PREMIUMLatoya (40) ging als beroepsmilitair naar Afghanistan

“Als het leger me nodig heeft, sta ik klaar – ondanks dat ik nu moeder ben”

null Beeld Petronellanitta
Beeld Petronellanitta

Hoewel niet iedereen uit haar omgeving enthousiast was over haar keuze, ging Latoya Hallatu (40) in 2006 het leger in. Ze trad hiermee in de voetsporen van haar Molukse overgrootvader. Het soldatenuniform vervulde haar met trots, maar de impact van de missie in Afghanistan bleek groter dan ze dacht.

Bram de GraafPetronellanitta

‘Opa alstublieft, het is mijn droom. Ik wil dit doen om oyang Willem te eren.’ Najaar 2006, Latoya Hallatu staat in haar eentje bij het graf van haar opa Filip Hallatu op de begraafplaats van Amahai, een gehucht op het Molukse eiland Ceram. Het is de plek waar haar familie oorspronkelijk vandaan komt en waar haar overgrootvader – oyang in het Moluks – Willem Hallatu in 1908 werd geboren. Ze is erheen gereisd om aan haar voorouders toestemming te vragen om het leger in te mogen. “Ik wilde het kerkhof verlaten, maar de klink van de poort gaf niet mee”, vertelt Latoya. “Ik draaide me om en keek nog eens naar zijn graf. ‘Opa ik wil dit echt, laat me gaan. Alstublieft.’ Opeens ging de poort wel open. Dat was voor mij het teken: ik heb zijn toestemming. Voorouders zijn in de Molukse cultuur heel belangrijk. Mijn droom zou uitkomen, ik mocht militair worden. Ik was zo opgelucht.”

Vreselijke dood

Latoya’s overgrootvader Willem Hallatu was, zoals veel Molukse mannen in de eerste helft van de twintigste eeuw, soldaat bij het KNIL: het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Deze troepen moesten het Nederlandse gezag in de kolonie Nederlands-Indië – het huidige Indonesië – handhaven bij binnenlandse onrust en verdedigen tegen buitenlandse invallers. Van Willem Hallatu bestaat slechts één foto, daarop poseert hij met zijn vrouw Amalia Tomasoa. “Een statige, knappe man in een prachtig wit uniform met een stoere pet – misschien dat ik er daarom als kind al van droomde om ooit zelf zo’n uniform te dragen”, zegt Latoya. “Voor oyang Willem was het KNIL een kans op een beter leven en avontuur, want op de Molukken is het leven, hoe paradijselijk het er ook is, zwaar.”

Molukse militairen waren populair bij het KNIL: het waren goede en loyale vechters. Toen de Japanners begin 1942 Nederlands-Indië aanvielen, hielp Willem Hallatu de kolonie te verdedigen. Het was een ongelijke strijd tegen het goed getrainde en fanatieke Japanse leger.

null Beeld

Op 8 maart 1942 capituleerde het Nederlandse gezag. Veel Molukse soldaten bleven trouw aan de Nederlandse vlag en weigerden, zoals andere Indonesische volken wel deden, met de Japanners samen te werken na de machtsovername. Ze verdwenen samen met de witte Nederlanders in krijgsgevangenschap. Willem Hallatu werd geïnterneerd in Pematang Siantar op Sumatra. Daar werd hij op 20 november 1944 door de Japanners vermoord. “Zijn vriend en neef Michael Hallatu, die de gevangenschap overleefde, vertelde mijn familie dat ze hem levend hadden begraven, een vreselijke dood. Wat hij had misdaan, was onduidelijk. Als ik erover praat komen er altijd tranen. Het is zo bruut en onmenselijk om zo te moeten sterven. Het is de reden dat opa Filip nooit over zijn vader sprak.”

Naar Nederland

In 1951 stapte opa Filip samen met zo’n vierduizend Molukse militairen en hun gezinnen in Java op de boot naar Nederland. Nadat Japan in augustus 1945 was verslagen, brak in Nederlands-Indië een onafhankelijkheidsoorlog uit. Nederland wilde zijn winstgevende kolonie niet opgeven en in het KNIL vochten Molukse militairen mee tegen de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders. Toen Nederland onder internationale druk eind 1949 instemde met de soevereiniteit van Indonesië, werd het KNIL opgeheven. Veel Molukse soldaten bevonden zich op dat moment op Java en wilden terug naar hun eilanden om daar een eigen staat te stichten. Indonesië erkende die staat niet en er brak een burgeroorlog uit. Omdat Indonesië bang was dat de Molukse soldaten zich tegen hen zouden keren, kwamen ze met de Nederlandse overheid overeen dat deze groep tijdelijk in Nederland zou verblijven. Omdat het gezin na de dood van oyang geen inkomsten meer had, was de 16-jarige Filip naar Java getrokken om werk te zoeken. “Hij voelde zich daar niet langer veilig en wilde ook naar Nederland. Hij is toen van de kade gesprongen en naar het transportschip gezwommen, waar hij als verstekeling aan boord werd genomen.”

null Beeld

Filip kwam via het Zeeuwse Oost-Souburg in IJsseloord terecht, het Molukse woonoord in Capelle aan den IJssel. Hij werkte als lasser op een booreiland en trouwde twee keer; met een Molukse en later met een Nederlandse vrouw. Uit beide huwelijken werden kinderen geboren. “Hij had een goed leven in Nederland en wilde hier blijven.”

Met Molukse wortels in Nederland

Ook Latoya’s ouders, beiden Moluks, kozen voor een toekomst in Nederland. “Ze zijn bewust buiten de Molukse wijk gaan wonen, zodat ik opgroeide met verschillende culturen. Pas op latere leeftijd leerde ik de taal van mijn grootouders spreken. Maar hoe Nederlands we ons ook voelen, we blijven trouw aan onze Molukse wortels. Elk jaar vieren we de Molukse Onafhankelijkheidsdag op 25 april en we houden vast aan traditionele gebruiken en omgangsvormen, de adat. Familiebanden en banden met bepaalde Molukse dorpen, de pela, zijn hierin heel belangrijk.”

Dat ervoer ze toen ze op haar tiende voor het eerst in Amahai kwam. “Het was alsof ik thuiskwam. Voor het eerst voelde ik me echt Moluks. In Nederland leven we zo gestrest, daar was alles back to basic: alleen natuur en familiewarmte. Geen rust en geen haast. Sindsdien ga ik er soms wel twee keer per jaar heen.”

Dromen over het leger

Als kind droomde Latoya ervan om dierenarts te worden, maar toen ze een jaar of dertien was veranderde dat. “Ik wilde militair worden. Op televisie staarde ik ademloos naar beelden van soldaten in uniform en ik kon uren luisteren als kennissen over het leger vertelden.” Na de middelbare school werkte ze in een groothandel, maar het was niet wat ze écht wilde en daarom gaf ze zich in 2006 op voor een militaire keuring. Tot twee keer toe liep ze die keuring door omstandigheden mis. “Mijn moeder, die nooit een voorstander was geweest van mijn plan om het leger in te gaan, zag dat als een teken van mijn overgrootvader. Ze zei: ‘Oyang Willem wil het niet’. ‘Maar waarom dan niet?’, vroeg ik. ‘Vertel me het hele verhaal.’ Toen hoorde ik voor het eerst hoe hij aan zijn einde is gekomen én wat hij voor zijn executie tegen zijn vriend had gezegd: geen van zijn nazaten mocht nog dienen in het leger.”

null Beeld

Landverrader

Maar Latoya wist wat ze wilde en ging een paar maanden later alsnog naar de militaire keuring, waar ze werd goedgekeurd. Haar moeder stond achter haar beslissing, op één voorwaarde: “Ik moest eerst toestemming vragen aan mijn voorouders. Dus vloog ik naar Java en ben daar naar het Nederlandse ereveld in Cimahi gegaan, waar oyang Willem begraven is. Bij zijn graf, een eenvoudig houten kruis, legde ik een krans en heb ik gebeden. Daarna ging ik naar het graf van mijn opa Filip, die de poort voor me opende.”

Latoya tekende voor acht jaar bij de luchtmacht en kwam terecht op vliegbasis Gilze-Rijen, waar ze een logistieke functie kreeg. “De eerste keer dat ik mijn uniform aantrok zal ik nooit vergeten. Op mijn borst prijkte de naam Hallatu, net als bij oyang Willem.”

Haar keuze werd niet door alle Molukkers in haar omgeving begrepen. “Sommigen vonden dat ik een landverrader was en vroegen me of ik de geschiedenis wel kende. Ik zei dan: ‘We leven in een andere tijd en moeten niet blijven hangen in het verleden’.”

Mortiergranaten

Toen in 2010 bekend werd dat de Nederlandse helikopters ingezet gingen worden in Afghanistan, meldde Latoya zich aan voor de missie. Voor haar vertrek bracht ze opnieuw een bezoek aan het graf van haar overgrootvader. “Ik heb toen mijn naamplaatje over zijn kruis gehangen. Dat gaf mij een gevoel van kracht en bescherming.”

Al in de eerste week dat Latoya in Afghanistan was, werd de legerbasis door de Taliban bestookt met mortiergranaten. Er zouden er nog vele volgen. “Ik was toevallig net met mijn vader aan het bellen. Terwijl ik plat op de grond lag, ging ik met mijn vader aan de andere kant van de lijn in gebed. En toen viel plotseling de verbinding weg. Pas de volgende dag kon ik hem via de mail laten weten dat het goed met me ging, maar hij had al die tijd het ergste gevreesd.”

Paniekaanval

Op de legerbasis raakte ze bevriend met twee Australische commando’s, ‘harde jongens’ die vaak op patrouille gingen en haar vertelden over de hevige vuurgevechten en de bermbommen. “Op een middag landde een helikopter die gewonden terugbracht naar de basis. Er waren ook twee bodybags. Daarin bleken de lichamen van mijn Australische vrienden te zitten. Hun voertuig was opgeblazen door een bermbom.”

Natuurlijk, hun dood maakte indruk. Maar pas toen Latoya drie maanden later terug in Nederland was voor de bruiloft van haar broer, ontdekte ze hoe groot de impact echt was. “Op het vliegveld wachtte mijn familie me op. Maar eenmaal in Capelle voelde ik me helemaal niet thuis. Het huis zat vol bruiloftsgasten en ze vroegen dingen als: ‘Heb je geschoten?’ Ze wilden spannende verhalen horen. Ik kreeg een paniekaanval en trok me terug in de keuken, daar heb ik een potje gejankt. Wat was er met me aan de hand? Voorheen was ik best hard, toonde nooit emoties. En nu huilde ik om het minste of geringste. Ik miste mijn collega’s, wilde terug. Bij hen voelde ik me wel thuis.”

In therapie

Een paar dagen later haalde ze haar neefje op van school. Toen de schoolbel ging, kreeg ze opnieuw een paniek-aanval. “Het was net de alarmbel die op de basis klonk tijdens een mortieraanval. Ik lag meteen plat op de grond. Mensen dachten: wat heeft die nou?” Ze zocht zelf professionele hulp en praatte uren met een maatschappelijk werkster over wat ze had meegemaakt. Het duurde minstens een halfjaar voor ze weer gewend was aan het dagelijks leven in Nederland. “Maar ik kwam eruit, al kan ik nog steeds niet tegen vuurwerk.”

In 2014 liep haar legercontract af en keerde ze terug in de burgermaatschappij. Wel bleef ze als veteraan actief, zoals voor de stichting Molukkers bij de Krijgsmacht. “Daarmee herdenken en eren we de Molukse KNIL-militairen en hun families die in 1951 op transport naar Nederland werden gezet. We vertellen hun verhalen en delen onze eigen ervaringen. Ook lopen we mee tijdens de jaarlijkse Veteranendag.”

Opnieuw in het leger

Latoya heeft een relatie met een oud-militair, ze hebben een dochtertje van 6. Hoewel ze nu een leuke baan heeft bij een logistiek bedrijf, mist ze haar militaire uniform. Ze overweegt herintreding in het leger. “Toen de oorlog in Oekraïne uitbrak, heb ik meteen gezegd: als ze mensen nodig hebben, sta ik klaar. Ondanks de oorlogsdreiging en ondanks dat ik nu moeder ben. Ik weet dat mijn dochter in goede handen zal zijn bij mijn familie. Zij begrijpen wie ik ben en wat ik wil, en dat ik het doe om oyang Willem te eren.”

Nationale herdenking

Op 15 augustus wordt stilgestaan bij het einde van de Tweede Wereldoorlog voor het Koninkrijk der Nederlanden. Onder andere bij het Indisch Monument in Den Haag worden alle slachtoffers van de oorlog tegen Japan en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië herdacht.
15augustus1945.nl

Styling: Inge Holkenborg | Haar en make-up: Astrid Timmer | M.m.v. American Vintage (jumpsuit), & Other Stories (riem), Mango (laarzen)

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden