Janneke & het hospice: “Ik zeg de bewoners gedag, maar weet niet wie er volgende week aan tafel zullen zitten” Beeld Getty Images/iStockphoto
Janneke & het hospice: “Ik zeg de bewoners gedag, maar weet niet wie er volgende week aan tafel zullen zitten”Beeld Getty Images/iStockphoto

PREMIUM

Janneke & het hospice: “’Het enige wat overblijft als je niets meer weet, ben je zelf’, zegt meneer V.”

Er verdwijnt servies uit de keuken van het hospice, dat wordt teruggevonden in de kamer van meneer V. Dat, en een enorme voorraad messen...

Janneke SiebelinkGetty Images/iStockphoto

Vergeten groenten

Er verdwijnen dingen in het hospice. Niet alleen levens, niet alleen herinneringen, decorum, dromen, hoop, angst en verdriet. Er verdwijnen spullen. Als ik de mooie soepkommen wil pakken, die ik liever gebruik dan de gekleurde soepkommen met oortjes omdat die me te veel aan ziekenhuisservies doen denken, valt me op dat het aantal is gehalveerd.

“Zijn er kommen gevallen?” vraag ik aan collega H., die bestellingen invoert op haar laptop. Melk, suiker, eieren, heel veel eieren, kaas en vleeswaren per twee plakjes verpakt, eenpersoons kuipjes roomboter, smeerkaas, jam, pindakaas. Miniverpakkingen die een vakantiegevoel herbergen omdat ze vaak onderdeel uitmaken van het ontbijtbuffet in hotels en knusse B&B’s.

“Niet dat ik weet, maar er ontbreken ook koffiekopjes en theelepeltjes. Ik ga straks de kamers langs. Het kan zijn dat er in de keukentjes van de grote kamers soms wat achterblijft als bezoek zelf afwast en het serviesgoed in de kastjes zet.”

Hoopvol tijdstip

“Op vrijdag wordt altijd het ongeluk bezorgd.”

“U wordt bedankt”, knipoog ik en zwaai naar meneer V. (76) die de woonkamer binnenrijdt op zijn scootmobiel, teckel King op zijn schoot.

“Ik bedoel de blauwe enveloppen en slechtnieuwsberichten. Ze komen altijd vlak voor het weekend.”

“Ik kom koken, of is dat ook slecht nieuws?” Meneer V. kijkt me onderzoekend aan.

“Ik heb geen idee wie jij bent.” Hij ziet me nu al een paar weken elke week, maar zijn kortetermijngeheugen is defect. Het is ontnuchterend en op een bepaalde manier geruststellend om in dit hospice als vrijwilliger te werken. Hier ben je geen moeder, geen werknemer, geen dochter. Je laat hier geen sporen na, je kunt altijd weer opnieuw beginnen.

“Ik ben de kok.”

“Ah, de kok! Wat ga je maken?”

“Pastinaaksoep met peer met pestobroodjes.”

“Alles met een p”, grinnikt meneer V. en trekt de oren van King omhoog. Hoor je dat King? Alles met een p... Maar pastinaak ken ik niet.”

“Het wordt ook wel de witte wortel genoemd. Het is een soort van vergeten groente. Wat bedoelt u eigenlijk met slecht nieuws? Het is vrijdag. Heeft u slecht nieuws gehad?” Hij kijkt zoekend om zich heen, aait King, fluistert iets in de lange, zwartsatijnen oren.

“U hoeft het natuurlijk niet te zeggen”, probeer ik als het net iets te lang stil blijft. Hij kijkt me aan, schudt zijn hoofd. “Sorry, ik weet het niet meer. Ik weet niet meer wat ik heb gezegd. Is het vrijdag?” Met een hand die onder hoogspanning lijkt te staan, schuift hij de mouw van zijn overhemd omhoog en kijkt op zijn horloge. “Het is nog vroeg”, en bedekt bibberend zijn pols weer. “Het is een hoopvol tijdstip. Er kan nog van alles gebeuren.” Een kleine lach op zijn gezicht. “Toch, King? Straks komt je andere baasje weer op bezoek, hè?” Het diertje duwt zijn snuit in de lucht, alsof hij meneer R. (86) al ruikt.

Gesnapt op diefstal

Na de pastinaak-, peer- en pestobroodjeslunch komt collega H. met een dienblad volgestapeld met soepkommen en rammelende theelepeltjes terug van haar ronde. Ik kijk haar vragend aan.

“Kamer van meneer V...” Met een zucht zet ze het dienblad neer.

“Allemaal?”

“Allemaal. Het is nog maar de helft. En er ligt een enorme verzameling messen in zijn keukenkastjes. Die messen die je bij de Albert Heijn kunt sparen.”

“Wat moet hij daarmee?”

“Het is een beetje triest”, collega H. komt dichter bij me staan. “Meneer V. is hier een keer gebracht door de politie omdat hij hondenvoer had gestolen. Hondenvoer voor King. Het dier is als een kind voor die twee mannen. Hij zei dat ze geen geld hebben voor het speciale dieetvoer dat hij nodig heeft.” Ze kijkt even om zich heen. “Soms speelt verveling of eenzaamheid een rol. Het kan aandachtszoekend gedrag zijn, of voor de kick. Maar vaak zijn verwardheid, dementie of Korsakov de belangrijkste factoren. De politie die meneer V. escorteerde, vertelde dat het aantal 65-plussers dat dit soort grensoverschrijdend gedrag vertoont bijna is verdubbeld, van 2.600 in het jaar 2000 naar 4.900 in de afgelopen twaalf maanden. Ze bedoelen het niet kwaad. Ze weten het vaak niet eens meer.”

Zij weten het voor jou

“Dag kok.”

“U weet het nog!” En ik zeg gedag tegen zijn geliefde meneer R..

“De soep was lekker. Misschien daarom.” Zijn stem is zacht, bescheiden. Hij is geen harde prater. Meneer V. is misschien groot, maar hij neemt weinig ruimte in.

“Ik kwam even vragen of u misschien ook iets wil eten. Er is nog genoeg.” Meneer R. en meneer V. wisselen een blik uit die ik niet helemaal kan thuisbrengen.

“Dank je, maar ik wil liever dat hij goed wordt onderzocht. Er is iets mis. Al die messen, jouw collega heeft ze uit de kast gehaald. Ze is bang dat hij zichzelf iets aandoet. Ik heb geen idee hoe hij eraan komt. Al dat servies, sorry”, verontschuldigend kijkt hij naar meneer V. “Ik weet dat je geen kwaad doet, maar...” en hij richt zich weer tot mij, “straks moet hij de gevangenis in. God weet wat hij nog meer heeft verstopt.” Hij staat op en begint te ijsberen. Meneer V. oogt kalm, speelt met de staart van King, kroelt achter zijn oren. Het lijkt zich allemaal buiten hem af te spelen. Hij is slechts toeschouwer. Meneer R. gaat achter hem staan, pakt zijn schouders en legt zijn hoofd op die van meneer V., sluit zijn ogen, kust hem op zijn hoofd. Hij ademt diep in en dan zegt meneer V.: “Als je wilt dansen, lieve meis, leer de stapjes, vergeet ze weer en wees echt. Het enige wat overblijft als je niets meer weet, ben je zelf. Kijk maar naar mij.”

Ik kijk naar hem, naar meneer R. achter hem, de teckel. Ik kijk naar de stapels messen in de verpakkingen op het aanrecht in de keuken. Ik kijk weer terug en ik denk: er is meer, er blijft meer over als je niets meer weet. Familie, vrienden, dieren. Zij weten het nog wel. Zij weten voor twee. Zij weten het voor jou.

null Beeld

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots. Onlangs publiceerde ze haar debuutroman Soms sneeuwt het in april.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden