Francine Postma ging op pelgrimstocht: “Misschien is dat wel mijn grootste angst: dat ze me totaal niet missen” Beeld Eigen beeld
Francine Postma ging op pelgrimstocht: “Misschien is dat wel mijn grootste angst: dat ze me totaal niet missen”Beeld Eigen beeld

PREMIUM

Francine (49) ging op pelgrimstocht: “Mijn grootste angst was dat ze me thuis totaal niet zouden missen”

Journalist Francine Postma (49) had stiekem genoeg van het drukke gezins­leven. Dus trok ze haar wandelschoenen aan en vertrok ze voor een pelgrimstocht van 580 kilometer. De tocht bleek een nieuw begin voor haar.

Francine PostmaEigen beeld

Op het schoolplein neem ik afscheid van mijn jongste zoon. Met mijn neus in zijn blonde haar snuif ik zijn geur op: shampoo, warme melk en een vleugje talg. Mijn lieve, zevenjarige mannetje dat zich zo moeilijk kan ontspannen... Nog maar een halfjaar geleden werd ik dagelijks rond tienen gebeld door zijn juf: of ik hem van school kwam halen, omdat hij weer buikpijn en hoofdpijn had. Eenmaal thuis, onder een dekentje op de bank, ging het wel weer. Maar de volgende dag belde de juf opnieuw. “ADHD en trekken van autisme”, oordeelde de kinder­psychiater drie maanden later. “Het zou beter zijn als hij naar een andere school ging.”

Het proces ging sneller dan bij onze oudste zoon, die vier jaar eerder al de diagnose autisme kreeg. Toen gingen er maanden overheen van onderzoeken, observaties, gesprekken op school, van het kastje naar de muur gestuurd worden, invullen van stapels formulieren en lange zoektochten naar informatie op internet. Intussen ken ik het klappen van de zweep en ben ik assertiever. Binnen een maand mocht mijn jongste zoon overstappen naar het speciaal onderwijs. Van een zenuwachtig, ziekelijk mannetje met altijd buikpijn is hij veranderd in een vrolijke, tevreden jongen die met plezier naar school gaat.

Maar toch. Is het niet te vroeg om vijf hele weken weg van huis te gaan? Kan hij wel zonder zijn moeder? ‘Niemand laat z’n eigen kind alléén’, zingt Willy Alberti in mijn hoofd. Even blijven we zo staan op het schoolplein. Dan maakt hij zich los. “Veel plezier in Zweden!”, roept hij vrolijk en rent de school in. Langzaam loop ik terug naar de auto, waar mijn man Maarten op me wacht.

Onverschillige zwaai

Een halfuur geleden nam ik al afscheid van mijn oudste zoon, de kwikzilverige bijna-puber, die niet meer aan omhelzingen op het schoolplein doet. Een onverschillige zwaai, een flitsende glimlach en weg was hij. Ik weet dat achter dat stoere gedrag een hypersensitieve jongen schuilt, die slecht tegen verandering kan en zich zorgen maakt om de kleinste dingen. Toen ik hem gisteravond naar bed bracht, zei hij: “Ik probeer me een beetje voor te bereiden op je afwezigheid, maar ik kan me er gewoon geen voorstelling van maken hoe het is.” “Ik ook niet, lieverd...”, zei ik en legde mijn hand op zijn hoofd. Ik wilde nog van alles tegen hem zeggen, maar hij duwde mijn hand weg en zei: “Ga nou maar naar beneden, mam.”

Wat doe ik, als de komende weken blijkt dat mijn jongens het moeilijk hebben? Kom ik dan terug? Ik héb mijn reis al een keer uitgesteld... Eigenlijk zou ik vorig jaar al naar Zweden zijn gegaan – alles was al geregeld. Maar toen werd mijn moeder ziek. De dokter gaf haar nog drie maanden. Dus cancelde ik mijn plannen, om nog zo veel mogelijk bij haar te kunnen zijn. Nu, een jaar later, sta ik te trappelen om weg te gaan. Trouwens: ik laat mijn jongens niet alleen. Ze hebben ook nog een vader, een die nota bene vijf weken onbetaald verlof heeft opgenomen om voor zijn zoons te zorgen. Ze zullen niks tekortkomen. Wie weet, is mijn afwezigheid zelfs wel goed. Zo’n modelmoeder ben ik immers niet, met mijn ongeduld, mijn stemmingswisselingen en mijn overgevoeligheid.

“Ik vind het niet alléén maar jammer dat je weggaat, mam”, zei mijn jongste zoon een paar weken geleden nadat ik uit mijn slof was geschoten om iets futiels. Ik moest lachen om zijn eerlijkheid, maar ik schrok ook. Want misschien is dat wel mijn grootste angst: dat ze me totaal niet missen.

In de auto naar Schiphol zijn we stil. Ik kijk opzij naar Maarten. Hij gaat niet op reis, het onbekende tegemoet. Hij zit de komende tijd aan huis gekluisterd met twee kinderen en een jonge hond. Hoe is dat voor hem? Hij zegt dat hij het niet vervelend vindt, dat hij er zelfs naar uitkijkt. Maar ik weet dat het niet alleen maar leuk zal zijn. Het zal vaak zwaar zijn en nog vaker stomvervelend. De dagen zullen tussen zijn vingers door glippen als zand, met alle vaste, repeterende taken, klussen en rituelen en alle brandjes die hij zal moeten blussen. Het opvoeden van kinderen is met z’n tweeën al een hele klus, laat staan in je eentje. En dan ook nog kinderen zoals de onze, met een ontwikkelingsstoornis, of een andernis, zoals wij het thuis noemen. Nee, het wordt geen vakantie voor Maarten.

Ik weet dat ontelbare andere ouders in onze situatie er iets voor zouden geven om even weg te kunnen, al is het maar één week! Juist daarom ben ik me er extra van bewust hoe gezegend ik ben. Ik mag vijf weken weg van de sleur, het zorgen, de hectiek, de papierwinkel, het bellen met instanties, met school, gemeente, psychiater, apotheek, leerlingenvervoer. Weg van het politieagentje spelen, coachen, scheidsrechteren, sussen, troosten, aandacht verdelen, het honderd keer per dag tot tien tellen en dan alsnog mijn geduld verliezen (en de spijt en het zelfverwijt, die daar onvermijdelijk op volgen). Het ’s avonds doodmoe op de bank neerploffen en alleen nog als een zombie voor me uit kunnen staren. Weg van een gezinsleven dat – eerlijk is eerlijk – lang niet zo leuk en gezellig is als ik me had voorgesteld.

Altijd moe

De afgelopen elf jaar van mijn leven waren niet de makkelijkste. Hoewel ik alles had gekregen waarvan ik als klein meisje had gedroomd, een lieve man die zijn leven met mij wilde delen, een eigen huis met een tuin, twee gezonde kinderen en sinds een jaar ook nog een hond, was ik niet gelukkig. Net als ikzelf bleken mijn zoons gevoelig en temperamentvol. Het moederschap vroeg veel van me. Tot twee keer toe raakte ik overspannen. Daarnaast leed ik aan paniekaanvallen, migraine, chronische darmklachten en was ik altijd maar moe. Werken lukte nauwelijks meer, waardoor we financieel continu op het randje van de afgrond balanceerden. Begin 2017 bleek mijn moeder, met wie ik een moeizame band had, ongeneeslijk ziek te zijn. Zelf moest ik in die tijd onverwacht een zware buikoperatie ondergaan, waarbij mijn baarmoeder werd verwijderd. Uitgehold zat ik een week na de operatie aan mijn moeders sterfbed.

De dood van mijn moeder voelde als het einde van een tijdperk: ik was voorgoed volwassen geworden. Ook het verwijderen van mijn baarmoeder betekende het einde van een periode: die van mijn vruchtbaarheid. Ik voelde me oud en afgedankt. Zelfs mijn krullen werden steil. Het voelde alsof ik met geweld in een volgende levensfase was geduwd, waar ik nog helemaal niet aan toe was.

Ik had tijd nodig om alles wat ik had meegemaakt te verwerken. Om mezelf bij elkaar te rapen, de balans op te maken en deze nieuwe levensfase te omarmen, in plaats van er bang voor te zijn. Tijd om te bedenken hoe ik de rest van mijn leven wilde invullen. Het voorbereiden van mijn pelgrimstocht door Zweden en Noorwegen, die ik eigenlijk een jaar geleden al had zullen maken, gaf me nieuwe energie. Het idee dat ik even weg mocht van alle verplichtingen die het moederschap met zich meebrengt en nieuwe dingen zou gaan ontdekken, vond ik heerlijk.

Vanaf het moment dat ik mijn vertrekdatum wist, in februari 2018, begon ik enthousiast met trainen. In de praktijk betekende dat: zo veel mogelijk wandelen, op nieuwe wandelschoenen die ik moest inlopen. Doordeweeks, als de kinderen op school waren, liep ik dagelijks einden met onze hond. Op zaterdag, als de kinderen bij hun begeleidster waren - een andernis heeft ook voordelen! - liep ik een langere tocht ergens in het land. Ik begon met een kilometer of acht, om op te bouwen naar de dertig kilometer.

Naarmate het voorjaar losbarstte, ging het wandelen me steeds makkelijker af. Ik genoot ervan om uren achter elkaar in stilte te lopen. En ik ontdekte iets interessants: na een uur of vijf, zes lopen leek het of mijn lichaam plotseling een nieuw vat energie aansprak. In het begin van de wandeling had ik nog weleens last van pijntjes, en na een uur of twee, drie werd ik moe. Maar als ik dan doorliep, kwam ik in een soort hogere versnelling terecht. Op slag viel het lopen me minder zwaar. Het was alsof ik een dikke winterjas had afgeschud en ik kwam letterlijk harder vooruit.

Ook mijn stemming verbeterde tijdens het lopen. Soms vertrok ik met hoofdpijn en een chagrijnig gevoel, en kwam ik zingend en met blozende wangen thuis. Wat ook leuk was: ik ontdekte hoe heerlijk het was om na een dag buiten thuis te komen. Opeens viel me weer op wat een leuk huis we eigenlijk hadden. Maarten stond vaak al te koken en ontving me met een drankje en een lekker borrelhapje. Intussen loop ik dertig kilometer zonder spierpijn en zonder blaren. Maar ik heb nooit langer dan één dag gelopen en ook niet getraind in heuvelachtig gebied. Daar maak ik me wel een beetje zorgen over, want mijn tocht gaat over de bergen tussen Zweden en Noorwegen en in Noorwegen schijnt het hoogteverschil behoorlijk te zijn. Ik hoop maar dat ik tegen die tijd nóg wat sterkere beenspieren zal hebben.

Maarten heeft uitgezocht welke vertrekhal ik moet hebben, bij welke gate mijn vliegtuig staat en hoe laat ik moet boarden. Hij stáát erop mijn gigantische tas op wieltjes te trekken tot aan de douane. Ik geniet nog maar even van zijn zorgzaamheid. Een laatste innige omhelzing en daar ga ik, op naar Zweden. In mijn rugzak zit de net verschenen wandelgids over de Sint Olavsroute van Ria Warmerdam – het boekje zal mijn bijbel zijn, de komende weken – en een dik pak geprinte A4’tjes met gedetailleerde wandelkaarten per dag. Per etappe staat er een telefoonnummer op de prints, van mijn gastheer of -vrouw van die dag. Ik zal meestal bij mensen thuis slapen, in logeerkamers of tuinhuisjes, soms in een vakantiehuis of jeugdherberg en een enkele keer, als het niet anders kan, in een hotel.

Per dag zal ik twintig tot dertig kilometer lopen, met een paar uitschieters naar boven of beneden. Om de vier, vijf dagen lopen zal ik een dag rusten. Ik zal soms door dorpjes komen, maar verreweg het grootste deel van de route gaat dwars door de ongerepte natuur van Midden-Zweden en Noorwegen, door bossen en velden, langs rivieren en meren, van laagland met akkerbouw naar weerbarstiger, heuvelachtig gebied om uiteindelijk de bergen over te steken naar Noorwegen. Het einddoel van de tocht is de kathedraal van Trondheim, waar volgens de overlevering de botten van Sint Olav begraven liggen. Zelf haalde Olav het eind van zijn tocht trouwens niet: hij werd in 1030 vermoord in Stiklestad. Ergens vind ik het een bemoedigend vooruitzicht: zelfs als je de eindstreep niet haalt, kun je het nog tot heilige schoppen.

Een vrouw op reis

Zodra ik door de douane ben, voel ik me anders. Lichter, vrolijker, zelfverzekerder. Ik zucht diep, recht mijn rug, trek mijn schouders naar achteren en schud mijn diverse rollen af: die van moeder, echtgenote, dochter, zusje, vriendin. Vanaf nu ben ik alleen nog maar een vrouw op reis. Niemand weet wie ik ben, waar ik vandaan kom en waarheen ik ga. Mijn loodzware reistas is ingecheckt; ik heb mijn handen vrij. Ik hoef niet op watervlugge kinderen te letten die alle kanten op schieten, schichtig heen en weer te spieden als een waakhond, geen opdrachten te geven met een stem die ik verfoei. Ik hoef niet met een andere volwassene te overleggen wat we gaan doen – vanaf nu beslis ik alles zelf. Om te beginnen trakteer ik mezelf op een veel te dure koffie bij Starbucks, met een groot stuk taart.

Het is helder weer, de vlucht is rustig. Bij het raampje geniet ik van het uitzicht, zeker als we na twee uur vliegen de daling inzetten boven Stockholm. De ontelbare eilandjes voor de kust zien er van boven uit als grijs-groen-bruine brokjes steen, lukraak uitgestrooid over de diepblauwe zee. Rijen en rijen golfjes weerkaatsen het zonlicht. Onverstoorbaar ligt het land daar. Het herbergt iets, waaraan ik me wil laven. Iets fris en onbedorvens. Iets oerouds tegelijkertijd. Iets wat me al sinds ik een kind ben onweerstaanbaar aantrekt.

Als klein meisje vluchtte ik in verhalen. Het werkelijke leven vond ik ingewikkeld en ook vaak saai. Mijn twee oudere zusjes hadden genoeg aan elkaar. Mijn moeder was vaak moe of uit haar humeur en mijn vader werkte fulltime. Als hij thuis was, hadden mijn ouders vaak ruzie. Als er geen ruzie was, was er spanning. Bij vriendinnetjes thuis zag ik dat het ook anders kon. Vrolijke gezinnen, met moeders die taarten bakten of neuriënd stonden te strijken. In mijn fantasie zag ik mezelf later als zo’n moeder, liefst van een groot gezin. In het huis zou gelach en klassieke muziek klinken, een klok zachtjes tikken en poezen liggen te slapen in banen zonlicht. Een lieve, geduldige moeder zou ik zijn, die altijd aandacht had voor haar kinderen en hen begreep zonder een woord. Ik zou nooit boos op ze worden, nooit moe zijn en nooit zuchten.

Pelgrimstocht

Zal ik het volhouden om dag in dag uit lange afstanden te lopen, met mijn nog slappe buikspieren en zwakke rug, met mijn vele migraineaanvallen per maand en mijn gevoelige darmen? En mentaal: vijf weken alleen, ver weg van mijn gezin, dat me behalve stress ook veiligheid oplevert – het gevoel ergens bij te horen, een vaste basis en een duidelijke taak, die ik enerzijds vaak zwaar vind, maar die me ook het bestaansrecht geeft waarnaar ik zo lang heb verlangd?

Ik heb het echt overwogen, om als een backpacker te reizen. Omdat ik eigenlijk vind dat dat zo hoort. Als je een pelgrimstocht loopt, moet je ook all the way gaan. Dus: al je bagage zelf dragen en eigenlijk ook niet bij mensen logeren (en zeker niet in een hotel!), maar wildkamperen. In Zweden geldt het allemansrätten: je mag overal je tentje opzetten, mits je niet langer dan vierentwintig uur blijft.

Van Sundsvall naar Selånger, een klein dorpje dat het officiële beginpunt is van het Olavspad, is het acht kilometer. Een beetje pelgrim legt die afstand natuurlijk te voet af, om de reis in stijl te beginnen. Maar ik neem heel decadent een taxi van het vliegveld naar mijn eerste logeeradres. Het is tegen zeven uur ’s avonds, ik ben moe na een hele dag reizen en bovendien heb ik mijn zware reistas op wieltjes.

Ik ga op reis en neem mee

In mijn reistas zit: mijn computer, een paar lage wandelschoenen, mijn wandelstokken, een regenpak, een wollen shawl, een muts, handschoenen, een stel extra T-shirts en wandelbroeken, een dik fleecevest, extra wandelsokken in allerlei diktes, een lange onderbroek en thermo-hemd, een kompas dat nog in de verpakking zit, een ‘berenbel’, een noodfluitje, een thermosfles, een dik boek voor lange eenzame avonden, een lakenzak, een extra dekentje, een zomerjurkje, een dagboek, een reisapotheek waar je u tegen zegt – van zonnebrand tot thermofolie, van paracetamol tot migrainepillen, van antidepressiva tot kalmeringstabletten. Bovendien heb ik een wagonlading energierepen, chocola, koffie, thee, melkpoeder en instant soep bij me. Ik ben voorbereid alsof ik op een expeditie naar de Noordpool ga, en dan heb ik me nog ingehouden.

Prinses op de erwt

Ik weet dat langs de Olavsroute hier en daar hutjes staan waar je gratis in mag overnachten. Vaak met een vuurplaats erbij. Wat leek me dat romantisch: midden in de natuur overnachten, zelf vuur maken, je eigen potje koken. Drinken uit bronnen en onderweg zelf je eten verzamelen, of nog liever: vangen. Pas dán mag je jezelf in mijn ogen een pelgrim noemen. Een survivor die niet terugschrikt voor tegenslagen en ontberingen, maar die juist opzoekt, omdat dat erbij hoort! Hoe graag ik ook zo iemand wil zijn, intussen heb ik ingezien dat dat – in elk geval op dit moment – niet haalbaar is voor mij. Sinds mijn buik­operatie heb ik nog steeds vaak last van mijn rug – volgens de fysiotherapeut omdat mijn rugspieren mijn doorgesneden buikspieren compenseren. Vijf weken met een aanzienlijk gewicht op mijn rug lopen raadde hij me dan ook ten zeerste af. Toen ik hoorde dat Nordic Pilgrim de mogelijkheid biedt om extra bagage per auto te laten vervoeren, hoefde ik niet lang na te denken. Voor een klein bedrag brengen de mensen bij wie ik overnacht mijn tas twintig of dertig kilometer verder met de auto. Een win-winsituatie, heb ik mezelf én anderen keer op keer verzekerd. Hoe goed ik mijn keuze ook kan verdedigen, ik voel me er toch een beetje lullig over. Alsof ik een luxe-pelgrim ben, een prinses op de erwt.

Opwinding golft door mijn lijf als ik om zeven uur wakker word van het alarm op mijn telefoon. Ik vouw mijn lakenzak en mijn pyjama op en stop ze in mijn grote reistas, was me snel aan de wastafel in de badkamer en kleed me aan. Mijn voeten geef ik extra aandacht: ik smeer ze in met voetencrème, wikkel wandelwol om mijn grote tenen en onder de bal van mijn voet – mijn zwakke plekken, waar ik het eerst blaren krijg. Ik realiseer me dat dit een ritueel gaat worden, de komende weken. Deze reeks praktische, verzorgende handelingen: nadenken over simpele dingen: wat stop ik in mijn rugzak, en waar – mijn kaart, mijn geld, mijn antimuggenspray – wat is handig? Heerlijk dat ik me alleen maar druk hoef te maken over mijn eigen dingen en niet voor een heel gezin hoef te denken.

Het begin van de pelgrimstocht

Het is prachtig weer, ik draag een afgeritste broek, de pijpen zitten in mijn rugzak. Emelie, de Zweedse dame bij wie ik vannacht logeerde, loopt met me mee naar buiten en wijst me de weg naar het begin van de Sint Olavsroute, bij de kerkruïne van Selånger. Ik moet eerst een stuk rechtdoor lopen en dan rechtsaf bij de kerk. Hoewel ik bijna niet verkeerd kán lopen, ben ik zo druk met mijn wandelkaart dat ik helemaal vergeet om me heen te kijken. Ik zie wel een witte kerk, waar het eerste Olavskruisje staat en waar ik dus rechtsaf moet, maar de oeroude kerkruïne aan de linkerkant ontgaat me volledig. Als ik me dat eenmaal realiseer, hoe vreemd en slordig het is dat ik het iconische beginpunt van mijn tocht niet heb opgemerkt – de precieze plaats immers waar Olav Haraldsson in het jaar 1030 zijn heroïsche tocht door Zweden, op weg naar Noorwegen, begon – ben ik al een kilometer verder. Ik overweeg terug te lopen om alsnog even stil te staan bij de Viking die zich bekeerde tot het christendom en het begin van zijn tocht, die zo’n ander doel had dan de mijne. Maar ik ben ook bang om tijd te verliezen. Hoewel ik deze eerste dag maar vijftien kilometer hoef te lopen, neem ik liever het zekere voor het onzekere. Ik loop dus door en troost mezelf met de gedachte dat er genoeg foto’s zijn van de kerkruïne.

Om een uur of halfelf krijg ik zin in koffie. Toevallig kom ik even later langs een veldje met een houten picknicktafel onder een afdakje. Ik ga zitten en pak mijn thermosfles. In het bovenste vak van mijn rugzak zitten zakjes oplos­koffie, melkpoeder en een houten lepel. Het idee dat ik onderweg vast wel ergens een kop koffie zou kunnen kopen, heb ik twee jaar geleden al losgelaten. In de grote steden en dorpen van Zweden zijn wel koffiehuisjes, maar hier op het platteland doen ze niet aan dat soort frivoliteiten. Bovendien is het juist leuk om zelf koffie te maken – idealiter natuurlijk met een espresso-pot op een zelfgestookt vuurtje, zoals outdoor-bloggers op Instagram. Ik had zelfs al een minipercolator en een opvouwbaar Campinggasje gekocht, maar heb die op het laatste moment thuisgelaten. Naast de picknicktafel staat een groene kunststof brievenbus. Er zit een briefje op geplakt met de tekst: ‘Take a bible, they’re for free!’ Ik werp een blik in de bus en inderdaad: er ligt een stapeltje bijbels op zakformaat in. Hoe lief ik het gebaar ook vind, ik neem er geen mee.

De kunstenaar

Na een aantal uren door het bos te hebben gelopen, over sprookjesachtige paadjes tussen het groen, bereik ik kort na lunchtijd een rivier, die langzamerhand steeds woester en breder wordt. Eind van de middag bereik ik een gemaal bij het plaatsje Matfors. Na een brede brug over het kolkende water zie ik een groot wit bord met in zwarte letters het woord Room en een pijl naar rechts. Ik heb al even gebeld met Kaj, beeldend kunstenaar in Matfors en mijn gastheer van vannacht. Ik ben zijn eerste pelgrim aller tijden en mag zijn net voltooide pelgrimshuisje officieel openen door een lint door te knippen. Het is een schattig huisje dat geurt naar vers hout, van alle gemakken voorzien en met mooie details waarin je de hand van de kunstenaar herkent. Zo zijn de tegels in de douche niet rechttoe-rechtaan, maar in sierlijke mozaïekvormen gelegd.

Kaj is een grote man met een volle bos halflang grijs haar en een bril die zijn ogen vergroot. Hij is een beetje zenuwachtig. Waarschijnlijk is hij nog wat onzeker over het hele pelgrimsgebeuren, dat voor hem even nieuw is als voor mij. “Ik weet nog niet precies wat de pelgrims van me verwachten”, zegt hij even later. “Natuurlijk heb ik wel instructies gekregen, over de minimale eisen die er worden gesteld aan adressen waar pelgrims logeren, maar in de invulling daarvan ben ik vrijgelaten.” Ik op mijn beurt vraag me af hoe ik me moet gedragen tegenover deze man. Moet ik hem op zijn gemak stellen, of is dat aanmatigend? Mag ik me terugtrekken in ‘mijn’ pelgrimshuisje en een warme douche nemen, wat ik eigenlijk het liefste zou doen, of moet ik eerst bij hem gaan zitten? Ik kies voor het laatste.

Mijn gastheer biedt me een blikje bier aan, wat ik uit beleefdheid accepteer, terwijl ik al twee jaar niet meer drink. Zelf neemt Kaj ook een biertje, we gaan zitten voor zijn huis en toasten, op het nieuwe pelgrimshuisje, op Sint Olav! Ik neem een slokje. Hoewel het bier maar twee procent alcohol bevat, zoals al het bier in de Zweedse supermarkt, voel ik direct hoe de alcohol zijn werk doet. Die tinteling door mijn lijf, gevolgd door dat lichte gevoel in mijn hoofd – wat heb ik mezelf lang wijsgemaakt dat ik dat nodig had, dat ik alleen dán het gevoel had dat ik leefde. Ik kon geen boswandeling maken zonder biertje na afloop. Op het strand keek ik al reikhalzend uit naar de dichtstbijzijnde strandtent, voor ik überhaupt naar de zee toe was gelopen. Dit ene slokje bier doet me meer dan ooit beseffen hoezeer ik dat niet meer wil. Die onrust in mijn lijf, dat verlangen naar verdoving en daarna het verlangen naar meer. Het biertje laat ik verder staan.

De volgende dag is het al vroeg warm. Vogeltjes fluiten, de rivier ruist. Ik ben blij als ik weer loop, in m’n eentje. Zodra zich een ander mens in mijn buurt bevindt, richt ik mijn voelsprieten op diegene. Dan ga ik bedenken wat die ander leuk vindt of nodig heeft en hoe ik erbij kan helpen. Dat is niet zo onbaatzuchtig als het lijkt. Het is onzekerheid, en als ik heel eerlijk ben ook ijdelheid. Ik wil aardig gevonden worden. Daarvoor zet ik alles opzij en vergeet ik mezelf en mijn eigen behoeften, waardoor ik me later vaak slecht voel, verongelijkt. Dan ga ik me afreageren op mijn omgeving, die dan vervolgens weer boos op mij wordt. “Je kunt pas goed voor anderen zorgen, als je goed voor jezelf zorgt.” Hoe vaak is dat in de afgelopen jaren niet tegen me gezegd? Waarom breng ik het dan niet in praktijk? Misschien omdat het me pas lukt om te voelen wat ik nodig heb als ik alleen ben.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden