PREMIUMnu alvast lezen

Het nieuwe Libelle Bookazine: Marilla door Sarah McCoy

null Beeld  Arcangel
Beeld Arcangel

Het dorpje Avonlea biedt de jonge Marilla weinig toekomst als zij na het overlijden van haar moeder voor het huishouden moet zorgen. Dan raakt ze als vrijwilliger voor een weeshuis politiek betrokken. Durft ze haar dromen te volgen? Lees hier een voorpublicatie van het nieuwe Libelle Bookazine.

Sarah McCoy Arcangel

Februari 1837

Tijdens een sneeuwstorm schijnen zon en maan hetzelfde. Ze werpen dezelfde schaduw, met vage randjes, als paardenbloemen in een briesje. Dat viel Marilla op toen ze het silhouet van de slee van haar vader over het besneeuwde pad zag aankomen. De Farmer’s Almanac had een zachte winter voorspeld. Maar het was eind februari en de sneeuwbanken werden alleen maar hoger, waardoor de dertienjarige Marilla zich afvroeg of het ooit nog lente zou worden. Het was moeilijk om je de appelgaard bloeiend en groen voor te stellen onder deze deken van wit en schaduw. Ze keek uit het nieuwe zitkamerraam. Het was de grootste kamer van het huis en had tot dan toe gediend als slaapkamer voor het hele gezin Cuthbert: Marilla, haar moeder Clara, haar vader Hugh en haar broer Matthew, en dan ook nog een schuwe witte kat genaamd Skunk. Marilla had hem in een juten zak aangetroffen op de oever van de beek die door het bos achter hun schuur stroomde. Iemand had geprobeerd het arme dier om te brengen. Maar Marilla en Clara hadden hem verwend met warme melk en vis tot zijn vacht glansde als ijs. Hij vertrouwde nog steeds geen vreemden, maar dat kon Marilla hem niet kwalijk nemen. Haar vader had vlak voordat het was gaan sneeuwen de nieuwste toevoeging aan de hoeve afgemaakt: de slaapkamers onder het geveldak en de kamer voor de knecht op de eerste verdieping, hoewel ze nog geen knecht hadden die er kon slapen. Matthew was eenentwintig en werkte al zo lang Marilla zich kon herinneren voor hun vader. Aangezien het in eerste instantie niet meer was dan wat velden, een schuur en een hut met maar één kamer verwezen de meeste mensen in Avonlea ernaar als ‘dat hok van de Cuthberts’. Maar dat zou allemaal gaan veranderen zodra het lente werd en iedereen de puntgevel zou zien, áls ze hem tenminste zouden kunnen zien. Hugh had tot Clara’s onnoemlijke irritatie besloten de fundering bijna vierhonderd meter van de hoofdweg naar Avonlea aan te leggen. “Dan hebben we in ieder geval genoeg tijd om het huis te vergrendelen als er iemand van de Pye-clan langskomt”, had hij geplaagd. Daar had zelfs Matthew om moeten grinniken, die niet voluit durfde te lachen omdat hij zich schaamde voor zijn scheve voortand. De familie Pye was ‘trots en weerspannig’, had Marilla een van de dames uit de kerk horen zeggen. Ze had zelf nog nooit iemand van de familie gezien, behalve dan de mantel van de oude weduwe Pye, die als een paar kraaienvleugels om haar heen flapperde. Ze ging uit van het ergste. “Maar als ik nou naaigaren moet lenen, of een pot jam?” had Clara bezorgd gevraagd. “Dan zal ik een flinke wandeling moeten maken om de dichtstbijzijnde buren te bereiken.”

null Beeld

“Nou, dan kun je maar beter hier blijven.” Hugh was pijnlijk verlegen en streng gelovig. Zijn huis was zijn heiligdom. De familiebijbel lag altijd op de tafel in de zitkamer en hij las er elke avond het gezin uit voor voordat Clara zijn thee met whiskey voor hem maakte. Hij ging met tegenzin naar de kerk, niet vanwege de preek, waar hij van genoot, maar vanwege de kerkgangers die na de dienst tussen hem en zijn rijtuigje stonden. Matthew leek wat dat betreft op zijn vader en het tweetal probeerde tijdens het sociale uurtje na de dienst altijd zo snel mogelijk weg te glippen. Maar dat was nou net Clara’s favoriete moment. Marilla stond graag stil naast haar moeder te luisteren naar het geroddel van de vrouwen over de gebeurtenissen van de voorgaande week. Dat was bijna net zo interessant als de verhalen in Godey’s Lady’s Book, die ze van meneer Blair de kruidenier kreeg en onder haar matras verstopte. Haar ouders accepteerden geen zinledigheid, en lezen was in hun ogen zinledig. Zodra Marilla ook maar een minuutje overhad, droeg Clara haar op nog een paar wanten te breien – daar kon je er nooit genoeg van hebben – of verder te gaan met de gebedsshawl die hun zondagsschoolklas jaarlijks aan de weeskinderen in Nova Scotia schonk. “Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde”, citeerde Clara dan, en tegen de Bijbelse Kolossenzen kon Marilla niets inbrengen. Maar soms had Marilla geen zin om naast haar moeder te zitten breien of achter haar broer aan te lopen naar hun tuin bij de weide. Soms wilde Marilla, hoe zondig ze ook wist dat dat was, gewoon doen waar ze zin in had. Als het haar lukte ging ze met haar tijdschrift naar het zilversparrenbos, waar ze dan de beek volgde tot die uitkwam in een poel die in tweeën werd gedeeld door een esdoorn die er midden in groeide. Dan zat ze op haar eilandje terwijl het water om haar heen kabbelde en las ze tot het zonlicht ijl en schuin door de bomen scheen. Dan liep ze naar huis en plukte een mand vol veldzuring voor de soep. “Het kost altijd zo veel tijd om een goed veldje met zuring te vinden”, zei Marilla dan tegen haar moeder. Wat niet onwaar was. De konijnen knabbelden vrijwel alle zuring op. Nu ze aan de frisse, citroenachtige smaak van het kruid dacht, liep het water haar in de mond. Ze aten al weken niets anders dan knollen en ingemaakte groente uit de kelder. De wolken hingen laag en hoewel het midden op de dag was leek het wel middernacht. Hughs paard-en-slee ploeterden moeizaam tegen de wind in. “Moeder”, riep Marilla. “Vader komt eraan.” Clara stond in de keuken soesjes te maken om hun gast mee te verwelkomen. Ze veegde nu ze het nieuws hoorde de bloem van haar kin en probeerde de koordjes van haar schort los te trekken, die ze om haar indrukwekkende buik had geknoopt. “Ik snap niet hoe ik ze dicht heb gekregen”, mompelde ze terwijl ze links en rechts om haar buik heen reikte in een poging een koordje te pakken te krijgen. “Marilla!” Ze gaf het uiteindelijk op. “Kom je je moeder even uit de knoop halen?” Clara leunde tegen het raamkozijn in de keuken. De kou was een opluchting. Zweetdruppels van de inspanning stonden op haar voorhoofd. Dokter Spencer had haar gewaarschuwd dat ze moest oppassen. Ze had voor de geboorte van Marilla twee keer een miskraam gehad, en toen nog een, voordat deze een blijvertje was gebleken. De baby’tjes waren zo vroeg in hun ontwikkeling gestorven dat ze niets te begraven hadden gehad behalve seizoensbloemen, altijd van de lente. Dominee Patterson had gezegd dat God elk hartje zag, zelfs als je het zelf niet kon zien. Dus hadden ze herdenkingskruisjes neergezet op een heuveltje dat op de zee uitkeek. Dokter Spencer was een moderne arts. Hij had haar geadviseerd naar haar lichaam te luisteren en had gezegd dat twee kinderen misschien het maximum was wat haar lichaam aankon en dat dat twee zegeningen meer waren dan die van heel veel vrouwen die hij kende. Maar Clara herinnerde zich de tijd dat Hugh haar het hof had gemaakt nog zo goed. Hij had verteld dat hij minstens de helft van de Bijbelse zonen van Abraham wilde om op zijn boerderij te werken.

null Beeld

Ze waren toen jong en naïef, maar dromen bleven je je hele leven bij. Ze voelde teleurstelling dat ze hem zo veel minder had geschonken. Hugh zei er nooit iets over, maar hij was ook een man van weinig woorden. Marilla stond al bij haar, trok de koordjes los en vouwde het schort netjes op. De geur van boter vulde de lucht. De soesjes stonden op het punt om te hard te worden. Clara opende haar mond om dat te gaan zeggen, maar Marilla stond al bij de oven en haalde met de kracht van een volwassen vrouw het gietijzeren bakblik eruit. Clara raakte haar gezwollen buik aan. Wat werden ze toch snel groot. “Zal ik ze vullen met pruimen- of appeljam?” vroeg Marilla. Het was de eerste keer dat ze haar tante Elizabeth, of Izzy, zoals haar moeder haar noemde, zou ontmoeten. Of in ieder geval de eerste keer die ze bewust meemaakte. Izzy was naar Opper-Canada verhuisd toen Marilla vier was en had sindsdien geen voet meer op Prince Edward Island gezet. Toen Marilla had gevraagd waarom ze nooit meer terug was geweest, had Clara eenvoudigweg haar schouders opgehaald. “Iedereen had het denk ik te druk met zijn leven.” Dat leek een oprecht antwoord. Maar nu er een baby op komst was, kwam Izzy haar zus met de bevalling helpen. Dat had ze bij Matthew en Marilla ook gedaan. “Alleen wat zoete boter”, zei Clara. “Je tante houdt van vakkundig gebakken, eenvoudig gebak.” Marilla fronste haar wenkbrauwen. Wat was een soesje zonder fruitvulling? Een leeg soesje. Ze zette de botervloot naast een pot pruimenjam op een gesteven servet. Ze vond het leuk om Izzy te ontmoeten, maar ze was ook nerveus. Of ze nu familie was of niet, Izzy was een gast en een onbekende. “Vinden haar kinderen en man het niet erg dat ze zo lang weg is?” vroeg Marilla. Het echtpaar Cuthbert had niet veel verteld over hun gast. Hugh en Clara kenden haar goed en Matthew was met zijn tante opgegroeid tot het jaar dat ze naar het noordwesten was vertrokken. Dus leek het geen onderwerp dat besproken hoefde te worden. Iedereen wist alles wat het weten waard was al. Behalve Marilla. “Ze heeft geen man en kinderen. Dat weet je toch, lieverd?” O, ja. Clara had het haar eens verteld. Niettemin vond Marilla het moeilijk om zich een volwassen vrouw in haar eentje voor te stellen. Ze kende in heel Avonlea geen enkele vrouw van de leeftijd van haar moeder die geen man of kinderen had. Zelfs de weduwen hadden kinderen, en de kinderloze vrouwen hadden een man. Dat Izzy allebei ontbeerde maakte dat Marilla zich afvroeg of er iets mis was met Izzy. “Ze is succesvol naaister in St. Catharines.” Clara trok aan de gekleurde stof die scheef over haar schouders hing. “Misschien kan ze ons helpen nieuwe jurken te maken, voor het voorjaar.” Clara was niet erg goed met naald en draad. Dat zou Marilla nooit hardop zeggen. Als ze een jurk kreeg die Clara had gemaakt, zoomde ze hem zelf opnieuw, werkte ze de knoopsgaten bij en bond ze er een lint omheen om een taille te creëren. Dat was gemakkelijk te doen en zo kon ze onopvallend voorkomen dat ze haar moeder zou kwetsen. Marilla stelde zich voor dat als haar moeder een wezen uit de natuur zou zijn, ze een vlinder was die vrolijk en stil rondfladderde over het veld terwijl ze deed wat ze moest doen, bevallig en mooi. Maar de lichtste hand zou haar kunnen vermorzelen. Marilla zag zichzelf als rups, lang en dun en gestaag in beweging. Haar vader en Matthew zouden appelbomen zijn. Sterke verzorgers die in stilte het gewicht van de seizoenen torsten. Zo zag ze ze voor zich in haar dagdromen waarin ze, zo merkte ze, steeds vaker terechtkwam. Haar schoolmeester, meneer Murdock, zei dat een lankmoedige geest een zondige geest was. Maar ze had haar vader eens tegen haar moeder horen zeggen dat meneer Murdock had gestudeerd aan een of andere pretentieuze academie in York en dat hij iedereen in Avonlea minderwaardig vond. Hugh zei niet veel, dus áls hij wat zei, maakte het indruk op Marilla. Het lukte haar nadien niet meer om meneer Murdock nog volledig te vertrouwen. Ze geloofde het niet als hij 2 + 2 = 4 zei, tot ze het zelf had bewezen.

null Beeld

Op dat moment ging de keukendeur open die naar de veranda achter het huis leidde. Er waaide een wolk sneeuw naar binnen, zo de warmte in, en hij dwarrelde smeltend op de vloer neer. “Vader en Jericho komen via de laan.” Matthew had zijn armen vol met droog hout. Hij stampte de sneeuw en het ijs van zijn laarzen. “Ik zal even het vuur opstoken voordat ik Jericho op stal zet. Het is bar koud buiten.” “Dank je, zoon.” Clara rechtte haar rug en drukte een hand tegen de zijkant van haar buik. “Hebt u weer pijn?” vroeg Marilla. Hoewel haar moeder een vredige gezichtsuitdrukking had, zag ze de duisternis in haar ogen. “Kramp. Dat komt door de kou. De baby zal er wel last van hebben.” Marilla deed de deur dicht en prikte met een pook in het vuur om het op te stoken. Ze zou even zwarte thee zetten voor bij de pruimensoesjes. Het was pas halfeen, maar op dagen als deze kon het altijd theetijd zijn. Uit het licht kon je niet afleiden hoe laat het was. “Ga maar even bij de haard in de zitkamer zitten”, zei ze tegen haar moeder. “Dan zet ik thee.” Toen vroeg ze zich hardop af: “Drinkt tante Izzy thee?” Meneer Murdock had verteld dat sommige mensen aan de grens van Beneden-Canada na de Boston Tea Party in Amerika geen thee meer dronken: ze hadden 342 kisten thee in de haven gegooid. Driehonderd-tweeënveertig: Marilla was goed met cijfers en vond het altijd een interessant getal. Vier tussen drie en twee. Meneer Murdock vond haar ezelsbruggetje een “interessante manier om naar de feiten te kijken, van het eind naar het begin”, wat het dichtst bij een compliment kwam van alles wat hij ooit tegen haar had gezegd. Ze was op haar zevende naar school gegaan, maar ondertussen leerde ze thuis. Ze hoopte dat ze na de geboorte van de baby haar school kon afmaken. Ze hoefde nog maar twee klassen voor het examen. “Natuurlijk drinkt ze thee!” zei Clara lachend. “Marilla, maak je toch niet zo druk of je het mensen wel helemaal naar de zin maakt. Tante Izzy houdt van je en ze zal nog meer van je houden als ze ziet hoe groot je bent geworden.” Ze kuste Marilla op het voorhoofd en Marilla rook haar zoete, melkachtige geur. Marilla wilde het haar tante helemaal niet ‘helemaal naar de zin’ maken. Ze wilde haar alleen niet voor het hoofd stoten. Ze vulde de ketel met water uit de cisterne in de keuken en zette hem met licht gekletter op het fornuis. Clara keek over haar schouder toen ze het hoorde, maar ze liep verder naar de zitkamer. Nu Marilla alleen was met haar gedachten maakte ze zich zorgen dat haar dierbaren deze buitenstaander beter kenden dan zijzelf. En nu kwam Izzy maandenlang bij hen wonen. Ze hadden nog nooit zo lang een logee gehad. Ze hadden hoe dan ook nog nooit een logee gehad. De kamers onder het geveldak waren net klaar. Er waren in het verleden alleen knechten blijven slapen, en dan altijd op de zolder in de schuur. Izzy was de eerste officiële niet-Cuthbert die onder hun dak sliep, en Marilla leek de enige te zijn die dat niet alleen maar leuk vond.

null Beeld

Over de auteur

Sarah McCoy bracht haar jeugd in Duitsland door en studeerde aan Virginia Tech en Old Dominion University. Van haar debuut De bakkersdochter zijn in Nederland ruim 200.000 exemplaren verkocht. Ook haar romans Het oude huis en Het gefluister van de bladeren waren zeer succesvol.

Over het boek

Als haar moeder in het kraambed sterft, moet de 13-jarige Marilla het huishouden draaiende houden op de boerderij waar ze woont met haar vader en haar broer. Het leven in Avonlea biedt het meisje weinig keuzes, hoe slim en ambitieus ze ook is. Geïnspireerd door haar tante Elizabeth, die naaister is in de grote stad, durft Marilla steeds meer te ondernemen. Maar is ze ook in staat die grote stap te zetten?

PS

Lees het complete verhaal van Marilla Cuthbert in Libelle Bookazine 11, vanaf 13 oktober in de winkel. Of bestel ‘m voor 4,99 bij LosseBladen.nl.

Auteursfoto: Emily Martin

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden