Exclusieve artikelen en onbeperkt puzzelen voor € 2,99 per maand

Zoek binnen:

Rob Jetten en zijn moeder in gesprek: "Het was wel even wennen aan zijn nieuwe leven"

Hoe is het als je zoon ineens fractievoorzitter van D66 wordt, en het middelpunt van de belangstelling op social media? Een dubbelinterview met Rob Jetten (32) en zijn moeder Yvonne (62): “Rob was altijd een kind dat, hoe noem je dat, onderscheidend wilde zijn.”

Of hij midden op straat zijn moeder een zoen wil geven voor de foto? Natuurlijk, daar gaat Rob al: smak! De dames op het terrasje kijken vertederd toe, het is niet moeilijk om te zien dat de nieuwe fractievoorzitter van D66 (de jongste ooit; hij is 32) close is met zijn moeder Yvonne. “Dat zouden we vaker moeten doen”, lacht ze. “De familie-app gaat de hele dag door”, vertelt ze even later aan tafel in een Utrechts café. “Maar afspreken moet op basis van zijn agenda.” Haar oudste kind oogt fris en opgewekt, zijn haar even goed gestyled als altijd. Dat hij vannacht maar drie uur heeft geslapen, zou je niet zeggen, al is de cappuccino die hij bestelt misschien niet geheel toevallig.

Advertentie

R: “Een tijdje geleden stuurde mijn moeder een app: ‘Mag ik je even storen?’ Dat vind ik altijd schattig, dat mijn ouders dat eerst vragen. Toen belde ze en bleek ze een nieuwe baan te hebben. Echt het laatste waar ik aan dacht, maar ik vond het heel stoer.”
Y: “Toen mijn man met pensioen ging, dacht ik: nu kan ik ook stoppen óf nog een stapje maken. Sinds kort ben ik Toezichthouder Wet Kinderopvang. Daarvoor heb ik jarenlang in de gezondheidsbevordering gewerkt.”
R: “Een van mijn eerste herinneringen is dat ik in groep 1 zat en mijn moeder langskwam om gezondheidsles te geven. Met zo’n groot nepgebit probeerde ze rustig aan de klas uit te leggen hoe je moest poetsen, maar ze werd iedere keer onderbroken door een stemmetje dat telkens iets te vroeg antwoord gaf, en dan erachteraan zei: ‘Ja hè, mama?’” Ze lachen allebei.
Rob is nu een klein jaar fractievoorzitter, moesten jullie je als gezin ook aanpassen?
Y: “Het was wel wennen aan zijn nieuwe leven. Al die media-aandacht, hij is ineens een soort BN’er. Eerst wilde ik alles over hem lezen, maar daar ben ik héél snel mee gestopt.”
R: “Jij was echt kwaad in het begin. Door al het gescheld op Twitter moet je heen lezen. Maar als er harde, cynische grappen over mij worden gemaakt, vind ik dat zelf wel grappig. In mijn allereerste week had ik een tv-interview met Frits Wester en op het moment dat ik voor de camera stond, wist ik al: dit gaat zó slecht.” (Rob gaf, onwennig in zijn nieuwe rol, steeds hetzelfde, keurig geformuleerde antwoord, ongeacht de vraag. Het leverde hem op social media de bijnaam ‘Robo Jetten’ op. Robotfilmpjes waren niet van de lucht.) “Om die reacties kon ik wel lachen. Maar het motiveerde me ook om meer van mezelf te laten zien.”

Diplomatiek en correct; klopt het beeld dat de buitenwereld van Rob heeft?
Y: “Vroeger kon hij ook heel ongeduldig zijn. Dat hij dat nu niet meer doet, zou je diplomatiek kunnen noemen, maar dat woord kan ook een nare bijklank hebben.”
Als in: onecht?
“Ja, maar zo vind ik hem helemaal niet. Hij is zoals hij is; als ik hem op tv zie, zie ik gewoon mijn zoon.”
R: “Toen ik jonger was, kon ik me óveral druk om maken. Over wat er in de wereld gebeurde, maar ook op school: als de docent het niet met mij eens was, kon ik er rustig het hele lesuur aan besteden om mijn gelijk te halen. Op de basisschool ben ik ooit de klas uit gestuurd omdat ik zéker wist dat de hoofdstad van een Latijns-Amerikaans land anders was dan de leraar zei. Op zulke momenten kon ik nogal driftig worden. Maar ja, ik had wel gelijk.”
Y: “Die leraar noemde jou ook bij je achternaam.”
R: “Daar kon ik helemáál niet tegen. Het was omdat er nog een Rob in de klas zat, de rest van de klas werd wel bij de voornaam aangesproken. Onrecht vond ik dat. Tegenwoordig heb ik geen zin meer om me druk te maken over dingen waar ik niks aan kan doen, of over mensen die een vooroordeel hebben over mijn persoonlijkheid of mijn homoseksualiteit. Want dan loop ík ermee rond.”
Y: “Je wist al jong wat je wel en niet wilde, of het nou over sport of school ging. Soms vroegen we: ‘Moeten we je ergens mee helpen?’ En dan zei jij (op parmantige toon): ‘Als ik vragen heb, dan kom ik wel.’”
Rob moet hard lachen.

Vanaf je tiende las je elke ochtend de krant.
R: “En ’s avonds wilde ik Het Journaal zien. Toen is mijn interesse in politiek begonnen, denk ik. Later, na de moord op Theo van Gogh, is bij ons in Uden een islamitische basisschool afgebrand, dat heeft veel indruk op me gemaakt. Uden is een gezellig dorp waar iedereen goed met elkaar omgaat, het raakte me dat we werden afgeschilderd als een plek waar alle groepen tegenover elkaar stonden. Om mensen weer bij elkaar te brengen, heb ik een sportdag voor de kinderen van die school georganiseerd. Later mocht ik de gemeenteraad toespreken. Toen dacht ik: hé, als je jong bent en interesse hebt in de wereld, kún je daar blijkbaar iets mee.”
‘Een nerdje’ noemde je je vroegere zelf in een eerder interview. Werd je gepest?
“Dat valt eigenlijk wel mee. Ik zat op een relaxte school, ik had een paar goede vriendjes en veel neefjes en nichtjes in het dorp met wie ik vaak speelde. Op de middelbare school heb ik wel een tijd gezocht: wie ben ik, bij welke groep hoor ik? Uden heeft een bloeiend verenigingsleven, je hoeft je er niet te vervelen, maar je komt wel overal dezelfde mensen tegen. Vrijheid of diversiteit was er minder.”
Y: “Toen Rob vijftien was, zei hij al: ‘Als ik ga studeren, ben ik weg.’ Toen het eenmaal zover was, dachten wij nog: eerst maar eens zien of de studie bij je past, dan vinden we na een paar maanden die kamer wel.”
R: “Maar ik had na mijn examen meteen een kamer geregeld.”

Speelde je homoseksualiteit een rol in dat besluit?
R: “Het speelde wel mee in mijn achterhoofd. Studeren was in die zin een bevrijding.”
Brabant heeft je coming-out een beetje bemoeilijkt, heb je weleens gezegd.“Ik weet niet of het in de grote steden veel makkelijker was geweest. Maar het rijke verenigingsleven van Brabant zorgt ook voor veel sociale controle. Als mensen gingen scheiden, wist iedereen dat óók. Je bent er mentaal altijd op voorbereid dat de rest er iets van vindt.”

Weet je nog wanneer je het aan je ouders vertelde?
“Toen ik zeventien of achttien was en voor het eerst verliefd werd. Mijn zusje vroeg zich op een gegeven moment af: waar hangt-ie in het weekend toch uit? Zij had het als eerste door, daarna heb ik het aan mijn moeder en vader verteld. Het duurde maar een paar weken, maar ik had die fling echt nodig. Zodat ik niet hoefde te zeggen: ‘Ik ben homo’, maar: ‘Ik ben verliefd op Simon.’ Homo klonk zo definitief en confronterend dat ik het liever vermeed. In de sport wordt het woord nog steeds als scheldwoord gebruikt. Bovendien waren er weinig rolmodellen, zeker op tv. Zodra het over homo’s ging, zag je een boot vol halfnaakte mannen op de Gay Pride, of Gerard Joling. Ik merkte dat mijn ouders zich zorgen maakten: hoe moet dat nou, kun je wel trouwen en kinderen krijgen, ga je gelukkig worden? Ik denk dat hun angst voortkwam uit die stereotypes, daar werd ik pissig van. Jullie kennen me toch, dacht ik, dan moeten jullie toch weten dat ik niet zo ben? Kijk gewoon naar wie ík ben en accepteer dat, dat was de strijd die ik thuis voerde.”
Y: “Voor ons was het even wennen, maar ik vond het ook fijn dat hij het vertelde. Als dat bijdraagt aan zijn geluk, ben je als ouders alleen maar blij. Maar we maakten ons ook zorgen.”

Je zus was ook bang dat je gepest zou worden.
R: “Ja, iedereen vond het spannend, maar verder dan flauwe grappen en opmerkingen is het nooit gegaan. Dat je in de kroeg staat en je de mensen met wie je net nog stond te praten tegen elkaar hoort zeggen: ‘Da’s die flikker.’ En dan net te hard, zodat je het hoort. Maar eigenlijk hebben we ons allemaal voor niets zorgen gemaakt. Mijn vriendengroep ging er goed mee om en langzaam heb ik het aan steeds meer mensen verteld. Nu ik weet hoeveel mensen van toen er inmiddels uit de kast zijn, denk ik: hoeveel makkelijker hadden we het elkaar kunnen maken als we het gewoon eerder hadden verteld.”
Acteur Rick Paul van Mulligen vertelde laatst over de eenzaamheid vóór zijn coming-out. “De zelfverloochening, dat was het ergst”, zei hij. “Telkens doen alsof je meisjes ging versieren, terwijl je zelf al lang wist dat je dat niet wilde.”
R: “Een beetje zoenen op de dansvloer hoorde er in de Brabantse discotheken wel bij, maar rond mijn vijftiende dacht ik: wat sta ik hier nou te doen? Ongelukkig was niet het goede woord, ik voelde me eerder een beetje sneu. Toen ben ik ermee gestopt. Ik ging nog wel stappen, maar niet meer met het idee: het is stoer als ik vanavond een meisje versier. Maar het was ook geen setting waarin je vervolgens een jongen ging versieren.”

Wist jij het al eerder, Yvonne?
“Op het moment dat hij echt uit de kast kwam, dacht ik: heb ik iets gemist? Daarvoor had ik wel een vermoeden, maar Rob was altijd een kind dat, hoe noem je dat, onderscheidend wilde zijn. Hij had een uitgesproken mening over kleding, zijn kamer richtte hij elke week anders in, als we de tuin gingen veranderen maakte hij stapels tekeningen. Hij voerde ook campagne, schreef met witte verf op de groene muur: Ik wil een hond. Ik heb een tijd gedacht: misschien is dit óók omdat hij bewust anders wil zijn. Niet dat ik dat hoopte, maar ik kon het niet goed inschatten. Toen hij echt uit de kast kwam, was het duidelijk en hebben we elkaar een dikke knuffel gegeven.”
R: “Wat ik heel erg vond: toen ik na mijn studie ging werken bij ProRail, vroeg ik me toch weer af of ik het moest zeggen of niet. Hoe zouden ze reageren? Ik worstelde ermee, zelfs na al die jaren. Toen ik fractievoorzitter werd, heb ik daarom besloten: laat ik mijn positie benutten om wél over mijn homoseksualiteit te praten en daarmee misschien anderen te helpen. Want ik krijg nog steeds mailtjes van mensen die zeggen: ‘Ik ben dik in de vijftig maar zit nog steeds in de kast.’ Of van jonge mensen die het niet aan hun ouders durven te vertellen.”

Wat adviseer je hen?
R: “Praat erover met iemand die dicht bij je staat, dan merk je waarschijnlijk dat ze veel positiever zijn dan je denkt. En je hoeft niet meteen met een big bang uit de kast te komen. Je kunt het ook rustig opbouwen.”

Heel diplomatiek, eigenlijk.
Lachend: “Ja, alweer.”

Interview Margot Pol. Fotografie Esmee Franken

voor jou geselecteerd

Laat meer voor jou geselecteerd zien