Janneke Beeld Getty Images/EyeEm
JannekeBeeld Getty Images/EyeEm

PREMIUM

Janneke & het hospice: “Ik kan niets voor dit magere meisje betekenen, behalve haar mond afvegen”

Meisje P. kan niet praten en het is lastig te vertellen wat ze wil, maar meneer V. lijkt haar te begrijpen.

Janneke SiebelinkGetty Images/EyeEm

Haar ogen wijd open

Meisje P. (25) zit in de woonkamer voor het enorme televisiescherm. Ze kermt, stoot af en toe hoge klanken uit. Ik voel me volstrekt machteloos en nutteloos. Ik kan niets voor dit magere meisje betekenen, behalve haar mond afvegen en proberen haar zonder medelijden aan te kijken. Want dat wil niemand. Niemand wil zielig zijn, niemand wil een slachtoffer zijn. Ik heb geen idee hoe ik met haar kan communiceren, hoe ik kan weten wat ze wil. Ze zit vlak bij het raam en trekt aan de vitrage.

“Wil je dat ik het raam opendoe, wil je frisse lucht?” Onrustige, ongecontroleerde armgebaren, de vitrage zit nu om haar arm gewikkeld. Ze is zo fragiel dat ik bang ben dat ze breekt als ik haar aanraak.

“Ik haal iemand van de zorg”, ik probeer haar gerust te stellen door op haar schouder te kloppen die alleen nog maar uit huid en bot bestaat, geen grammetje vet. Zie ik paniek in haar ogen? Of is het die ellendige, weerzinwekkende spierziekte die haar ogen wijd openzet, angstig, alsof ze voortdurend wordt aangevallen.

De hele fanfare

“Je kunt niets voor haar doen. Als ze geluid maakt, wil ze aandacht. Maar we kunnen dat niet voortdurend geven. Ze wil graag in de woonkamer televisiekijken omdat ze dat gezelliger vindt dan alleen op haar kamer.” Ik knik begrijpend en loop terug naar de woonkamer. Op het scherm zie ik jongeren zwemmen in de zee, feestvieren op het strand. Wat moet er door haar heengaan als ze dit ziet? Denkt ze aan hoe het was? Hoe zij ook zo het leven heeft gevierd, gedanst zonder zorgen, er altijd van uitgaande dat er weer een nieuwe dag zou zijn? Het is het seizoen van de festivals, de bandjes om polsen, bier uit plastic glazen, modder op blote benen. Ik zou het haar willen vragen, van welke muziek ze houdt, of ze naar concerten ging, de film?

“Nou, de hele fanfare is dus langsgekomen.” De stem van meneer V. (76) haalt me uit mijn gedachten. “Het hoofd van de GGZ is persoonlijk langsgekomen om de situatie te bespreken.” Hij parkeert zijn scootmobiel naast de rolstoel van het meisje voor de televisie. Ze kijkt naar de teckel en wappert met haar hand.

“Hij doet niks hoor, mocht je daar bang voor zijn”, meneer V. zet zijn woorden kracht bij door zijn hand in de mond van King te stoppen. “Kijk”, demonstreert hij, “hij bijt niet eens door. Soms vraag me weleens af of het een echte hond is.” Het lijkt alsof de mondhoeken van het meisje omhooggaan en alsof haar ogen meelachen. Ze ontspant, vouwt haar armen op haar buik.

“Jij bent de kok toch?”

“Wat goed dat u dat nog weet”, zeg ik verheugd. Blij dat hij me na een week nog herkent.

“Ik zie het aan je schort. Dat dragen de koks.” Natuurlijk weet hij niet meer wie ik ben. Zijn schedelbasisfractuur laat zijn kortetermijngeheugen keer op keer vervagen.

“Hoe gaat het met de messen?” prikkel ik, in de hoop dat er iets begint te dagen.

“Ze zijn geslepen, scherp dat ze zijn, hartstikke nieuw!” Geen blik van herkenning, behalve dan aan de geroofde goederen. “Wil je er een hebben? Ik heb er genoeg. Moet je me wel een stuiver geven. Dat weet je hè”, zijn ogen vlammen van vervoering. “Je moet me een cent, een stuiver of een andere munt geven, want je mag een mes nooit cadeau doen. Je moet hem van me kopen. Het harde metaal van de munt zorgt ervoor dat onze band niet doorgesneden kan worden. Bijgeloof. Ik houd ervan.” Ik vraag maar niet naar de fanfare, ik denk dat hij het alweer is vergeten.

Schouwspel

“Kok? Hallo? Kan iemand komen?” Meneer V. zijn stem waaiert door de ruimte. “Hallo?”

“Ik kom eraan”, roep ik vanuit de keuken met zekere opluchting, dat ik mogelijk van een zekere betekenis kan zijn. “Ik ben er.”

“Kijk, het meiske zit helemaal in de vitrage. De stof is helemaal om haar heen gewikkeld.” Het beeld van de rups in de cocon flitst aan me voorbij. “Ze wil de zonneschermen naar beneden hebben. Het licht is te fel, ze kan de beelden niet goed zien.” Ik kijk naar het meisje, in de hoop op een vorm van bevestiging, maar ze kijkt me alleen maar aan met haar ogen die als dropmunten in haar gezicht liggen.

Buiten dansen meisjes en jongens alsof er altijd een morgen zal zijn. Hierbinnen kijken meneer V. zonder geheugen en het meisje zonder stem samen in een verduisterde kamer naar een romantische scène op de tv. Hij begrijpt haar, kan haar verstaan zonder woorden. Deze scène hadden ze een paar jaar geleden niet bedacht.

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots. Onlangs publiceerde ze haar debuutroman Soms sneeuwt het in april.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden