Janneke Beeld Getty Images/EyeEm
JannekeBeeld Getty Images/EyeEm

PREMIUM

Janneke & het hospice: “Hij wil hier niet zijn, maar zijn vrouw kan de zorg voor hem niet meer aan”

Janneke Siebelink

Mevrouw O. is twintig jaar jonger dan haar man die in het hospice ligt. Wanneer Janneke haar tegenkomt, raken ze samen met de zus van haar man in een diepgaand gesprek.

De tuinman

We komen tegelijkertijd aan. Ze rommelt met het kettingslot tussen haar rode fietstassen tot het frame vastzit aan de boom. Nog even schudden of het echt goed vastzit. Ze lijkt een beetje kleiner dan vorige week. Haar haren een beetje grijzer en korter. Stugger ook, alsof ze ze heeft gewassen met haar tranen.

Ze kijkt naar boven. Eerst naar de lucht, die zich uitnodigend in zachte babyblauwe tinten eindeloos uitstrekt boven de wereld. Dan draait ze haar gezicht naar het gebouw dat een schaduw legt over de stoep waarop we beiden staan, richt haar blik naar de vijfde verdieping. Haar schouders zuchten. Ze laat haar ogen vallen, opent een van de fietstassen, pakt haar handtas en een kartonnen doosje waarop staat ‘Vergeet me niet’, versierd met blauwe bloemetjes met een gele kern.

Alles wat groeit

“Gekregen bij de ingang van de supermarkt omdat ik iets gaf aan de collecte voor kinderen die onder de armoedegrens leven”, vertelt mevrouw O. (79) in de lift naar boven als ze ziet dat ik naar het kartonnen doosje kijk in haar hand.

“Wat lief dat u dat hebt gedaan.”

“Het kan altijd erger toch?”

“Hoe bedoelt u?”

“Soms lees ik de krant, kijk ik het nieuws en dan denk ik: het kan altijd erger. Ik zet het bloemetje bij mijn man. Hij houdt van bloemen, van alles wat groeit. Hij was,” ze schudt haar hoofd, “sorry, hij ís tuinman. Hij weet alles, van de wortel tot de top.” Ze houdt het doosje stevig vast, klemt het tegen haar buik.

“Ik maak vandaag soep met madeliefjes en een salade met Oost-Indische kers. Madeliefjes smaken een beetje kruidig en wat zo mooi is: als het regent sluiten de bloemetjes zich, maar drijvend in de warme soep gaan ze weer open.”

“Dat zal hij vast leuk vinden. Hij vindt niet zoveel meer leuk”, zegt ze.

Meneer O. (96) is hier sinds een week. Hij wil naar huis, hij wil hier niet zijn, maar zijn vrouw kan de zorg voor hem niet meer aan, ook al schelen ze bijna 20 jaar. Ik stel me voor hoe ze samen jonger zijn geweest. Blote voeten in het strand, een veer of bloem in het haar gestoken, plagerig rennen en natspatten. Zoenen in de zee. Golven van liefde. En dan drie keer knipperen en ze geeft haar man hapjes aan tafel omdat hij dat niet meer zelf kan. Ook dat is liefde. Dat is juist liefde.

Goede genen

Na de lunch, als haar man terug is naar de kamer, komt mevrouw O. terug in de woonkamer, gearmd met een andere vrouw.

“Ik wil je even voorstellen aan zijn zus.” Ik loop de open keuken uit om de zus een hand te geven. “Ze is volgende week jarig en mijn man, haar broer, die week daarop.”

Voor me staat een vrouw met een vrolijk gezicht. “Machteld, aangenaam.”

“Ze wordt 93”, mevrouw O. knikt naar haar schoonzus. Ik moet mijn verbazing smoren.“Onze moeder werd 100”, zegt ze. “Ze begroef haar eerste man op haar 25ste. Hij stierf aan de Spaanse griep. Ze werden in kruiwagens in graven gedumpt. Ze bleef achter met twee kinderen en ze kreeg geen geld, ze had niets. Ze hertrouwde, maar ook ons pap stierf toen wij nog klein waren. Daarna heeft ze het maar niet meer geprobeerd. Vanaf ons twaalfde moesten we werken. Leren deden we in de avond. En als ik ging spelen in plaats van boodschappen doen, dan kreeg ik de mattenklopper op mijn kont. Maar ik heb geen trauma’s hoor. Het heeft geen slechter mens van me gemaakt. Ik weet dat er geen andere mogelijkheid was. En iedereen was altijd welkom, hoe weinig ze ook had.” Ze knijpt in de arm van haar schoonzusje.

“Ik ben niet zo sterk als jullie moeder.” Ze zakt in elkaar, in de armen van haar schoonzus. “Hij zei nog: oude bomen moet je niet verplanten. Ik voel me zo schuldig.”

“Hier is het goed, echt, je doet wat je moet doen.”

“We hebben geen kinderen”, snikt ze. “Hadden we maar kinderen. Dan konden we de zorg delen. Dan kon hij thuisblijven. Ik had graag kinderen gewild. Maar hij wilde niet. Bang dat hij ook vroeg zou sterven, zoals jullie vader. Dat de jeugd zijn leven af zou pakken. Voor hem was dat onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hij heeft zich zijn hele leven verantwoordelijk gevoeld voor zijn dood.”

De schoonzus geeft mevrouw O. een kus op haar wang. Klein en snel. Lief en teder. Toe maar, zegt ze met de kus, je doet het juiste. Machteld: “Al denkt je hart van niet, je man is hier nu thuis. Hij zal zich verzoenen en als hij het niet doet, dan is dat niet jouw schuld. Wees er voor hem, maar verzoen je lieve Olga, ook dat is liefde. Alleen dan kun je er echt voor de ander zijn.” En drukt haar schoonzus tegen zich aan, zoals mevrouw O. de vergeet-me-nietjes innig tegen zich aanhield.

null Beeld

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots. Onlangs publiceerde ze haar debuutroman Soms sneeuwt het in april.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden