Renée Beeld Petronellanitta
RenéeBeeld Petronellanitta

Renée moest gedwongen haar kind afstaan: “Niemand vroeg hoe het met mij ging”

Renée de Bode (74) beviel als tienermoeder in 1967 van een zoon. Ze stond hem gedwongen af ter adoptie. “Het kwam niet in me op om te zeggen dat ik zelf voor mijn baby wilde zorgen.”

Deborah LigtenbergPetronellanitta

“Alle voetstappen op de gang telde ik. Ik weet ook nog steeds hoe ze klonken, piepend op de geboende vloer van het ziekenhuis. Ik wachtte op de mensen die mijn zoon bij me weg zouden halen. Ik keek naar mijn baby, die een schattig aardbeienneusje had, met van die witte stipjes. Hij was zó mooi en rook verschrikkelijk lekker. Daarnaast rook ik ook een ziekenhuisgeurtje. Nog steeds word ik misselijk als ik die geur in mijn neus krijg.

Tommie. Ook al mocht ik hem als negentienjarige niet bij me houden en ging hij naar een kindertehuis, ik mocht hem wel een naam geven. Na een traumatische bevalling – ik was totaal niet voorbereid op wat me te wachten stond – werd Tommie bij me weggehaald. Ik was negentien, destijds minderjarig, en had niets over hem te zeggen. Op de ziekenzaal, waar ik na de bevalling kwam te liggen, werd aan iedereen verteld dat mijn kind doodgeboren was. Mijn tranen waren niet te stoppen, maar er was niemand die me troostte. Een gynaecoloog die medelijden met me had, bood aan dat ik in zijn kamer Tommie nog één keer mocht zien. Dus daar zat ik. Voor de eerste en laatste keer met mijn kind. Een gezonde zoon van zeven en een halve pond, maar hij was niet voor mij. Ik kon niet stoppen naar hem te kijken, prentte zijn gezichtje in mijn geheugen. Vanaf het moment dat er krakende schoenen voor de deur stopten en de deur openging, zit er een gat in mijn geheugen. Het allerlaatste moment met Tommie, hoe hij van me weggenomen werd, ik weet niet meer hoe het was.”

Zogenaamde abortus

“Ik had een relatie met mijn baas. Hij was tien jaar ouder, getrouwd, had een kind en zat vol mooie beloftes. Zoals dat hij zou regelen dat ik een abortus kreeg. Dat wilde ik ook echt. Ik was radeloos, ik kon geen kind krijgen. De schande was te groot. Die zogenaamde abortus was een vreselijke ervaring. Na een ruw inwendig onderzoek door een horkerige arts, begon ik te vloeien. Die kerel zei dat dit het begin was van een miskraam, maar dat was niet zo. Kennelijk wilde dit kind geboren worden, dat moest dan maar. Al had ik geen idee hoe en wat.

De verliefdheid op mijn baas zakte weg toen zijn mooie praatjes als ‘Ik ga weg bij mijn vrouw en dan voeden we samen ons kind op’, geen werkelijkheid werden. Ik stond er helemaal alleen voor. Die eenzaamheid, ik denk dat meer tienermoeders dit hebben. Ook nu nog. De schaamte, je geen raad weten, het is een ongelooflijk rotgevoel.”

Mak schaap

“Wie kon mij helpen? Mijn moeder in elk geval niet. Nadat ik eindelijk durfde te vertellen dat ik zwanger was, lag ze huilend in bed. Er was háár iets vreselijks aangedaan, wat moesten de buurt en familie wel niet van háár denken? Niemand vroeg hoe het eigenlijk met mij ging. Ik kan daar nog om huilen. Er werd niet meer met mij, maar alleen óver mij gesproken. Adoptie, dat werd door mijn ouders gezien als dé oplosing. Het kwam niet in me op om te zeggen dat ik zelf voor mijn baby wilde zorgen. Ik was een mondig kind, maar de zwangerschap had mij veranderd in een mak schaap. Ik liet me verstoppen bij mijn zus, die met haar man 25 kilometer verderop woonde. Tegen de buurt en familie werd gezegd dat ik een tijdje op de Veluwe ging werken. Mijn zus was een lieverd, het was fijn bij haar. Behalve dan dat ik op mijn kamer moest blijven als er bezoek kwam die mijn familie kende. Ik plaste dan op een emmer, want stel dat iemand hoorde dat de wc werd doorgetrokken.

Toen ik na de bevalling na tien dagen ziekenhuis weer naar huis ging, werd er niet meer over gepraat. Mijn moeder maakte een opmerking dat ze blij was dat ik weer in mijn maatje 34 paste. Zo was het alsof er niets was gebeurd. Ik had Tommie nog niet officieel afgestaan en wilde het liefst zelf voor hem zorgen. Een andere baan zoeken, een eigen huis. Mijn vriend was inmiddels exit en ik wilde het zelf gaan doen. Maar geen huiseigenaar die woonruimte aan mij wilde verhuren. Het was 1967, de zogenaamde vrije jaren zestig, maar Nederland was ook nog zo bekrompen als wat. Keer op keer werd de hoorn erop gegooid als ik vertelde dat ik voor mij en mijn zoontje een huis zocht.”

Goede antwoorden

“Ondertussen drongen mensen van de Elbrecht Stichting, een club voor ‘gevallen meisjes’ erop aan dat ik Tommie afstond. Er waren adoptieouders voor hem gevonden. In het nauw gedreven besloot ik kennis met deze mensen te maken. Het waren vriendelijke mensen, die precies de antwoorden gaven die ik wilde horen. Als Tommie later balletdanser wilde worden, dan mocht dat. Zijn naam? Prachtig, die zouden ze niet veranderen. Samen met de maatschappelijk werker van Elbrecht zat ik met ze aan tafel. Drie volwassenen tegenover een negentienjarig kind. Ik gaf me over. De jurk die ik die dag droeg, gooide ik weg. Ik kon hem nooit meer aan zonder aan die afschuwelijke ervaring te denken. Kort daarna kreeg ik een brief van de Raad van de Kinderbescherming dat Tommie officieel geplaatst werd. Ik heb nooit ergens getekend. Nooit officieel toestemming gegeven. Het gebeurde gewoon.”

Depressief

“Jaren later leerde ik Ad kennen, de liefde van mijn leven. Hij stelde voor Tommie terug te halen, maar ik vond dat we hem dat niet aan konden doen. Hij was vijf, ik wilde hem niet uit zijn veilige omgeving halen. Ad en ik kregen zoons, wat me geregeld depressief maakte. Hoe dolblij ik ook was met mijn zoons, er ontbrak er eentje. Het voelde als verraad aan Tommie. Hem kon ik niet houden, deze kinderen wel. Schuldgevoel, verdriet, ik zat vol onverwerkte emoties. Had Tommie het goed? Was hij boos op mij? Dat soort vragen lieten me niet los.

Het antwoord kwam in 2003, toen ik een brief van de Raad voor de Kinderbescherming kreeg. Mijn zoon, een volwassen man van 36, wilde contact. Het maakte me doodnerveus, ik durfde het niet eens tegen Ad te zeggen en bewaarde die brief wekenlang in mijn tas. Behalve Ad wist niemand hiervan. Hoe moest ik aan mijn vriendinnen en kinderen vertellen dat ik iemand was die haar kind weggaf? De oude schaamte kwam boven.

Op een gegeven moment wilde Ad weten wat er was. Tranen met tuiten heb ik gehuild. Daarna heb ik het mijn zoons verteld, die heel begripvol waren. En ik heb Rik, want zo hebben zijn adoptieouders hem genoemd, ontmoet. Ik herkende hem meteen, we lijken op elkaar. Hij was niet boos op me, maar nieuwsgierig naar zijn geboortemoeder. Hij wilde weten hoe het was gegaan. Na die eerste ontmoeting bij de Raad voor de Kinderbescherming zijn we heel voorzichtig het contact gaan opbouwen. Inmiddels zijn we onderdeel van elkaars leven. Als ik jarig ben, is hij er ook met zijn gezin. Hij noemt mij gewoon Renée, dat vind ik prima. De echte moederrol ligt bij zijn adoptiemoeder, die heel goed voor hem heeft gezorgd. Dat ik weer contact heb met mijn zoon, heeft me veel rust gebracht. Toch blijft de pijn. Een kind bij een moeder weghalen is onmenselijk.”

Renée de Bode schreef een boek over de problematiek van adoptie: Een gemiste kans (€ 19,95, Uitgeverij Aspekt).

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden