Hospice Beeld Getty Images/EyeEm
HospiceBeeld Getty Images/EyeEm

PREMIUMJanneke & het hospice

Janneke & het hospice: “Hij is geen diva. Hij wil gewoon even gezien worden”

Janneke Siebelink

Twee diva’s in het hospice zorgen ervoor dat het personeel aan de nodige stappen komt. Meneer U. kan niet meer van zijn kamer af en mevrouw L. wordt op handen gedragen door haar kinderen.

Zo beginnen de dagen: bewustwording van het ademen, het lichaam voelen, het terugkomen in je bed, de omgevingstemperatuur registreren met je lichaam, ogen openen, de tijd waarnemen, constateren dat het ochtend is, de deken van je afslaan, het leven in schuifelen.

Ze eindigen met een voltooid gevoel, moeheid, de bereidheid af te sluiten, dan de gang naar de badkamer, haren opbinden, oorbellen uit, make-up afhalen, tandenpoetsen, magnesium slikken, de deken om je heenslaan, de schokken, je lichaam overdragen aan de diepte van de nacht. Erop vertrouwend dat er een volgende dag komt.

Waar het leven om gaat

“Op opgevoerde stalen paarden vergeten ze waar het leven om gaat, terwijl ze racen en razen door de straten. Arrogantie van de jeugd, die snelheid. Vroeg of laat worden ze toch wel ingehaald. Al was ik vroeger net zo, hoor. Als je springlevend bent, denk je dat de dood aan jou voorbij zal gaan. Dat hij je niet zal zien.”

Aan het woord is een oververhitte meneer U. (68). Hij ligt in het uiterste puntje van het hospice. Keukencollega H. en de zorg noemen hem “de diva van de P-zijde”, de palliatieve kant. Aan de andere kant, aan de verzorgende kant ligt namelijk mevrouw L. (59), zij wordt door het personeel “de diva van de V-zijde” genoemd.

Ze komen beiden niet van hun kamer af, eten niet in de woonkamer. Meneer U. omdat hij dat simpelweg niet meer kan. De Surinaamse mevrouw L. omdat ze voortdurend bezoek heeft, door haar kinderen op handen wordt gedragen en als een koningin vanuit haar bed over haar mini-imperium regeert in die kamer aan de andere zijde van het hospice. Ze is niet anders gewend dan dat ze krijgt wat ze wil.

Om de haverklap wordt er gebeld, dan vanuit de ene kant van gang, dan vanuit de andere. Als bediendes snellen collega H. en de zorg heen en weer. Glazen ijswater, warme melk, een kruik (“Een kruik? Het is 80 graden, doe je er ijsklontjes in?”, zei ik vanmorgen verbaasd tegen H..). Mevrouw L. stuurt regelmatig eten terug, omdat het te lang duurde voordat het kwam; meneer U. omdat het eten te koud is. Het moet gloeiend heet zijn.

“Hoe dan ook, die gassies hebben over tien jaar geen spieren meer, ze bouwen niets op, ze hoeven niets te doen. Die fietsen doen al het werk.” Meneer U. heft een vuist in de lucht, voelt aan zijn bovenarmen, geeft een tik op zijn benen. “Ik heb ook niks meer, maar ik had ze wel op die leeftijd en nog lang daarna.”

Meneer U. windt zich op over de Van Moofs en Fatbikes die mij in alle eerlijkheid ook steeds meer in de weg zitten in de stad.

“Vertraagzaamheid, dat is waar het aan ontbreekt.”

Hij maakt smakgeluiden met zijn mond. “Ik heb zo’n zin iets zoets.”

Ik laat zo onopvallend mogelijk mijn blik over zijn lichaam gaan en denk aan het woord dat hij zojuist uitsprak. Alleen een laken bedekt zijn magere middel. Lang, grijs haar valt over zijn schonkige schouders. Geplooid gezicht, slaperige ogen.

Crealist

“Waar heeft u zin in? Chocola, koekjes? Ik ben zo terug.” Ik pak de koekjestrommel die bij de thee en koffie staat in de woonkamer, loop gehaast terug. “Kijk, gevulde koeken”, zeg ik trots, alsof ik ze zelf heb gebakken.

Weer smakkende geluiden. De plastic verpakking knispert als hij er zorgvuldig een pakt.

“Neem maar weer mee hoor, anders word ik nog een koekjesmonster.” Hij gniffelt, er vallen kruimels op zijn ingevallen borst. “Ach nee toch.” Hij wappert met het laken. De kruimels verspreiden zich in zijn bed. “Dat maakt het dus alleen maar erger. Maar deze zijn lekker hoor. Weet je ik ook zo graag wil. Autodrop, Oldtimers. Dat heb je soms hè? Een dropje dat je tien jaar niet hebt gegeten en dan ligt je hier en dan heb je ineens trek in dat dropje.” Ik maak een notitie in mijn gedachten. Autodrop, Oldtimers. Niet vergeten.

“Ik ben een crealist.”

Hij kijkt me onderzoekend aan, ik kijk beleefd terug. Ik moet eigenlijk terug naar de keuken, het is bijna half een, lunchtijd.

“Een crealist. Een creatief en realist ineen.” Hij zucht. “Maar wat heb ik eraan hier in dit bed. Hier heb je niets aan welke titel dan ook. Ik lig hier, ik lig hier, ik lig hier maar. Als ik kon zingen, maakte ik er een liedje van. Ik ben aan mezelf overgeleverd in dit bed.” Hij pakt een theelepeltje van zijn nachtkastje, buigt het voorzichtig, ademt in de ronding en hangt het aan zijn neus.

Hij is geen diva, denk ik. Hij is een mens en wil graag aandacht. Hij wil gewoon dat iemand even stilstaat bij hem. Hij wil gewoon even gezien worden.

Op de brug, op weg naar huis, rem ik af, steek mijn hand uit ten teken dat ik naar de stoeprand ga en stap van mijn fiets. Vleiende koosnaampjes als hoer en kutwijf stuiven in sneltreinvaart langs me heen. Ze vervliegen net zo snel als degenen die ze naar me roepen, achteloos, zonder enige notie naar wie of wat ze roepen.

Da-haag, denk ik. Ik hoop dat je een leuk leven hebt.

Ik trek mijn fiets het voetgangerspad op en staar over het water dat schittert in de verdraagzame septemberzon, terwijl achter mij de wereld tiert, raast en iedereen haast met de vanzelfsprekendheid van morgen weer een nieuwe dag, maar vroeg of laat wordt ingehaald.

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots. Onlangs publiceerde ze haar debuutroman Soms sneeuwt het in april.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden