Ontvang wekelijks de e-column van Manon (dochter Anne-Wil)

Zoek binnen:

Interview met Connie Palmen

Bij Connie Palmen thuis. Meteen achter de deur een langgerekte woonkamer met een houten vloer, veel kunst aan de muur en rode banken. Op de kasten overal foto’s: van Hans van Mierlo, van hun huwelijk in de Amsterdamse Rode Hoed, van een vakantie samen met Hans’ dochter Marieke en haar kinderen. Het is een onbarmhartig jaar geweest voor de schrijfster – een woord dat ze ook gebruikt in de titel van het logboek dat ze schreef over de periode na de dood van haar man: Logboek van een onbarmhartig jaar. In hetzelfde jaar overleed ook Marieke, met wie Connie een hechte band had. Het boek verschijnt precies twee jaar nadat Hans en Connie trouwden. Het was op 11 november 2009, toen ze elf jaar en elf dagen bij elkaar waren.

We zitten aan de grote tafel, in een ruimte die vroeger de binnentuin van het grachten­pand was. Nu biedt het dak van glas zicht op de hemel. Ze moet er nog aan wennen om over het boek te vertellen, zegt Connie terwijl ze thee zet in de aangrenzende keuken en in een pan op het vuur roert. Meer dan een jaar was het van haar, nu gaat haar verhaal de wereld in. “Doodeng”, vindt ze het. “Mijn vorige boek over de dood (I.M., over haar eerder overleden partner Ischa Meijer, red.) was ook heel persoonlijk, maar was literair opgezet en het verhaal was bewerkt. Toen begon ik pas twee jaar na zijn dood met schrijven en bedacht ik eerst de vorm en de thematiek, terwijl ik nu 48 dagen na het overlijden van Hans ben gaan schrijven zoals ik nog nooit geschreven had. Het is een logboek over rouw geworden. Een rauw boek. Dit keer ontbreekt de buffer tussen mij en mijn lezerspubliek: ik word niet beschermd door het romaneske, het literaire. Ik kan me nergens achter verschuilen.” Ik schaam me voor hoe ik schrijf, noteer je ergens.
“Het was een vreselijk boek om te schrijven en ik had het liever niet geschreven. Een logboek of dagboek is mijn genre niet. Ik heb er niets op tegen, maar ik ben gemaakt voor de roman, waardoor dit boek een tour de force werd. Maar het was het enige wat ik na de dood van Hans kon schrijven. Ook al wordt het pathetisch, zeurderig of jammerig, dacht ik, ik schrijf het op. Op een dag ben ik een eerste zin gaan maken. Hoe meer ik de regels van het dagboek schond, hoe interessanter het schrijven werd. Door bijvoorbeeld de thematiek in te dikken, tekst weg te gooien en te spelen met data kwam het genot van het schrijven terug.”

Advertentie

Waarin lag de noodzaak van het schrijven?
“Ik realiseerde me dat ik de pijn die ik op dat moment voelde weer zou vergeten en dacht: allemachtig, nu maak ik het voor de tweede keer mee en straks ben ik het weer allemaal kwijt. Die gedachte voelde als een soort verraad en afscheid en daar werd ik verdrietig van. Toen heb ik mezelf gedwongen. De eerste maanden was het een soort dwangarbeid, ik deed het tegen heug en meug. Maar het dwong me om stil te staan bij wat ik doormaakte, wat rouw is. Hoe fysiek rouw is. De zinnelijkheid van het gemis. Hoe je lichaam zich gedraagt, hoe het in de war is.”

Je hebt eerder een geliefde verloren, Ischa Meijer. In I.M. schreef je: ‘Ik zie me de tijd, de toekomst niet doorkomen zonder Ischa’. Toch is het je gelukt en kreeg je een nieuwe relatie. Geeft dat geen troost, het idee dat het leven weer beter kan worden?
“Ik wist het, maar in het verdriet is het een abstracte gedachte en het helpt niet. Je kunt het vergelijken met mensen die depressief zijn, die weten ook dat ze er eerder zijn uitgekomen, maar als ze er middenin zitten, zien ze dat niet. De verbeelding schiet werkelijk tekort in dit soort gruwelijke tijden. Je kunt er niet boven gaan staan en moet het als een dier ondergaan. Vervolgens is het zaak om het niet als een nederlaag te beschouwen als er dan toch een andere man komt. Ik herken de gevoelens van de periode na Ischa’s dood wel. Dat rouw zo lijkt op verliefdheid bijvoorbeeld, dat je zo graag bij iemand wilt zijn. En die achtbaan, dat continue jakkerige gevoel in je lichaam. Je organen die een eigen leven gaan leiden en niet tot rust zijn te brengen. En het verschrikkelijke onvermogen om alleen te kunnen zijn. Je hebt anderen nodig om je erdoorheen te trekken. Ik heb grandioze vrienden die hier elke avond kwamen. Mijn jongste broer komt nog steeds elke zaterdag. Hij dacht heel terecht: ze heeft structuur nodig. Op zaterdag kookte Hans altijd voor me en dat doet hij nu. Daarna kijken we detectives, zoals ik ook altijd met Hans deed.”

Logboek van een onbarmhartig jaar – Connie Palmen, uitgeverij Prometheus € 19,90

voor jou geselecteerd

Laat meer voor jou geselecteerd zien