Janneke & het hospice: “Mevrouw Q. verslikt zich tijdens de Paaslunch. Haar lichaam golft” Beeld Getty Images/iStockphoto
Janneke & het hospice: “Mevrouw Q. verslikt zich tijdens de Paaslunch. Haar lichaam golft”Beeld Getty Images/iStockphoto

PREMIUM

Janneke & het hospice: “Mevrouw Q. verslikt zich tijdens de paaslunch. Haar lichaam golft”

Ook in het hospice wordt Pasen gevierd. In de oude kamer van mevrouw A. ligt nu mevrouw Q. Terwijl ze aan tafel zitten verslikt ze zich.

Janneke SiebelinkGetty Images/iStockphoto

De paastafel is gedekt met fleurige kleden, vierkantjes van nepgras waar felgele, plastic kuikentjes in omhoog piepen en vazen met hoge takken waaraan eitjes met gele linten hangen. Er staan draaiplateaus met broodjes rosbief, zalm, gevulde eitjes, quiche met geitenkaas en groene asperges, tortillarolletjes met humus en rucola. Servetten gevouwen als paashaasjes en glaasjes sinaasappelsap bij de borden. We delen Sunshinesoep uit - gemaakt van wortel, pompoen, gember, citroen, tijm en kokosmelk - in lage, glazen coupes van gegolfd glas die op een ander moment kunnen worden gebruikt om champagne uit te drinken of garnalencocktails in te serveren met kerst. Mevrouw T. (89) wiegt heen en weer in het door de zonwering gedempte lentelicht, terwijl ze zachtjes een psalm humt. Soms komt er een woordje mee.

Geeft niks

Aan het hoofd zit mevrouw Y. (55), de mevrouw met smetvrees. Naast haar zit mevrouw T. en daartegenover heeft mevrouw Q. (81) plaatsgenomen. Meneer V. (76) is ook aan tafel gekomen, teckel King blijft op de kamer, net als mevrouw K. (60). Meneer L. (73) zit met zijn rolstoel aan het andere hoofd van de tafel, knikt tevreden als hij een glaasje soep krijgt. Ik laat achterwege dat er pompoen in. Al schaamt hij zich voor zijn land, als geboren Amerikaan eet hij geen soep met pompoen: “Dat hoort niet in soep, ik eet alleen pumpkin pie.”

Mevrouw Q. is sinds afgelopen week nieuw in het hospice, ze heeft de kamer van mevrouw A. overgenomen – al weet ze dat niet. Ze weet niets van de slingers, van de ansichtkaarten. Niemand die hier binnenkomt heeft weet van de levens die hem of haar zijn voorgegaan binnen deze muren. Alleen het gedenkboek midden in de gang herinnert aan de eerdere bewoners.

Onrustig schuifelt ze met haar voeten onder de tafel. Haar korte haar zit alsof ze net naar de kapper is geweest, ze heeft lippenstift op en subtiele, groene oogschaduw. “Paasbest”, zegt mevrouw T. als ze naar haar overbuurvrouw kijkt. Mevrouw Q. knikt bescheiden. Mevrouw vouwt haar handen tot een toeter, zet deze aan haar mond. “Paasbest!” roept ze over de tafel. “Ik denk dat ze u wel verstaat hoor”, zegt mevrouw Y. “Ze praat alleen niet zoveel.” Mevrouw Q. schudt haar hoofd en begint te kuchen. Ze schokschoudert. “Ze verslikt zich!” roept mevrouw T. “Zuster!” Mevrouw Q. zit met haar rug naar de keuken, ik zie niet wat er nu precies gebeurt, maar iets begint te lekken onder haar stoel. Haar lichaam golft. Vanuit de gang komt de zorg aangesneld. Ik leg theedoeken op de grond, terwijl mevrouw Q. een grijs kartonnen bakje onder haar kin houdt. Aan tafel staart iedereen roerloos naar zijn bord. Mevrouw T. legt haar bestek overdwars op haar bord. “Geeft niks hoor”, sust ze, “geeft toch niks. Dat kan de beste overkomen.” En schuift haar stoel een beetje opzij.

Een leven in lijstjes

“Ik moet me eraan overgeven, zeggen ze. Het afbrokkelen van het lichaam, het onverbiddelijke verval... dat is een gegeven, dat vind ik niet eens zo erg. Dat is vrijwel onvermijdelijk. Ik heb genoeg leuke dingen kunnen doen. Het is de afhankelijkheid van anderen...”, mevrouw Q. stopt even om op adem te komen. Ik wrijf zacht over haar rug. Ze heeft nieuwe kleren aangetrokken op haar kamer en zit op de rand van het bed. Ze houdt haar hoofd gebogen, zit heel stil. Alles in haar is erop gericht haar energie te laten terugvloeien in haar lichaam. Even denk ik dat ze gaat huilen, maar dan kijkt ze me weer aan met haar zachte reebruine ogen, die vroeger intens donker moeten zijn geweest, getuige de foto’s van haar en haar man naast haar bed. “Hulpbehoevend. Je kunt het je niet bedenken als je alles nog kunt. Je raakt je vrijheid kwijt – zo voelt het.” Met zichtbare moeite legt ze haar benen op het kussen dat op haar bed onder de dekens ligt, voor een beetje steun. “Het is gewoon kut.” Ze glimlacht en ik grinnik. De keuze van het woord correspondeert niet met haar verzorgde uiterlijk, haar beschaafde handelingen. “Ja”, beaam ik en pak haar hand, kijk nog eens naar haar nachtkastje, naar de foto’s van schommelende kinderen in een weelderige tuin, trouwfoto’s, zwartwitfoto’s. Een heel leven in lijstjes. Ik hou haar hand vast tot ze in slaap valt.

“U bent niet alleen, mevrouw Q.” fluister ik. “En weet u... uiteindelijk zijn we allemaal afhankelijk van elkaar. We kunnen niet zonder de ander bestaan.” Ik laat haar los, kijk nog een keer naar de foto’s en stap de wereld weer in, de stad die in bloei staat. De stad die op zíjn beurt afhankelijk is van ons. Ik kijk naar boven, naar de vijfde verdieping van het gebouw waarin het hospice gevestigd is. Wij, de mensen, onze verbondenheid, wij zijn het weefsel dat het cement tot leven brengt.

Afhankelijkheid is geen zwakte. Het vraagt alleen een beetje vertrouwen. En een beetje overgave.

null Beeld

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots. Onlangs publiceerde ze haar debuutroman Soms sneeuwt het in april.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden