Janneke Beeld Getty Images/iStockphoto
JannekeBeeld Getty Images/iStockphoto

PREMIUM

Janneke & het hospice: “De zoon trof zijn moeder aan in het echtelijk bed, haar parfum kon de dood niet verbergen”

Janneke Siebelink

Meneer N. is nieuw in het hospice. Zijn vrouw is onlangs overleden. Hij had zo veel moeite met afscheid nemen, dat hij haar daarna dagenlang in het echtelijk bed liet liggen.

Onbetaalbaar

“14 euro.”

Collega H. pakt een schone, strak gesteven theedoek uit de la, wappert ermee in de lucht om de vouwen eruit te halen en hangt ’m aan het haakje bij het aanrecht.

“Dat meen je niet.” Mijn handen zijn bloederig rood van de bietjes die ik zojuist in plakjes heb geschaafd. Zoekend kijk ik om me heen, mijn blik valt op de frisse doek.

“Toch wel. En waag het niet om ze daaraan af te vegen, kom hier.” Ze pakt me gespeeld streng bij mijn ellebogen, draait de kraan voor me open en reikt een borsteltje aan.

“14 euro.” Herhaal ik verbouwereerd en schrob mijn huid. “Meen je dat serieus of wil je hiermee aangeven dat het echt droevig is gesteld met de salarissen in de zorg?”

“Het is echt zo. Ik kan beter patat en hamburgers gaan bakken bij de Mac dan hier in de keuken staan. Daar krijg ik 14 euro per uur. Mijn dochter verdiende op een bepaald moment met haar bijbaantje meer dan ik. Ik verdien geen 14 euro per uur.” Ik schud de druppels van mijn hand, droog ze aan mijn keukensloof. Het rode sap is in de huid rondom mijn nagels getrokken. “Ik verdíen natuurlijk wel meer”, zegt ze spottend en opent de vaatwasser, stapt naar achteren zodat de hete damp die van de glazen af komt kan ontsnappen, “maar ik kríjg het niet.”

Sigaar

Het is overduidelijk vakantietijd. In de Amstel is het voller dan op de straten, het rooster van de vrijwilligers is zo leeg als de hemel, waar geen wolkje aan de lucht is.

“Alleen jij en K. koken nu. De moeder van T. is een paar dagen geleden overleden, dus ik verwacht dat zij voorlopig niet komt. Iedereen heeft natuurlijk zijn dingen te doen, maar het leven hier in het hospice gaat ook gewoon door.”

Terwijl ik die laatste zin op me laat inwerken, kijk ik naar meneer N. (92) die het bakje met chilisaus voor de Turkse kaasrolletjes leeg lepelt met zijn vork. Meneer N. is hier sinds maandag. Collega H. vertelt dat zijn vrouw onlangs is overleden, thuis, door een val.

“Het is droevig en romantisch tegelijk. Misschien is romantiek dat trouwens per definitie wel een beetje, bedenk ik me nu.” Vertederd kijkt ze naar meneer N. die met zijn vingers het laatste restje saus oplikt, vervolgens de soepkom aan zijn mond zet en zijn hoofd achterover laat vallen. “Hun zoon belde iedere dag met zijn moeder, maar op een gegeven moment nam alleen meneer N. nog op. Hij had steeds een ander excuus; dan weer zat moeder op de wc, dan weer was ze boodschappen doen, dan weer lag ze net even een dutje te doen. Dat ging een week zo door, tot de zoon besloot langs te komen. Ik zie je je afvragen ‘waarom pas na een week’, maar hij woont in het zuiden van België, anders was hij al eerder langsgegaan.” Soms denk ik dat H. mijn gedachten kan lezen. “Hij trof zijn moeder aan in het ouderlijk bed. Handen gevouwen op de borst, nette, gestreken kleren aan, haar keurig gekamd, maar haar parfum kon de dood niet verbergen. Zijn vader had hem gesmeekt haar te laten liggen. Hij had 70 jaar naast haar geslapen. Hij was radeloos. Hoe moest dat nu zonder zijn vrouw?”

Ik stamel dat ik het begrijp. En stel nog een paar weinig belangrijke vragen uit machteloosheid en kijk dan weer naar meneer N.. Ik probeer medelijden uit mijn blik te verdrijven, niemand zit te wachten op medelijden. Hij heeft de hele lunch, de romige courgettesoep, de bietencarpaccio met walnoten en tijm en de kaasrolletjes tot de laatste druppel en kruimel verorberd. “Lekker”, mompelt hij in zichzelf. Hij schuift alles opzij en legt een sigarendoosje op tafel. Het is nog onaangebroken. Met zijn trouwring tikt hij er tegenaan.

“Je vindt het altijd zo gezellig ruiken”, zegt hij.

Alsof we naar een toneelstuk kijken, zo kijken we naar meneer N., die zich op zijn beurt niet bewust lijkt van onze aanwezigheid. Aandachtig peutert hij het zegel los, opent het doosje, brengt het naar zijn neus en snuift met zijn ogen dicht. Een tevreden zucht, een kus op zijn trouwring. “Ga je mee? Dan steek ik er eentje op.”

Collega H. pakt een kop koffie, loopt om de tafel heen en slaat een arm om meneer N. heen. “Kom, dan gaan we samen op het balkon zitten onder de parasol. Er staat een klein windje, het is aangenaam. Mijn vader rookte dezelfde sigaren, Corona sigaren – die naam klinkt nu toch een beetje anders hè, net als het biertje, dat klinkt toch ook niet meer lekker. Rookt u een sigaartje? Dan is mijn vader er ook een beetje bij.” Ze schuift zijn stoel naar achteren, helpt meneer N. overeind, zegt zacht in het voorbijgaan: “Dan kan de Mac misschien meer betalen, maar dit, de mensen hier, wat ik voor ze kan betekenen en wat zij voor mij betekenen, dat is onbetaalbaar.”

null Beeld

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots. Onlangs publiceerde ze haar debuutroman Soms sneeuwt het in april.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden