Alexander en Kai hielden hun relatie lang geheim. Beeld Petronellanitta
Alexander en Kai hielden hun relatie lang geheim.Beeld Petronellanitta

PREMIUM

Alexander en Kai hielden hun relatie lang geheim: “Liefde is niet zondig, nooit”

Alexander Noordijk en zijn man Kai Yung zijn gelovig. Heel lang betekende dat voor hen dat ze niet zichzelf konden en mochten zijn. “Iemand plakte zelfs een vuurwerkbom tegen ons raam.”

Lisanne van SadelhoffPetronellanitta

Alexander Noordijk ijsbeert door de woonkamer met zijn iPhone tegen zijn oor. “Ja, nee, ja, klopt, ik weet niet wie het hebben gedaan”, zegt hij tegen de beller aan de andere kant van de lijn. “Komt goed, we ­houden ­contact”, klinkt het, en hij hangt op. “Dat was iemand van de kerk”, legt hij uit terwijl hij op de bank van hun ruime woon­kamer neerploft. Zijn man Kai Yung maakt thee en zet een schaaltje koekjes op tafel. “Ze hebben de regenboog­vlag in brand gestoken.” Die vlag hadden Alexander en Kai juist voor een speciale ‘paarse’ viering opgehangen in de kerk in Monnickendam, waar Alexander sinds begin 2021 ­dominee is. Het stel is er vrij gelaten onder, of zeg maar gerust: een beetje stoïcijns. Tuurlijk, een vlag verbranden is heftig. Het is een statement, en niet op een ­sympathieke manier. Maar de homohaat die erachter zit, is ook wel een beetje de story of their lives. “We zijn nu eind veertig en kennen dit ruim twintig jaar”, zegt Kai. “We kunnen ons er niet meer door laten raken. Dan ­hebben we geen leven meer.”

Zogenaamd ‘hartstikke hetero’

Alexander en Kai leerden elkaar als twintigers kennen, maar hielden dat lang geheim voor hun familieleden en vrienden, omdat hun liefde als een zonde werd gezien. “Verliefd zijn op een man ís natuurlijk ook een defect”, zegt Alexander – vette knipoog. Dan, serieus: “Het is ­bizar, maar als het je zo lang wordt wijsgemaakt, ga je het geloven.” Kai: “Mij werd verteld tijdens conversie­therapie – dat is een therapie om zogenaamd van ­homoseksualiteit te ‘genezen’ – dat er bij mijn moeder tijdens de zwangerschap waarschijnlijk iets verkeerd was ­gegaan. Dat kon één van de redenen zijn dat ik homo­seksueel was geworden.” Kai kwam op 9-jarige leeftijd met zijn ouders uit Hong Kong naar Nederland en belandde in Amsterdam. Zijn familie leeft volgens de boeddhistische tradities, maar niet heel strikt. Het geloof speelde van huis uit geen grote rol; Kai besloot het zelf op te zoeken. Hij sloot zich als tiener aan bij de Evangelische kerk in Amsterdam. “Ik voelde me een vreemde eend in de bijt als Chinees migrantenkind, sprak de taal slecht, had weinig vrienden en vond ook geen aansluiting op school. Bij de kerk voelde ik me welkom. Hè, hè, dacht ik, ik hoor ergens bij.” In diezelfde tijd groeide Alexander op in de vrij gereformeerde Hoeksche Waard, het staartje van de Biblebelt, waar hij met zijn ouders woonde en deed alsof hij ‘hartstikke hetero’ was. Over homoseksualiteit werd wel gesproken. Niet openlijk, maar tussen de regels door. Oordelend. “Ik heb het weleens aan iemand verteld, een vriend van de kerk, die me daarna niet meer aankeek. En ik kan me ook nog herinneren dat er op een gegeven moment, na een viering, iemand van de kerk naar me toe kwam en zei: ‘Ik denk dat er een zonde in jou zit.’”

Bevrijdingsgebeden

Als kind al wist Alexander wat hij wilde worden. Geen brandweerman, dokter of Superman, maar predikant. Hij ging theologie studeren, sloeg geen zondagdienst over, en worstelde in het geniep met zijn geaardheid. “Ik voelde wel dat ik op mannen viel en was er zelf ook van overtuigd dat ik ziek was. Het moest weg.” Toen hij ouder werd, en zijn leeftijdsgenoten heteroseksuele relaties kregen en trouwden, kwamen er bij Alexander mensen over de vloer: kerkoudsten. Ze hadden aan Alexander gevraagd of hij homoseksueel was. Hij had dat bevestigd. Toen waren ze ervan overtuigd dat ze een openbaring van God hadden gekregen: hij zou kunnen genezen. En dus prevelden de ­kerkoudsten zogenoemde bevrijdingsgebeden in Alexanders woonkamer. “Als ik het nu zo vertel, klinkt het krankzinnig. Maar ze deden dat in een tongentaal: allemaal onverstaanbare klanken, alsof ik me in de wereld van Harry Potter begaf. Ze zeiden tegen me dat ik opnieuw ‘­geboren’ moest worden, en dat ik dan hetero zou zijn. Ik kan er nu om lachen, want ondertussen voelde ik aan alles: jullie kunnen bidden wat jullie willen, ik val toch nog steeds op mannen. Maar in die tijd begon ik erg aan ­mezelf te twijfelen: wie of wat mocht ik nu zijn? Mensen die je proberen te ‘bekeren’ kunnen veel schade ­aanrichten, en het gebeurt nog steeds. Ik zie het als geestelijke ­verkrachting.” Ook Kai onderging conversietherapie bij een christelijke stichting. Op zijn achttiende stapte hij voor het eerst de praktijk binnen. Schoorvoetend, want vol van schaamte, maar vastberaden, want: hij wilde ervan af. Van dat homo­-zijn. “Tien jaar lang heb ik daaraan ­gewerkt. Praten, groepstherapie met lotgenoten, spreken van ‘een terugval’ als ik aan een man had gedacht of naar een man had gekeken, mezelf wijsmaken dat ik was ‘­genezen’.” Kai datete zelfs met een vrouw en had een korte relatie. “We waren een tijdje samen en hadden een klik, maar voor mij was het natuurlijk vriendschappelijk”, zegt Kai. “Het werkte totaal niet.” Ook Alexander had kort een vriendin. Hij lacht. “Ik verschool me toen strikt achter de bijbel in die relatie: geen seks voor het huwelijk.”

Ademruimte

Rond zijn 28ste werd Kai steeds banger dat het uit de hand zou lopen, dat hij zichzelf een keer iets zou aandoen. “Mijn gedachten waren zo donker, ik zag geen uitweg meer.” Het was een kwestie van uit de kast ­komen of niet meer leven. “Dat klinkt heel zwaar, vooral voor mensen die altijd zichzelf hebben kunnen zijn, maar ja, zo wás het wel.” Dat wat je wegdrukt – weten ze nu – komt bovendrijven. Zie het als een badeend: die kun je even onderdrukken, maar floept zo weer boven het water uit. “Zelfs mijn psycholoog zag: het kan zo niet langer.” En toen gaf ze Kai dat wat hij als het beste advies ooit ervoer: kom ermee naar buiten. Zijn familie reageerde begripvol. Even was er bevrijding, opluchting en ademruimte. Maar bij de kerk, zijn veilige plek, ging het anders. Bijna al zijn vrienden daar lieten hem vallen. “Ik speelde piano tijdens de diensten en zat in het bestuur, maar er werd van me verwacht dat ik al mijn taken ­neerlegde.” Alexander: “En je vrienden van de kerk lieten niets meer van zich horen, hè.” Kai knikt. “Ja. Echt goede vrienden. Van de ene op de andere dag.” Lang dachten ze beiden, afzonderlijk van elkaar: God en homoseksualiteit, dat gaat niet samen. Nooit. Het is of het één of het ander. Totdat Kai bij een roze kerkviering in Amsterdam kwam en homoseksuele christenen leerde kennen. “Een verademing”, zegt hij erover. “Ik had een beeld dat gays alleen maar heel uitbundig waren – een beetje door de media, door de Pride. En ik dacht: als ik naar een gaykroeg ga, dan word ik oppervlakkig ­gecheckt, als vers vlees. Maar dat was een eenzijdig beeld dat ik had. Ik vond gelijkgestemden, die én op mannen vielen én van God hielden.”

Verliefd in ’t geniep

Kai besloot zich in te schrijven bij een datingsite, waar hij Alexander vond. En Alexander hem. Alexander: “Ik weet nog dat jij zo’n leuke foto had van jezelf, in je slaapkamer, met een spijkeroverhemd aan. Heel ­casual. Ik vond je meteen leuk.” Kai: “En toen begonnen we met praten.” Nooit meer gestopt ook. Ze spraken af. Niet in cafés, of wel in cafés, maar dan niet in hun ­woonplaatsen. En thuis. Wel alleen op momenten waarop ze zeker wisten dat er niemand langs zou ­komen, want vooral aan de kant van Alexander wist nog ­niemand het. Zo ging het maandenlang. Er was verliefdheid, en geniepigheid. Zwijgen. Hopen dat de bel niet gaat. Niet hand in hand lopen in het openbaar, zodat ze, als ze een bekende zouden tegenkomen, konden zeggen: “Dit is een vriend van me.” Natuurlijk veranderde dat op den duur. “Ik dacht: ik ontplof als ik het niet een keer vertel”, zegt Alexander. Lood in de schoenen, op naar huis, naar zijn vader, zijn moeder. Zijn vader reageerde vaderlijk. Rustig. “Was dat het?” vroeg hij, waarmee hij wilde zeggen: dit is geen groot probleem. “Maar dan mijn moeder…”, zegt Alexander. “Die stond op en zei: ‘Ik kan dit niet aan’, en stoof de kamer uit.” Een paar dagen later stond ze met de bijbel in haar handen bij Alexander in de studeer­kamer om te vertellen dat hij echt zondig bezig was. “Nu denk ik: nee, nee, het is niet zondig, het is liefde. Maar op die momenten zat er altijd nog dat gevoel dat ik iets fouts deed. Het is erg pijnlijk om te zien en te voelen dat je moeder het geloof boven haar eigen kind verkiest. Maar – en hij richt zich tot zijn man – het gaat ietsje ­beter, hè? Ik ben in elk geval weer on speaking terms en na járen doet mijn moeder nu wel de groeten aan jou.” Kai: “En dat is heel wat.” Alexander: “Dat is al heel wat.”

Bakken met haat

Ze hielden allebei lang hun eigen huis aan. Er was twijfel. Niet aan elkaar, niet aan de liefde, maar omdat weinig mensen openlijk achter hen stonden. Toch bleven ze samen. Er kwamen trouwplannen. Maar niet in de kerk: Kai kon het niet meer. “De plek die ons er zo lang van weerhield onszelf te zijn, ik kon daar niet onze liefde bezegelen.” Het was een mooie dag. Er was liefde, maar ook: ongemak. Alexanders moeder hield lang vol dat ze niet wilde komen, maar kwam uiteindelijk toch, omdat de predikant dat had aangeraden. “Maar je zag aan alles, aan hoe ze keek en ons feliciteerde, dat ze niet achter dit huwelijk stond.” En dan waren er nog de spreekwoordelijk lege stoelen: die waar de goede vrienden uit de kerk van Kai op hadden moeten zitten. En ook in de jaren daarna was het nog niet klaar met de ‘bakken haat’. “Héb je even?”, zegt Alexander – weer met die grijns (“Want ja, wat moet je anders? Ik wil niet huilen in een hoekje.”). Ze woonden jarenlang op IJburg in Amsterdam. Maar denk niet: de hoofdstad, daar gebeurt het allemaal, als queers érgens worden geaccepteerd, is het daar. “We werden er bedreigd. Ik denk dat mijn ­homoseksualiteit, dat ik ervoor uitkwam en dat ik dominee was, bij mensen in het verkeerde keelgat schoot.” Herhaaldelijk werden ze lastiggevallen; thuis, op straat. Er werden steentjes naar hen gegooid, ze kregen scheldwoorden naar hun hoofden, werden opgewacht bij de kerk op IJburg. “Kijk uit, anders gooien we een bom naar je”, klonk het zelfs. Het werd steeds intimiderender. Er was ook iemand die zei: “Jij moet naar het kerkhof.” De politie is vaak gebeld. Het dieptepunt was de vuurwerkbom bij hun woning. In de zomer van 2018 hoorden ze gestommel en stemmen op hun galerij. Kai stond op, keek door het raam en zag twee onbekende mannen wegrennen. Ze lieten iets voor het stel achter: een zware vuurwerkbom, met tape aan een raam van het huis vastgeplakt. Alexander: “Dat was…” Kai: “Als in een film. We hebben heel veel geluk gehad dat de bom niet is ontploft.” Alexander: “Dat die haat zo groot is. Omdat wij liefhebben, en omdat we dat in het openbaar doen.”

Stoïcijns maar strijdbaar

Het maakt hen strijdbaar. Ze zijn, zo zeggen ze zelf, nooit gestopt met strijden. En ze leerden elkaar, juist door die ellende en die haat, beter kennen dan ooit. Ze zijn een soort yin en yang. Alexander de emotionele, Kai de rationele. Maar er is dus ook die stoïcijnse houding. Schouders ophalen. “We hebben al zo veel meegemaakt”, zegt Kai. “Als we ons erdoor laten leiden, is ons leven voorbij. Bovendien is het goed dat we een olifantenhuid hebben. Daardoor kunnen we ons ook inzetten voor ­anderen, die nog niet zo ver zijn in hun proces als wij, die die dikke huid nog níet hebben.”Ze verlieten Amsterdam en zijn nu actief bij de kerk in Monnickendam. Ze sloten zich aan bij Stichting Wijdekerk: een initiatief van een groep christenen uit de queer community, die mensen steunen en helpen zichzelf te kunnen zijn. “En dat doen we vanuit de liefde van Jezus Christus.” Ze blijven hun verhaal vertellen. Aan wie het horen wil – en aan wie het níét horen wil. “Liefde is niet zondig”, zegt Kai. “Nooit.” Dan wordt hij onderbroken. De bel gaat. Een vrouw uit Monnickendam, ze kennen haar alleen van gezicht, steekt een bos paarse tulpen door de deuropening. Er zit een kaartje aan vast met een regenboogtekening. In ­kinderhandschrift staat eronder: “Ik vind het heel erg van de vlag. Iedereen mag zijn wie hij wil zijn.”

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden