Janneke Beeld Getty Images/EyeEm
JannekeBeeld Getty Images/EyeEm

PREMIUM

Janneke & het hospice: “De zoon van meneer L. (73) schrijft dat hij spijt heeft en naar Nederland komt”

Janneke Siebelink

Meneer L. heeft een brief ontvangen van zijn zoon in Amerika. Er komen steeds minder mensen in het hospice lunchen.

“Het is een bekende zanger.”

“Wie?”, vraag ik aan collega H., terwijl we samen naar de uitgeprinte namenlijst kijken waar sinds vorige week weinig verandering in is gekomen. Er zijn geen namen afgegaan, wel twee bijgekomen.

“Ken je hem niet?” Ze pakt haar telefoon, begint te typen en voor ik het weet schalt er een stevige, Hollandse stem door de keuken.

Een echte artiest

“Zachter!” Ik kijk verschrikt om me heen. “Straks hoort hij zijn eigen stem.”

“De kamers zijn vrijwel geluidsdicht als de deuren gesloten zijn, geen zorgen.” Ik zie dat hij aan de palliatieve zijde ligt en ik vraag me af hoe het moet zijn om na een leven in de schijnwerpers veel te jong te eindigen op een kamer op vijfhoog in Amsterdam-Oost. Prachtige kamer, prachtig uitzicht. Maar wel de laatste kamer.

“Hij wordt geëuthanaseerd.” H. legt haar telefoon weer weg. “Hij wil dat er zoveel mogelijk mensen bij zijn. Een echte artiest. Hij blijft op het podium staan.”

Rummikub

De enige twee bewoners die vandaag aan tafel komen zijn mevrouw T. (89, voormalig directeur van dit hospice en het verzorgingstehuis op de verdiepingen hieronder) en mevrouw J. (79, schedelbasisfractuur, kat Kapitein Sok blijft op de kamer).

Mevrouw T. zucht: “Wat is het toch stil, de laatste tijd.”

Zwijgzaam zitten de twee dames tegen over elkaar.

Dan vervolgt ze: “Wilt u na de lunch een spelletje spelen?”

Stilte. Mevrouw T. fronst.

“WILT U NA DE LUNCH EEN SPELLETJE SPELEN?”, herhaalt ze luidkeels in de richting van mevrouw J. die verdwaasd opkijkt van haar soep. Mevrouw T. is al jaren met pensioen maar het directeurschap zit diep in haar geworteld. Delegeren heeft ze tot een kunst verheven. Ik wil mevrouw J. behoeden voor een kansloos potje Rummikub, maar mevrouw T. heeft bord en bestek al aan de kant geschoven en roept: “Zuster, zuster, kunt u de Rummikub even pakken? Het ligt daar in de kast. Dank u zuster.” En natuurlijk pak ik het. Want mevrouw T. is naast meester in delegeren ook heel goed in charmeren.

“Ik weet niet meer zo goed hoe dit moet hoor.” Mevrouw J. zet haar Rummikub-rekje neer en draait de steentjes om.

“We mogen allebei dertien stukken pakken en je mag pas uitkomen als je dertig kunt leggen”, onderwijst mevrouw T., terwijl ze haar steentjes verwoed ordent. Mevrouw J. is nog aan het verzamelen.

Laatste brief

Na de lunch, het spel (dat al afgelopen was voordat mevrouw J. goed en wel iets heeft kunnen leggen, zo snel was mevrouw T. uit) en de afwas, loop ik naar meneer L. (73). Vóór de lunch was hij aan het vernevelen (een vernevelaar zorgt ervoor dat medicijnen veranderen in een nevel of mist red.). Iets wat meneer L. energie oplevert, maar hem óók veel kracht kost. De econoom in mij vaagt zich af of de opbrengst de investering waard is.

Voorzichtig open ik de deur. Tot mijn verbazing staat de tv uit en hoor ik klassieke muziek. De stem van een serene sopraan vult de kamer.

“Meneer L.?” Voorzichtig stap ik over de krullende zuurstofdraden op de grond en volg ze tot aan zijn bed. Hij ligt met zijn ogen dicht.

“Meneer L.?” Zachte zuchten ontsnappen aan zijn mond. Ik kijk naar het duidelijk afgetekende ranke postuur onder de dunne, lichtblauwe sprei, zijn handen op zijn buik houden iets vast. Naast hem op het bedtafeltje staat een cd-speler. Er ligt een hoesje bovenop en ik lees ‘Vier letzte Lieder’, de laatste composities van Straus. Hij schreef ze in 1948 op 84-jarige leeftijd, vlak voordat hij stierf. De muziek is ontzagwekkend en toch kalm. Er klinkt een zekere acceptatie in door. Meneer L. houdt zijn ogen dicht, reikt me iets aan, een envelop.

Het zal toch niet, denk ik even. Het zal toch niet dat de bief die ik voor hem op de post heb gedaan vorige week retour is gekomen? Het kan onmogelijk al een brief met een antwoord van zijn zoon vanuit Amerika zijn. Ik kijk naar het flinterdunne luchtpostpapier in de benige, gekromde handen van meneer L. en hij wappert ten teken dat ik het aan moet pakken. “Son”, zegt hij. “My son.”

Ik kom eraan

Zijn zoon schrijft dat hij heeft gehoord van kennissen dat zijn vader in een hospice ligt. Hij schrijft dat hij zo snel mogelijk naar Nederland komt en dat hij hoopt dat zijn vader deze brief in goede orde ontvangt. De kennissen hebben via Facebook contact met hem gezocht en hem op de hoogte gesteld. Hij schrijft dat hij niet begrijpt waarom zijn vader hem niet heeft gebeld. Hij heeft spijt dat hij zijn vader niet heeft gebeld en dat hij geen afscheid heeft genomen van zijn moeder.

Achter meneer L. klinkt in de stem van de sopraan een verlangen door naar een ondergaande zon. Ik vouw de brief op en leg hem weer onder de handen van meneer L. neer.

De brieven hebben elkaar gekruist. Zoals levens elkaar kruisen. Hier gebeurt dat in het klein. De mensen in de kamers hebben vaak geen weet van de andere bewoners. Muzikanten, winnaars, verliezers, moeders, vaders.

Hij kreeg dus toch nog een brief waarin staat ‘ik kom eraan’. De enige woorden die er nu toe doen.

null Beeld

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots. Onlangs publiceerde ze haar debuutroman Soms sneeuwt het in april.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden