderde (Saar heet in het boek Lize):
O ja, en dan nog je telefoon Lize, kun je het nog aan? Ik moest je werktelefoon natuurlijk inleveren bij je baas. Maar voordat ik alle gegevens wiste en het toestel terugzette op fabrieksinstellingen heb ik nog heel even enkele appjes gelezen. Vooral die van de man wiens naam ik niet zal noemen – moge hagel zich stukslaan op zijn gebit – aan jou. Een ervan ging als volgt: ‘Het zal wel niet voor niets zijn dat je deze ziekte hebt gekregen.’

null Beeld

Misdadig

“Het ergste vind ik dat Saar niet rustig kon sterven. Ze kon niet doodgaan met het idee dat haar ex zijn best zou doen de situatie zo draaglijk mogelijk te maken voor hun kinderen. We praatten daar niet over, maar ik zag de wanhoop in haar ogen. Wanneer een jong persoon met kleine kinderen sterft, is dat sowieso dramatisch, maar in haar geval was het misdadig wat er vervolgens gebeurde. De kinderen mochten na haar overlijden niet eens in hun eigen huis rustig hun spullen uitzoeken alvorens ze definitief bij hun vader introkken. Uiteindelijk kregen ze een paar uur de tijd van hem om hun liefste bezittingen te verzamelen. Natuurlijk heb ik veel gemaild met hun vader – bellen was niet eens een optie, alle correspondentie ging schriftelijk – om te vragen of ik en mijn moeder de jongens konden zien. Steeds was het antwoord ‘helaas’. Ik ben niet snel bang te krijgen, maar als ik een mail van hem kreeg, begon mijn lichaam onwillekeurig te trillen. Dat gebeurde gewoon. Ik heb vaak overwogen om Rémy en Misha toch op te zoeken. Natuurlijk. Om bijvoorbeeld aan de zijlijn te staan tijdens een van hun wielerwedstrijden. Maar het is een duivels dilemma. Wat als ik ineens op het schoolplein zou opduiken? Ik denk dat ze zich doodschrikken. Ze krijgen geheid problemen met hun vader. Voor hen laat ik ze met rust, met uitzondering van die brieven dan.”

Laatste contact

“De laatste keer dat ik mijn neefjes zag, was op de uitvaart van mijn vader, hun opa. Saars ex had bedacht dat hij en de jongens vijf minuten na aanvang van de dienst binnen zouden komen, terwijl ik met mijn rug naar hen toe op de voorste rij zou zitten, zodat ik ze niet te zien kreeg. Ongelooflijk dat je zoiets kunt bedenken. Deze man liet geen kans onbenut om het mij zo lastig mogelijk te maken. In mijn afscheidsspeech – extra lang, zodat ik de jongens zo lang mogelijk kon zien – kon ik hen vertellen over hun moeder en hoeveel ik van ze hield. Het was de enige keer dat ik Rémy en Misha zo rechtstreeks heb kunnen bereiken. Na de dienst waren ze meteen verdwenen.

undefined

Ik heb, ook in het boek, geprobeerd om de andere kant van het verhaal te onderzoeken en te begrijpen. Maar ik kom steeds weer tot de conclusie dat er gekte bij zit. Zijn totale gebrek aan empathie en zijn bezitsdrang zijn onbegrijpelijk. Na Saars overlijden was ik onbeschrijflijk woest op haar ex. Terwijl rouwen liefdevol hoort te zijn, verdrietig en liefdevol. Mijn woede stond het rouwen in de weg. Door mijn boek heb ik vorm kunnen geven aan de boosheid. Als schrijver kon ik niet anders dan dit boek schrijven. Pas toen het af was, kon ik door. Wat hielp, was het bedenken van allerlei vervloekingen voor deze man, in het boek wens ik hem de meest onwaarschijnlijke rampen toe. Moge een reiger zich ontlasten boven zijn hoofd. Moge de aarde openscheuren daar waar hij zijn voeten zet. Het bracht een bepaalde luchtigheid die het boek nodig had. Sinds het verschijnen ervan sta ik steviger, ben ik minder bang voor deze man. Pas na het schrijven kwam ik aan rouwen toe. Ik heb wel even getwijfeld of ik dit kon publiceren, maar ik was de jongens toch al kwijt – wat had ik te verliezen? Met het boek kan ik hen hopelijk laten zien dat ik in elk geval niet níks heb gedaan. Want dat lijkt me uiteindelijk nog veel erger.” ■

De dag dat ik mijn naam veranderde is verschenen bij uitgeverij De Geus.

Bibi in ’t kort

Bibi Dumon Tak (56) schrijft voornamelijk literaire non-fictie voor kinderen. In 2001 debuteerde ze met Het koeienboek, in 2006 schreef ze het Kinderboekenweekgeschenk Laika tussen de sterren. Haar werk werd bekroond met zes Zilveren Griffels en één Gouden Griffel. In 2018 kreeg ze de prestigieuze Theo Thijssenprijs voor kinder- en jeugdliteratuur. In 2007 verscheen haar eerste niet-kinderboek, Rotjongens, over het leven in de jeugdgevangenis.

  • Styling: Maartje Bodt. Haar en make-up: Astrid Timmer

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden