PREMIUMInterview

Arthur Japin: “Ik ben gemakkelijk te verleiden”

null Beeld Petronellanitta
Beeld Petronellanitta

‘Wat stilte wil’ is de twaalfde roman van Arthur Japin (66) en het allereerste boek dat we lezen met de Libelle Leesclub. Ook al doet Arthur Japin nog zo veel andere dingen, er zitten alweer twee nieuwe boeken in zijn hoofd. “Met schrijven kan ik vertellen wat mij raakt.”

Astrid TeunissenPetronellanitta

Belangstellend bekijkt Arthur Japin de vertrekken van Hotel Beijers, dat zetelt in een zeventiende-eeuws stadspaleis achter de Domtoren in zijn woonplaats Utrecht. In de gewelfde kelder vertelt de schrijver over zijn liefde voor decors als deze, plekken waarin hij zichzelf kan afsluiten van de realiteit en kan wegdromen. Het is een behoefte die voortkomt uit een onveilige jeugd, zal hij later verklaren.
Zijn romans spelen zich ook steevast af in historische settings. Japins debuut De zwarte met het witte hart, over twee jonge Afrikaanse prinsjes die werden geschonken aan koning Willem I, speelt halverwege de negentiende eeuw. De onlangs verschenen roman Wat stilte wil is gesitueerd in het decor van een regentenfamilie aan het einde van de negentiende eeuw. Het is een tijd waarin het voor een geprivilegieerd meisje als Anna Witsen onmogelijk is om zangeres te worden, iets wat ze het allerliefst wil. Haar door Japin opgetekende tragische en vergeefse zoektocht naar geluk staat al maanden in de Fictie Top 10.

Voelt een bestsellerschrijver als jij zich hierdoor nog vereerd?

“Natuurlijk! Enthousiaste lezers zijn leuker dan goede recensies. In de eerste week dat Wat stilte wil werd gepubliceerd, is het boek heel vaak besteld. Er zijn dus mensen die echt op een nieuw boek van mij zitten te wachten. Dat vind ik een enorme beloning.”

Jouw roman is geïnspireerd op het waargebeurde verhaal van zangeres Anna Witsen. Wat trof jou zo in haar geschiedenis?

“Dat ze niet mocht zijn wie ze wilde zijn. Anna kwam uit een burgemeestersfamilie, die muziek hoog in het vaandel had. Haar vader financierde onder meer het toenmalig Amsterdamsch Conservatorium. Maar zijn dochter, die daar vanwege haar zangtalent was aangenomen, mocht die opleiding niet volgen – optreden was een schande voor een meisje uit zo’n milieu. Eenlingen die moeten vechten om hun leven vorm te geven, fascineren me. Ik ben er natuurlijk zelf een geweest.”

null Beeld

Met Anna liep het niet best af. Ze verdronk zichzelf in de vijver op het familielandgoed Ewijkshoeve.

“Dat was haar ontsnapping. Ze dacht: als ik niet mag zingen, kies ik mijn vrijheid op deze manier. Ik begrijp haar. Leven is nu eenmaal niet voor iedereen het beste. Mijn vader pleegde net voor mijn dertiende verjaardag zelfmoord. Ik neem hem dat niet kwalijk.”

Omdat je vader dronk en dan je moeder sloeg?

“Hij raakte in de war. Ik sliep bij mijn moeder en dan barricadeerden we de deur. Als hij met een kwade dronk thuiskwam, probeerde hij die soms in te beuken.”

Zelf werd je vernederd en mishandeld op school.

“Het een was het gevolg van het ander. Ik ben enig kind en vanwege het slechte huwelijk van mijn ouders kwamen er nooit andere kinderen bij ons over de vloer. Op mijn zesde moest ik naar school en kwam ik opeens in een groep terecht. Ik wist niet hoe ik daarmee moest omgaan. Ik had mezelf aangeleerd om me stil te houden en de groep voelde feilloos aan dat ik kwetsbaar was. Maar nu zit ik hier toch weer over mijn nare jeugd te vertellen...”

Wat was wel prettig, vroeger? Had je een fijne band met je moeder?

“Absoluut. Mijn moeder en ik hadden een symbiotische relatie. Thuis was het sowieso veiliger dan op school. En wat ook leuk was: mijn vader schreef toneelrecensies, waardoor ik al jong in het theater kwam. Op het toneel zag ik mensen die ook problemen hadden, maar die ellende was in een mooie vorm gegoten. Theater werd de reddingslijn, mijn alternatieve werkelijkheid. Nog steeds heb ik een wereld buiten de werkelijkheid nodig om goed te functioneren. Ik ben nergens blijer dan in het Londense theaterdistrict West End of op Broadway in New York. Het maakt me niet eens zo veel uit of ik een goed of slecht toneelstuk zie. Ik vind het gewoon heerlijk om weg te zijn uit het alledaagse.”

Je ging zelf een theateropleiding volgen en acteren.

“Het leek me fijn om iemand anders te kunnen zijn. Ik heb leuke, gekke dingen gedaan op het toneel, maar ik voelde me niet thuis in die wereld. Ik kon mezelf niet zijn.”

Je debuteerde pas op je veertigste als schrijver.

“Ik werd op mijn twaalfde tweede bij een landelijke opstelwedstrijd, maar ik wilde absoluut geen schrijver worden. Ik zag mijn schrijvende vader ongelukkig zijn en ook bevriende schrijvers oogden ontevreden en miskend. Pas toen ik het verhaal hoorde over de Afrikaanse prinsjes Kwasi en Kwame, die in 1837 aan de Hollandse koning Willem I werden geschonken, móest ik dat verhaal schrijven. Ik herkende mezelf in die twee jongens, van wie de een zich aanpaste aan de nieuwe situatie en de ander niet. Op school stond ik elke dag voor de keuze: pas ik me aan of niet?”

null Beeld

Het geweld dat jij te verduren kreeg, verwerkte je in De zwarte met het witte hart. Schreef je destijds de boosheid van je af?

“Op mijn achttiende heb ik me voorgenomen niet boos te zijn. Woede is een heerlijk houvast, maar ik wist dat als ik kwaad zou blijven over de mishandelingen de pesters hun zin zouden hebben, en dat gunde ik ze niet. Het beste wat ik kon doen, was me verplaatsen in hun wereld. Waarom deden ze wat ze deden? Misschien waren zij onzeker, omdat het bij hen thuis ook een ravage was. Of dat zo was, doet er niet eens toe, maar zo begreep ik het.”

Een mogelijk scenario bedenken hielp je?

“Daardoor kon ik het loslaten. En door het schrijven heb ik een manier gevonden om mezelf te laten zien en anderen te raken. Ik lok lezers via mijn boeken een leven binnen waarin het altijd gaat over mensen die niet zichzelf mogen zijn. Daarmee vraag ik mijn lezers: bedenk eens hoe het is om altijd bekeken of uitgelachen te worden. Wie dat eenmaal heeft gevoeld, zal zelf nooit meer de fout maken een ander buiten te sluiten.”

Maar je bent nooit boos?

“Nee. Overkomt mij iets naars, dan kan ik verdrietig worden of bang, maar nooit boos. Ik probeer ook nooit te oordelen, maar altijd een reden te bedenken waarom mensen dingen doen.”

Bewonderenswaardig. Dat is bijna onmenselijk knap.

“Het is zeker niet altijd makkelijk. Maar je kunt nu eenmaal niet oordelen over een leven dat je niet zelf hebt geleefd. Ik heb mijn moeder gevraagd wanneer mijn vader haar begon te slaan. ‘Toen jij werd geboren’, vertelde ze. Dat is niet wat je wil horen, maar ik begreep mijn vader wel beter toen ik het achterliggende verhaal hoorde.”

null Beeld

Wat was dat?

“Mijn ouders waren jong, ze wilden wat van de wereld zien en woonden net in Rome toen mijn moeder zwanger raakte. Ze gingen terug naar Nederland omdat mijn vader op zoek moest naar een baan. Dat vrije leven dat hij had willen leiden ging niet door vanwege mij.”

Jouw moeder was een soort Anna, schrijf je in het boek. Zij mocht niet studeren, zoals haar broers.

“Er was niet genoeg geld om iedereen te laten studeren. De meisjes moesten meehelpen in het huishouden, want ze waren thuis met elf kinderen.”

Wat ambieerde ze?

“Weet ik niet precies, maar ze was enorm leergierig. Toen mijn vader Nederlands ging studeren, studeerde zij thuis mee. Toen ik op het gymnasium zat, leerde zij Latijn en Grieks om mij te kunnen overhoren. Mijn moeder was ook creatief. Ze speelde harmonica, tekende en schreef. Na haar dood vond ik een schriftje met krantenknipsels uit de Zeister Courant waarin haar teksten waren gepubliceerd.”

null Beeld

Maar ze heeft nooit een baan gehad?

“Na mijn vaders dood moest ze werken. Bij gebrek aan een diploma werd ze secretaresse bij de vakbond AbvaKabo. Haar salaris ging vooral op aan onze reisjes naar Londen om daar alle theatervoorstellingen te zien. Theaters bezoeken was ons geluk. Samen zongen en dansten we de musicals na. Helaas heeft mijn moeder nooit een boek van mij kunnen lezen. Ze stierf voordat het eerste verscheen.”

Zou je buiten het schrijven kunnen?

“Ik zeg van wel, maar ik heb nu alweer twee nieuwe boeken in mijn hoofd, dus ik weet het niet zeker. Ik hoop het, want er zijn zo veel dingen die ik leuk vind om te doen. Ik zou graag liedjes componeren. Ik zing en speel wel op onze vleugel, maar nu heb ik zo’n ingenieus digitaal instrumentarium gekocht, dat alle instrumenten in zich heeft, hele orkesten.”

Geestig.

“Ik doe veel gekke dingen om te bewijzen dat ik niet zo’n ongelukkige schrijver ben geworden als mijn vader en zijn vrienden. Als het aan mij had gelegen, had ik meegedaan aan het tv-programma Maestro en Sterren dansen, maar dat mocht ik niet van Lex en Benjamin. Zij waren bang dat het te veel zenuwen zou geven. Toch staan in Mijn verzonnen familie de gekste foto’s: met Claudia de Breij zong ik een songfestivalmedley, met Mika en Paul de Leeuw The Sound of Music. Dat onverwachte voedt me. Vorige week heb ik een virtual reality-bril gekocht. Weer een alternatief voor een andere wereld.”

null Beeld

Waar was je?

“Ik voer in een kano door Antarctica, terwijl om me heen de pinguïns zwommen. Geweldig! Ik ben gemakkelijk te verleiden.”

Ben je ook van het dansen en de feestjes?

“Dansen doe ik thuis. Ik ga zelden naar feestjes. Als je opgroeit in een onveilig gezin ben je de hele dag bezig met het inschatten van situaties en het lezen van mensen. Ik weet altijd wat er achter andermans ogen gebeurt. Op een feest zit ik vooral in andermans hoofd. Vervolgens ben ik een hele nacht bezig om al hun energie weer kwijt te raken. Alles tolt, alsof ik te veel heb gedronken. Ben noemt dat an introvert’s hangover.”

Een introverte kater, wat een mooie uitdrukking.

“Ja, goed hè? Voor mij dus geen feestjes en cafés. Ik word blij van ons hondje Basso, van zijn vrolijke gekwispel zodra ik wakker word en van de stilte in de natuur. Ik had nog wel willen schilderen en leren beeldhouwen, maar dat gaat niet vanwege een versleten duim.”

Meer Arthur Japin

Arthur Japin (66) debuteerde op zijn veertigste als schrijver. Hij is bekend van boeken als De zwarte met het witte hart en Een schitterend gebrek, waarvoor hij in 2004 de Libris Literatuur Prijs won. Arthur Japin woont in Utrecht met Lex Jansen (ook zijn uitgever), die hij al kent sinds 1977, en de Amerikaanse schrijver Benjamin Moser.

Vind je het moeilijk, ouder worden?

“Nee, heerlijk! Ouderdom is een beloning. Voor geen goud zou ik mijn jonge jaren overdoen. Ik kijk vooruit en pas me aan de veranderingen aan. Dat kan ik goed. Vraag me dat nog eens als ik in een rolstoel zit!”

Je hebt in elk geval twee geliefden die jouw rolstoel kunnen duwen.

“Ha ja, ik weet niet of Lex daar dan nog toe in staat is, hij is drie jaar ouder dan ik. Benjamin misschien. Toen ik hem, twintig jaar jonger, in 2000 in New York ontmoette, zei ik: ‘Weet waar je aan begint.’ Hij zei toen al: ‘Ik zal straks je rolstoel duwen.’ Gelukkig zijn tot nu toe alleen mijn duimen versleten.”

Libelle Leesclub

Met de Libelle Leesclub lezen we deze maand Wat stilte wil, van Arthur Japin. Praat mee op libelle.nl/leesclub.

Styling: Inge Holkenborg | Haar en make-up: Astrid Timmer. | M.m.v. Hotel Beijers (locatie), Van Gils (blazer), Ted Baker (overhemd), WE (jeans), Sacha (schoenen), Sissy-Boy (chino), privébezit (blazer)

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden