PREMIUM

Mariët groeide op in gevangenisdorp Veenhuizen: “Klasgenoten kwamen niet bij me op bezoek, ze vonden het maar eng”

null Beeld

Als dochter van een onderwijzer groeide Mariët Meester (63) op in de afgelegen justitiekolonie Veenhuizen, toen het Drentse dorp nog verboden was voor buitenstaanders. “Die jeugd in dat gekke dorp heeft veel invloed op mij gehad.”

Krista Izelaar

“In Veenhuizen waren nergens wegwijzers. Als een gevangene zou ontsnappen, zou die in elk geval niet weten welke kant hij op moest. Ook golden er bijzondere regels in ons dorp. Zo mocht de was niet buiten hangen als je niet thuis was, want dan zou een ontsnapte gevangene zich kunnen omkleden. Fietsen moesten altijd op slot staan, spullen zoals ladders en ­gereedschap mochten niet rondslingeren. Alles om het ontsnapte gevangenen zo moeilijk mogelijk te maken. Maar de belangrijkste regel voor ons kinderen was: niet praten met ­gedetineerden. In 1952 gebeurde er iets vreselijks in Veenhuizen, er werd een jongetje vermoord door een landloper die destijds in het dorp werden opgevangen. Je zou denken dat ik daardoor bang was voor de gevangenen, maar ik heb nooit angst gevoeld. In Veenhuizen zaten lichte en zware gevallen. Dienstweigeraars, mensen die met drank op achter het stuur hadden gezeten, maar ook moordenaars. Dat ik niet bang was, kwam mede door hoe bij ons thuis over gevangenen werd gepraat. Mijn ouders drukten mij en mijn broertjes op het hart dat het mensen waren. Mensen die iets slechts hadden ­gedáán, maar niet slecht wáren.”

null Beeld

Meester Meester

“Mijn ouders komen beiden uit Drenthe, maar ­verhuisden als jongeren naar de Randstad voor werk. Ik werd geboren in Den Haag, waar mijn ­vader als onderwijzer werkte. In de krant zag hij een advertentie. Ze zochten een hoofd voor de ­lagere school in gevangenisdorp Veenhuizen, ­bedoeld voor ­kinderen van de mensen die er werkten. Mijn ­ouders waren avontuurlijk en verlangden naar meer ruimte. Nadat mijn vader was aangenomen kwamen mijn ouders met mij als baby terecht in een groot huis, een voormalige kerk met enorme tuin, dat hoorde bij de lagere school. Vanaf dat moment was mijn vader meester Meester. Later werden mijn broertjes geboren en woonden we er met zijn vijven. Veenhuizen was oorspronkelijk een kolonie met drie armengestichten. Arme mensen werden er onvrij­willig heen gestuurd om ‘heropgevoed’ te worden en om te leren zelf geld te verdienen.

Na zo’n zestig jaar werden deze gestichten rijkswerkinrichtingen waar vooral daklozen en dronkenlappen, ‘landlopers’, naartoe werden gestuurd die een last waren voor de samenleving. Na de Tweede Wereldoorlog nam de criminaliteit toe en veranderde Veenhuizen in een gevangenisdorp. Toen wij er in 1959 kwamen wonen, was het afgesloten van de buitenwereld. Niet met hoge hekken of muren, maar met bordjes ‘verboden toegang’. De bewakers wisten precies welke auto’s in het dorp thuishoorden, vreemde wagens werden staande gehouden. Mijn ouders mochten wel logees ontvangen, maar daarvoor moesten ze eerst een vergunning aanvragen. Er ontsnapten vaak gevangenen. Ik herinner me nog goed dat ik een man door een korenveld zag rennen, met bewakers erachteraan. Meestal werden de gevangenen weer gepakt. Er deden wilde verhalen de ronde in het dorp over ontsnappingspogingen. Zo had een meisje een stiekeme relatie met een gevangene. Zij pikte een dienstcape van haar vader, die bewaker was, en gaf die aan haar vriend zodat hij weg kon komen. Ook had een bewaker eens een lifter achter op zijn brommer meegenomen, die later een ontsnapte gevangene bleek te zijn. Toen in 1974 twee keer een buskaping plaatsvond – gevangenen hadden de bus waarmee ze naar hun werk werden gebracht gestolen – ­kregen ze minder vrijheden.”

null Beeld

Bijzonder dorp

“Als kind besefte ik door de verhalen die ik mijn ouders hoorde vertellen aan de visite wel dat wij in een bijzonder dorp woonden. Geen licht op de fiets? Op je vijftiende in een auto rijden? De Wegenverkeerswet gold niet in Veenhuizen, het hele dorp was eigen terrein. Alles mocht, dat gaf een enorme vrijheid. Ongeveer de helft van de inwoners van Veenhuizen was gedetineerd, de andere helft werkte in het gevangeniswezen. Het was een bijzondere combinatie, wat mij vooral op zondag in de kerk duidelijk werd. Je had de brave types die stijf rechtop zaten, er was een speciaal vak voor de gevangenen die druk deden, lachten en elkaar op de schouder sloegen. Als kind zat ik gefascineerd naar hen te kijken. Je zou denken dat in een gevangenisdorp het kwaad heel erg aanwezig was, maar ik zou eerder het tegendeel willen beweren. Ik groeide op in totale harmonie met de natuur en met de mensen. Thuis was het warm, ­gezellig en rustig. Er was duidelijkheid in die ­besloten ­gemeenschap, iedereen in het dorp had zijn rol en ik denk dat de gevangenen hun straf zo goed ­mogelijk wilden uitzitten. Hoewel er bewakers op dienstfietsen rondreden met karabijnen en revolvers, voelde ik me er totaal veilig.”

null Beeld

Mariët op de kleuterschool in ­Veenhuizen en bij haar ­ouderlijk huis (1960).

Grote school, grote stad

“Dat harmonieuze gevoel veranderde toen ik naar de middelbare school ging. Als enige in mijn klas, die bijna helemaal bestond uit kinderen van bewakers, ging ik naar het atheneum in Assen. Een grote school in een grote stad. Ik zie me nog staan, moederziel alleen op het bruggetje, wachtend op de bus. De kinderen uit Veenhuizen vonden mij een studiebol en wilden niet meer met me omgaan. Mijn nieuwe klasgenoten kwamen niet op bezoek omdat Veenhuizen zo ver weg was en omdat ze het er eng en spannend vonden. Ik voelde me alleen en verdween in boeken. Voor een jongere die de wereld wil ontdekken, was Veenhuizen nogal saai. Er was niets te doen, je kon er niet naar de film of de kroeg. Er was alleen natuur, heel veel natuur. Als kind vond ik dat prachtig, maar op mijn zestiende riep ik: ‘Ik haat bomen!’ Door mijn eenzaamheid raakte ik nog meer geïntrigeerd door de gevangenen. Die mensen hadden avontuurlijke levens gehad, hadden meer gezien van de wereld dan dit dorp. Wat zouden ze hebben meegemaakt? Het wakkerde mijn fantasie aan. Ik begon te dromen van een leven in de grote stad, een bestaan als schrijver. Op mijn achttiende ging ik op kamers in Groningen.”

null Beeld

Veenhuizen: gek dorp

“Die jeugd in dat gekke dorp heeft veel invloed op mij gehad, ook op mijn werk als schrijver. Ik heb altijd een fascinatie gehouden voor mensen ‘aan de onderkant van de samenleving’. Als ik in mijn woonplaats Amsterdam iemand met een taakstraf de stoep zie vegen, voel ik een bepaalde verbinding met zo’n man. Een goede vriend van mij is een ex-gedetineerde – hij is overigens weer helemaal op het rechte pad. Ooit ging ik voor mijn werk op bezoek in een moderne gevangenis in Zaanstad. Ik schrok van wat ik zag: piepkleine ­cellen voor twee man met schermpjes boven het bed. Gekookt werd er niet, gedetineerden moesten een kant-en-klaarmaaltijd opwarmen in de magnetron in hun cel. Het was een soort fabriek waaruit alle menselijkheid was verdwenen. Opgesloten zitten is natuurlijk vreselijk, maar als je ergens moet zitten, dan nog steeds het best in Veenhuizen. Mijn vader is nu 93 en woont er nog steeds, mijn moeder heeft er ook tot haar dood gewoond. Een besloten ­gevangenisdorp is het sinds 1984 niet meer, al zijn er nog wel twee grote penitentiaire inrichtingen. Met dezelfde grote binnenplaats met veel gras en oude bomen én een echte keuken met koks. Inmiddels is het dorp uitgeroepen tot Werelderfgoed. Ik vind het altijd heerlijk als ik er weer ben. Alleen al de typische geur, die schone boslucht, maakt dat ik me thuis voel.”

PS

Mariët Meester schrijft romans en non-fictie. Voor haar nieuwe boek Koloniekind (€ 21,99, Arbeiderspers) kroop ze in de huid van het meisje dat ze ooit was.

Styling: Maartje Bodt, Alana Lievens. | Haar en make-up: Wilma Scholte. M.m.v.: LolaLiza (jurk), Steve Madden (pumps) | Interview: Krista Izelaar | Fotografie: Petronellanitta

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden