Janneke Beeld Getty Images/EyeEm
JannekeBeeld Getty Images/EyeEm

Janneke & het hospice: “Er staat een P bij haar naam. Palliatief. Mijn glimlach verdwijnt”

Janneke Siebelink

De tijd wacht op niemand. Dat weet Janneke zeker door haar werk in het hospice maar al te goed. Toch hoopte ze haar potje schaken met mevrouw Q. van vorige week nog af te kunnen maken...

Vlak voordat ik vertrek, zie ik het mailtje voorbijkomen. Het is maar een zinnetje. Het is altijd maar een zinnetje met de naam en het kamernummer. Op de fiets naar het hospice denk ik aan het spel van vorige week. We waren nog niet klaar, maar ze zei dat ze moe was en dat ze een extra schaakbord had waar ze mee kon spelen, zodat ons spel rustig een weekje kon blijven staan. We deden niet aan tijdcontrole met een klok. “Dat doe je in het leven toch ook niet?” Mevrouw Q. (81) had haar sjaal wat omhooggetrokken zodat haar nek bedekt was. “Een weloverwogen besluit, daar moet je alle tijd voor nemen. We hebben nu eenmaal niet allemaal dezelfde hoeveelheid tijd. Wie zijn wij om die van een ander te reguleren?” Ze wreef met haar handen over haar armen. “Het is fris, vind je niet?” De thermostaat aan de muur gaf 25 graden aan.

Er is altijd genoeg

In de keuken praat collega H. me bij. Over mevrouw K. (60) met de rode Chanel-lippenstift, dat ze voortdurend misselijk is en nu echt alleen nog maar vloeibaar eten tot zich kan nemen. “Een beetje soep lust ze straks wel, maar alleen als het door een rietje kan, dus echt helemaal fijn.” Over mevrouw Y. (55) en hoe ze vanmorgen weer een ravage heeft achtergelaten onder de ontbijttafel. Ze wijst naar de eettafel. “Raad maar waar ze heeft gezeten.”

We lachen, schudden ons hoofd.

Ze gaat verder met haar vinger langs de namen op de bewonerslijst, vertelt over de zoon van mevrouw J. (79) die afgelopen week iedere dag bij haar op bezoek is gekomen, twee keer, soms zelfs drie keer per dag en graag mee-eet als er genoeg is. Ik zie dat er een ‘P’ voor haar naam is komen te staan. Palliatief. De glimlach verdwijnt van mijn gezicht. Ze kwam hier om te herstellen van haar val. Ze zal haar eigen huis niet meer zien.

“Altijd”, zeg ik. “Er is altijd genoeg.”

“Hij stopt iedere dag geld in het bakje, hij is gul”, zegt H. en ik kijk naar het metalen bakje dat bij de ingang van de keuken hangt, waar gasten een vrijwillige bijdrage in kunnen stoppen als ze mee hebben gegeten. Ik denk aan haar zoon, aan haar kat. Niet zelden laat iemand een grote leegte achter wanneer iemand sterft. Achterblijven is een kunst, las ik laatst. Het verdriet, de rouw van zij die doorleven na het afscheid.

“Heb je de mail vanmorgen nog kunnen lezen?”

Ik knik. Haar vinger rust nu bij de regel waar mevrouw Q. (81) staat.

“Ze wordt straks uitgeleid. Wil je erbij zijn?”

Ik knik weer en knoop mijn schort opnieuw vast. “Mooi en professioneel”, zei mevrouw Q. over de wijnrode sloof die ik hier draag.

“Ik haal je zo.” H. vouwt het A4’tje met de namen op en stopt het discreet in een la, loopt naar de gang en sluit de deuren.

Zoals het straks zal gaan

“Waarom doet ze nou de deuren dicht?” Ik neem plaats tegenover meneer L. (73) die als laatste nog aan de ontbijttafel zit.

“Er is iemand overleden. Dan komt er een erehaag van de mensen die hier werken, als een laatste eerbetoon.”

“Ah, right. A final tribute.” Meneer L. valt de laatste paar weken vaker terug in zijn moedertaal wanneer hij geëmotioneerd raakt en dit gevoel wil onderdrukken. “Dan weet ik what awaits me when it’s my time.” En dat is dat. Hij snijdt een korstje van zijn brood af, vraagt niet naar wie of hoe of wanneer. Men leeft hier samen naar een einde toe, deelt maaltijden voor zolang als dat gaat. Maar te veel informatie over de anderen is niet wenselijk, de verwerking van al die verhalen vraagt veel energie. Energie die men nodig heeft om barmhartig naar zichzelf toe te zijn.

Het eindspel

Na het afscheid loop ik naar de kamer van mevrouw Q. Met mijn hand strijk ik langs het witte lint aan haar deur. Haar geur hangt nog in de kamer, een zachtzoete mengeling van gekookte melk en speculaas. Ik loop naar het tafeltje bij het raam en zie het schaakbord. Precies zoals ik het een week geleden heb achtergelaten. We hadden er allebei het volste vertrouwen in dat we het af zouden kunnen maken.

Zij was aan zet. Ik neem plaats op haar stoel. Verplaats me in haar gedachten en speel haar stukken, verwissel weer van plaats en persoon en speel mezelf.

Het gaat om het spel, niet om het winnen. Ik hoor haar stem.

Soms speel ik tegen mezelf. Dat is het moeilijkste gevecht. Van haar stoel naar de mijne en andersom. Ik bestudeer het eindspel, kijk naar de zwarte en witte stukken die van het bord zijn gedreven en op hun beurt aan de zijlijn toekijken naar hun koningen die ik moet beschermen.

Het hoeft nog niet te eindigen. Ik pak het bord op en neem het mee naar de woonkamer, zet het boven op een kast. Soms mag het spel nog best wat langer duren. Wie ben ik om de tijd te bepalen?

null Beeld

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots. Onlangs publiceerde ze haar debuutroman Soms sneeuwt het in april.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden