Hospice Beeld Getty Images/EyeEm
HospiceBeeld Getty Images/EyeEm

PREMIUM

Janneke & het hospice: “IJs als ontbijt, champagne als lunch: meneer V. mag alles, want zijn tijd is op”

Janneke Siebelink

Leef je anders als je weet dat er nog een dag is? Janneke denkt terug aan een reis van vroeger en vraagt het aan meneer V. (76), wiens einde nabij is.

Vijf levens geleden was ik met mijn lief en twee vrienden op reis, onze levens in een rugtas. Knap benauwd was het, ja, maar ons gloeien won het van de hitte. Als vlinders boven de Killing Fields. Vanuit het noorden van Vietnam reisden we in 24 uur via Cambodja in zeven verschillende voertuigen – trein, truck, brommer, bus, speedboot, riksja, veerpont – naar de laatste plek van onze reis. Hutje op het strand, hangmat en voeten in de Thaise zee. Onbezorgd gemoed en met gebruinde, rimpel- en zorgeloze gezichten lachend onder palmen.

Leven cadeau

Niet de eindbestemming, maar de reis als doel. Mailtjes sturen in bloedhete internetcafés. Post restante. Collect bellen met thuis. Rijst met krab als ontbijt, lunch en avondeten. Pornbuckets in de avond – een vrolijk emmertje gevuld met een cocktail van wodka, Red Bull, Passoa, limoensap, heel veel ijsklontjes en vier rietjes – gaven de nodige calorieën in de No Name Bar waar we de vijf avonden dat we op het eiland mochten zijn, vaste klant waren. We hadden nog één nacht. Dachten we. We hadden het uitgerekend, nagerekend. We hadden het verkeerd berekend, de drie bèta’s in het gezelschap ten spijt. We hadden een dag extra. Het was alsof we leven cadeau kregen. En wat hebben we dat leven als eendagsvliegen geleefd.

We gingen het eiland rond achter een boot, we speelden nog zeker tien potjes klaverjas, we aten ons vol aan krab met rijst, slurpten aan de rietjes tot het weer licht werd. We dansten. We waren uitzinnig van zo veel extra tijd binnen de beperkte tijd die ons nog restte. We kónden uitzinnig zijn, omdat we wisten dat er daarna nog een dag zou komen. En nog een. En nog een…. Leef je je dag dan anders?

De kleine prins

Ik vraag het meneer V. (76, schedelbasisfractuur) aan de rand van zijn bed. In zijn kamer is het tropisch heet. Al is het nog geen 12.00 uur en heeft de zon haar hoogste en meest vlammende moment nog niet bereikt én ligt zijn kamer aan de schaduwzijde van het hospice. Ik vraag het hem omdat hij net vertelde over de vele reizen die hij heeft gemaakt met zijn geliefde meneer R. (86).

‘It is the time you have wasted for your rose that makes your rose so important’”, reageert hij. “Het is een quote van Antoine de Saint-Exupéry, de schrijver van De kleine prins, Le petit prince. Ken je het boek?” Ik glimlach. “Het boekje staat binnen handbereik op mijn bureau. Het is prachtig, uniek.”

“En het zegt precies wat waar is”, vult meneer V. aan. “Ik weet niet veel, maar dit verhaal heeft me er meerder malen van behoed me van het leven te beroven. Wat heb je gemaakt voor lunch? Hoe laat gaan we aan tafel?”

“12.30 uur, zoals altijd, hè King?” Ik knipoog naar zijn teckel. “En ik heb bloemkoolsamosa’s en rode-linzensoep gemaakt. Turkse soep, de meest geliefde soep in Turkije, een beetje zoals Hollandse tomatensoep.” Meneer V. kijkt me ondanks zijn bereisde leven een beetje ongelukkig aan. “Stel ik u teleur?” Ik krijg het nog warmer dan ik het al heb in deze broeikas, staat de thermostaat wel goed?

“Nee, nee, zeker niet. Het herinnert me alleen aan tijden die voorbij zijn. Das war einmal. Ik mis die broeierige tijden. Die tijden van tijdloosheid. Losbandigheid. Niet zozeer ten opzichte van de liefde, ik ben best trouw, maar ten opzichte van de tijd.” Ik sta op en loop naar de uiterste muur van zijn kamer. “Ik luister, maar ik wil heel even iets checken.”

Verdoofd zijn

“Laten staan hoor, de warmte maakt me slaperig.” Ik draai me om en hou mijn hoofd schuin. “Wat bedoelt u?”

“Ik wil verdoofd zijn. Ik weet niet meer wat ik doe. Mijn hoofd is niet meer van mij. Wat doet de tijd er dan nog toe? Heb je mijn man nog gezien? Nee toch? Hij komt ook niet meer. Ik heb de vorige keer een bord op zijn hoofd kapotgeslagen. Hij stuurt foto’s om me eraan te herinneren. Ik vergeet het steeds weer. En dan krijg ik weer een bericht en zie ik hem. Boos word ik. Ik zeg: ‘Wie heeft dat gedaan! Ik sla hem kapot!’ En dan schrijft hij terug: ‘Jij’. Dus wil je de thermostaat alsjeblieft op 32 laten staan? Ik wil graag op de kamer eten, als dat mag.”

Meneer V. heeft een ‘P’ achter zijn naam, van palliatief. Hij mag alles wat hij wil. Hij mag de klok terugzetten. Hij mag ijs als ontbijt. Hij mag champagne als lunch. Want zijn tijd is op.

Alle tijd

Tijd duurt soms een slinger aan een klok. Soms is tijd timide, op de achtergrond, wakend. Tijd duurt soms oneindig en ontroostbaar lang wanneer je klein bent en je knie gestoten hebt. Tijd duurt soms een reis. Soms duurt tijd een vertraagde wandeling op een marktje ver van thuis, of een zoen. En je denkt: ik heb alle tijd. Waarom is alleen de tijd van vakantie dat we onze deze vrijheid, vrij van tijd, permitteren? Tijd duurt soms een gerecht, een gesprek, soms een ogenblik, soms een dag. Soms duurt tijd een liefde. Tijd duurt altijd het eigen leven.

Daarna doet tijd er niet meer toe.

null Beeld

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots. Onlangs publiceerde ze haar debuutroman Soms sneeuwt het in april.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden