1e rang kaarten voor Mamma Mia! de musical, nu €29,-

Zoek binnen:

Presentatrice Edda wilde de DDR verlaten: "Ik belandde in een cel met 25 criminelen"

Het is zaterdag 30 jaar geleden dat de Berlijnse Muur viel. In het boek Statiegeld van mijn moeder vertellen 20 voormalige DDR-burgers over hun leven in een gesloten land. Hier lees je het huiveringwekkende verhaal van presentatrice Edda die door de Stasi gevangen werd gezet. “Littekens op het lichaam zijn zichtbaar, littekens op de ziel niet.”

In 1973 begon in Helsinki de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa. 35 landen, waaronder de DDR, namen deel aan de onderhandelingen. Met het ondertekenen van de slotverklaring (de Helsinki-akkoorden) in 1975 beloofde de DDR onder andere de mensenrechten, zoals vrijheid van reizen, van haar burgers te respecteren. De bekende DDR-presentatrice Edda Schönherz (1944) had vanaf het begin van de onderhandelingen weinig vertrouwen in de beloftes van de Staat. Ze kreeg gelijk. Toen ze bij de West-Duitse ambassade in Boedapest informeerde welke mogelijkheden er bestonden om met haar gezin naar West-Duitsland te vertrekken, kwam haar dat duur te staan.

Advertentie

Van het bed gelicht
“Het was iets voor zeven op een maandagochtend in september 1974. Mijn vriend en ik lagen nog in bed toen opeens de slaapkamerdeur openging. Ik dacht dat het mijn kinderen waren, destijds elf en twaalf. In plaats daarvan stonden er twaalf Stasi-agenten [1] aan ons bed: ‘Kommen Sie mit zur Klärung eines Sachverhalts.’ Een paar loodsten ons uit de slaapkamer, een paar doorzochten het huis. Ze keken zelfs in de kolenkelder, maar vonden niks. Wát een verrassing… Een week daarvoor was ik met mijn vriend en kinderen in Boedapest, waar ik bij de West-Duitse ambassade gevraagd heb welke mogelijkheden we hadden om het land te verlaten. Dat was het enige misdrijf dat we hadden begaan.”

Statiegeld voor hun moeder
“De keuze om die informatie in te winnen was een optelsom van duizend kleine dingen. Ik werkte als presentatrice en journaliste bij de DDR-televisie. De teksten die ik schreef, moest ik altijd acht dagen vóór een uitzending inleveren. Nadat ze gecensureerd waren, kreeg ik ze weer terug en mocht ik niks meer aanpassen. Ook niet als het nieuws inmiddels was veranderd. Dat accepteer je dan nog net, maar het was natuurlijk niet het enige. Vanwege mijn bekendheid werd ik steeds vaker uitgenodigd om gastoptredens te geven in het buitenland, bijvoorbeeld in Oostenrijk. Het was altijd heel ingewikkeld om daar toestemming voor te krijgen en mijn kinderen mochten nooit mee. Zij waren het statiegeld voor hun moeder: door hen in de DDR te houden, wist de Staat zeker dat ik terug zou komen. Onder dit soort omstandigheden wilde ik mijn leven niet blijven leven. Ik wilde reizen, ik wilde nieuwe mensen leren kennen. Bovendien wilde ik dat mijn kinderen later zelf konden bepalen wat en waar ze studeerden. Ik vond het belangrijk dat ze hun eigen weg konden kiezen en niet een pad moesten volgen dat door de dictatuur werd voorgeschreven.”

Verdacht gedrag
“In september 1974 was de DDR al betrokken bij de onderhandelingen over de Helsinki-akkoorden, die een jaar later werden ondertekend. Ik wist gewoon dat de DDR zich niet aan de gemaakte afspraken, zoals vrijheid van reizen, zou houden. Om dat duidelijk te maken ben ik op dát moment naar de West-Duitse ambassade in Boedapest gegaan. Bij de ambassade kreeg ik echter meteen te horen dat ze me niet konden helpen. ‘Kúnnen of wíllen jullie ons niet helpen?’ vroeg ik daarop. ‘U weet toch wat er op ons staat te wachten zodra we de ambassade verlaten?’ Ik wist dat alle ambassades werden geobserveerd, gefotografeerd en afgeluisterd. Bovendien viel het me op dat een paar ambassademedewerkers zich erg vreemd gedroegen. Ze vroegen een aantal dingen die ik verdacht vond, zoals onze verblijfplaats in Boedapest.”

“We stonden al snel weer buiten, zonder hulp of nuttige informatie te hebben gekregen. Een paar dagen later, toen we na een uitstapje terugkwamen in ons hotel, vertelde onze gastvrouw dat er mensen in onze kamer waren geweest en onze koffers hadden doorzocht. De Staatssicherheit wilde natuurlijk iets vinden wat zou laten zien hoe ver we waren met onze voorbereidingen om de DDR te verlaten. Mijn vriend had op de ambassade zijn mond voorbijgepraat en verteld waar we logeerden, maar anders hadden ze ons vast ook gevonden.”

‘U komt hier nooit meer uit’
“Toen we later aankwamen op het vliegveld, stond er in de vertrekhal een man van de Stasi. [2] ‘Ik denk dat we niet meer alleen zijn’, zei ik tegen mijn kinderen. Die man is met ons in het vliegtuig gestapt en vanaf dat moment hielden ze ons constant in de gaten. Ze dachten natuurlijk dat we iets zouden uitvreten, maar dat waren we helemaal niet van plan. Ik had alleen gevraagd wat de mogelijkheden waren.
Een week later stonden ze dus bij ons in de slaapkamer en namen ze me mee naar de Ruschestraße [3] in de wijk Lichtenberg. Het gebouw zag eruit als een heel normaal huis, maar achter de gevel zat een gevangenis verstopt. Ze moesten een reden vinden om me te kunnen opsluiten en hebben me 22 uur achter elkaar verhoord. Ik had ze niks te vertellen: nogmaals, het enige wat ik had gedaan, was informeren wat onze opties waren om het land te verlaten. Op een bepaald moment vloog de deur open. Een man met grote spleten tussen zijn tanden kwam binnen en lispelde kwaad: ‘U denkt dat we Edda Schönherz legaal laten vertrekken? Haal dat maar uit uw hoofd.’ Hij bedoelde dat ze me nooit toestemming zouden geven om het land voorgoed te verlaten. Ik moest als voorbeeld dienen voor andere bekende collega’s die met dezelfde gedachte speelden. ‘U komt hier nooit meer uit’, schreeuwde hij. Dat was Erich Mielke, de minister van Staatsveiligheid, maar op dat moment had ik dat niet door.”

Staatsvijand
“Na twee dagen moest ik voor de rechter verschijnen en kreeg ik te horen op welke gronden ik werd aangeklaagd. Dat waren: ‘staatsvijandelijke contactopname’, omdat ik de ambassade had bezocht; ‘illegaal voorbereiden van het verlaten van de DDR’, een bijzonder zwaar geval omdat ik samen met mijn vriend en kinderen een groep had gevormd; en ‘deviezenovertreding’, omdat ik geld bij me had gehad. Ik zei daarop: ‘U wilt dat de wereld uw Staat erkent [4], maar veroordeelt mij voor staatsvijandelijke contactopname? Het illegale voorbereiden van het verlaten van de DDR snap ik ook niet, want is een ambassade of een openbaar instituut iets illegaals? En wat die deviezenovertreding betreft: ik weet niet hoe u op vakantie gaat, maar ik neem altijd geld mee.’ Daar hadden ze niks tegenin te brengen. Natuurlijk niet, ik had gelijk. Toen ik aangaf dat ik graag met een advocaat wilde spreken, sprong de rechter achter zijn bureau vandaan. ‘Een advocaat?’ riep hij lachend, ‘U heeft ons toch? Laat het maar aan ons over om te bepalen of u een advocaat nodig heeft.’ Op dat moment wist ik dat ik aan ze was overgeleverd.”

De onderzoeksgevangenis
“Na mijn beschuldiging werd ik naar Berlin-Hohenschönhausen gebracht, de onderzoeksgevangenis [5] van de Stasi in Berlijn. Ik wist niet waar ik was, ik wist niet hoe het met mijn kinderen ging. Mijn kinderen waren erbij toen twaalf Stasi-medewerkers hun moeder meenamen. Ze hebben met eigen ogen gezien dat ik werd opgepakt, maar wisten niet waar ik heen werd gebracht. Ik maakte me enorm veel zorgen en wilde weten wat er met ze was gebeurd, maar niemand vertelde me iets.”

berlijnse muur .

Scheiß DDR
“Ik werd bijna elke dag verhoord. De Stasi wilde alles van me weten. Over mij, over de mensen in mijn leven. Ze wilden bijvoorbeeld weten of ik voorbereidingen had getroffen om het land te verlaten, of ik daarvoor contact had opgenomen met een organisatie en of ik anderen over mijn plannen had verteld. Ze probeerden ook te achterhalen wat mijn familie en vrienden van de Staat vonden, of ze bijvoorbeeld dachten: scheiß DDR. Als ik iets zou hebben losgelaten, dan zouden ze hen ook hebben geobserveerd.
De ondervragers waren opgeleid aan de Juristische Hochschule [6] in Potsdam, de universiteit van de Staatssicherheit [7]. In de jaren zestig begon de DDR met het verkopen van politieke gevangenen aan het Westen [8]. Ze zijn daarom overgestapt van fysieke marteling naar psychische marteling: littekens op het lichaam zijn zichtbaar, littekens op de ziel niet. Ik had me van het begin af aan voorbereid op met wie ik te maken had en wist dat het geen knuffelfestijn zou worden. Ik heb vroeger veel aan yoga gedaan en kon me tijdens de vele verhoren extreem goed concentreren. Ik dacht bijna constant, als een soort mantra: laat je niet uit balans brengen, laat ze niet binnenkomen. Dat werkte. Ik heb nooit iets losgelaten en heb altijd gezegd: ‘Ik weet niks, dat moet u aan de mensen zelf vragen.’”

“Voor veel jongeren waren die verhoren denk ik moeilijker. Jonge mensen zijn spontaan, die worden op een ochtend wakker en besluiten: ik heb het gehad met deze dictatuur, er moet toch ergens een gat zijn in die grens? Ze pakten hun spullen en gingen gewoon. Maar dat gat, dat vonden ze niet. In plaats daarvan werden zij gevonden, door de Stasi. Tijdens de verhoren kregen ze dan dingen te horen als: ‘U heeft de wereldvrede in gevaar gebracht! U had een atoomoorlog kunnen veroorzaken!’ Mijn hemel, hoe moeten jonge mensen daarmee omgaan? Als ze niet meewerkten, slingerde de Stasi ze naar het hoofd: ‘Wij hebben alle tijd van de wereld. Hoe lang wilt u hier blijven? Tien jaar? Vijftien jaar? Nog langer?’ Ze hebben die jongeren heel bewust gebroken, tot ze alles vertelden wat de Stasi wilde horen. Of het nou klopte of niet.”

Uitzichtloze dagen
“Gevangenen die informatie loslieten, werden vaak beloond met boeken of kranten. Ik was niet coöperatief, dus ik kreeg niks. Elke dag was hetzelfde: de zon kwam op, het werd licht; de zon ging onder, het werd donker. In het begin deed ik veel aan yoga en op een bepaald moment zei mijn ondervrager tegen me: ‘Wat doet u daar toch in uw cel? U staat altijd op uw hoofd.’ Ik zei: ‘Ik doe yoga.’ Dat is de enige keer dat ik mijn mond voorbij heb gepraat. Ik kon me wel voor m’n kop slaan, want ik wist donders goed dat yoga verboden was in de DDR [9]. De volgende dag lagen al mijn yogaboeken bij mijn ondervrager op het bureau. Ze waren bij me thuis geweest en hadden alles in beslag genomen. ‘Weet u wel hoe moeilijk het was om aan die boeken te komen?’ zei ik. Met de yoga was het toen ook gedaan.
De eerste veertien dagen deelde ik mijn cel met een jonge vrouw. Ik merkte al snel dat er iets niet helemaal in de haak was met haar. Ze wilde van alles over mij weten, maar vertelde nauwelijks iets over zichzelf. Ik heb haar toen een verzonnen verhaal over ene Herr Kirschbaum verteld, met het idee dat als dat ooit tijdens de verhoren terug zou komen, ik zou weten waar het vandaan kwam. En inderdaad, al na drie dagen schreeuwde mijn ondervrager: ‘Wie is Herr Kirschbaum?’ Hij dacht dat hij me overviel, maar ik zei: ‘Ik moet u teleurstellen: dat verhaal heb ik van a tot z verzonnen. Die dame in mijn cel, die vertrouwde ik niet.’ Toen ik terugkwam, was ze weg en was ik weer alleen.”

Drie jaar gevangenisstraf
“Op 23 december 1974 was mijn ‘officiële’ rechtszaak. Een dag voor kerstavond, een kerstcadeau van de Staatssicherheit. Omdat mijn zaak op staatsniveau werd besproken – ik was natuurlijk een beroemdheid – moesten ze me een advocaat toewijzen. Ik kreeg Professor Doktor Kaul, de advocaat van de DDR-televisie. Je kunt je voorstellen dat hij niet mij, maar de televisie vertegenwoordigde. Ik werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. Die hele rechtszaak was een farce.”

Vernederend
“Na mijn vonnis bleef ik nog een kwart jaar in Hohenschönhausen, daarna moest ik naar een reguliere gevangenis in de Keibelstraße. Na veertien dagen werd ik overgeplaatst naar de vrouwengevangenis Hoheneck. De opname was ontzettend vernederend. Ze gebruikten dezelfde luizenkam voor het oksel- en schaamhaar van alle vrouwen en droegen rubberen handschoenen. Rubberen handschoenen, inderdaad. Daarmee deden ze wat u denkt dat ze deden. Na de intake kregen we kleding toegewezen, waaronder een veel te grote onderbroek. Ook dat was als vernedering bedoeld.”

“In Hoheneck hoorde ik voor het eerst sinds zes maanden hoe het met mijn kinderen ging. De grootouders van mijn vriend mochten me bezoeken en zij namen zeep, tandpasta en nog wat andere spullen mee. Ze vertelden dat ze in mijn huis waren gaan wonen om voor de kinderen te zorgen. Het was een enorme opluchting om eindelijk te weten dat mijn kinderen in hun vertrouwde omgeving waren, naar school gingen en normaal hun vriendjes en vriendinnetjes konden zien.”

Psychiatrische patiënten
“Ik deelde een cel met 25 andere vrouwen. Ik sliep naast een moordenares die haar kind door een vleesmolen had gehaald en er gehaktballen van had gemaakt. Die had ze, als wraakactie, haar man voorgeschoteld. Een andere vrouw had de piemel van haar man afgesneden, gepekeld en opgestuurd naar zijn minnares: ‘Hier, nu mag je hem houden.’ Het was allemaal absurd en angstaanjagend. Deze vrouwen hadden niks te zoeken in de gevangenis en hoorden in een psychiatrische instelling. Maar de DDR zorgde niet voor deze mensen. Ze sloot ze op en hoopte dat het daarmee was opgelost.”

“In Hoheneck vonden elke woensdag de transporten plaats van de politieke gevangenen die verkocht werden aan het Westen. Tijdens één van die transporten waren een paar medegevangenen en ik buiten. Daisy en James van de Stasi – ik bedacht voor iedereen een bijnaam, want niemand stelde zich voor – regelden die dag alles. ‘Wij willen ook op transport!’ riepen we naar ze. We dachten daar helemaal niet over na, het was gewoon een soort droom om ook weg te komen. Twee minuten later werden we naar binnen afgevoerd. We konden ze ervan overtuigen dat het een spontane actie in plaats van muiterij was, maar we kwamen alsnog drie weken in de isoleercel. Dat was heel, heel erg. Het was pikkedonker en ik kreeg allemaal hallucinaties.”

Alleen maar criminelen
“Het was niet makkelijk, maar ik heb altijd geprobeerd mezelf overeind te houden. Psychisch, maar ook ten opzichte van de andere gevangenen. Toen ik na die drie weken in de isoleer in een cel werd gestopt met alleen maar criminelen, was het eerste wat ik tegen ze zei: ‘Ik ben Edda Schönherz. Ik wil niks van jullie, ik wil alleen een bed helemaal bovenaan.’ We sliepen in hoogslapers met drie verdiepingen en het bovenste niveau was het dichtst bij de ramen: ik wilde per se wat zuurstof binnenkrijgen. In ruil daarvoor heb ik aangeboden ze te helpen met het opstellen van brieven: de meeste gevangenen konden geen zin foutloos schrijven. Ze waren dankbaar voor mijn hulp en ik had rust.”

Bloed is dikker dan water
“Mijn kinderen mocht ik gedurende mijn gehele gevangenisperiode niet zien. Dat was ongelofelijk moeilijk. Ik heb in die tijd veel nagedacht over hoe het zou zijn als ik vrijgelaten zou worden. Zou onze band onveranderd zijn? Zouden we het oude, vertrouwde gevoel weer kunnen opbouwen? Weten mijn kinderen wel dat ik in de gevangenis zit? Enzovoort, enzovoort. Gelukkig is bloed dikker dan water. Toen ik na drie jaar – zes maanden in Hohenschönhausen en 2,5 jaar in Hoheneck – eindelijk weer op vrije voeten kwam, was het vertrouwde gevoel er meteen weer. Natuurlijk hadden ze me gemist en natuurlijk hadden ze me nodig gehad. Dat staat buiten kijf, maar we hadden het nu eenmaal niet voor het kiezen.”

“Na mijn tijd in Hoheneck voelde ik me nog steeds opgesloten in de DDR. Ik heb constant Ausreiseanträge [10] ingediend, want ik wist dat ze me niet nog een keer vast konden zetten. Daarvoor waren ik én mijn zaak te bekend. Toen ik in 1974 in de gevangenis belandde, heeft de Staat tegen de media gezegd: ‘Frau Schönherz heeft een tijdje vrij genomen.’ Tegelijkertijd stond met koeienletters in de West-Duitse kranten: ‘Sterpresentatrice Edda Schönherz om politieke redenen achter tralies’. Dat nieuws sijpelde natuurlijk langzaam door naar de DDR. Uiteindelijk hebben ze me in 1979 laten uitreizen. Ik mocht één koffer en mijn twee kinderen meenemen.”

berlijnse muur

Een Pruis in Beieren
“Ik wist dat de Bondsrepubliek een prestatiemaatschappij was en dat niemand me daar met een bosje bloemen zou opwachten: ‘Fijn dat u er bent, Frau Schönherz.’ Ik heb me geen seconde in het sociale vangnet laten vallen en heb meteen vijf sollicitatiebrieven naar verschillende televisiezenders gestuurd. Vier van de vijf reageerden. Ze wisten in de BRD dat ik was opgeleid aan de televisieacademie in de DDR en dat ik een echte professional was. Uiteindelijk is mijn keuze gevallen op het Bayerische Fernsehen in München. Eén van mijn eerste aankondigingen ging over een Beiers theaterstuk. Ik wilde het per se op z’n Beiers aankondigen en heb me een slag in de rondte geoefend. Het klonk vreselijk! Zo vreselijk, dat de camera- en geluidsmannen op een gegeven moment hun oren begonnen dicht te houden. Toen ik uiteindelijk live was, zei ik: ‘Neemt u me niet kwalijk, lieve Beieren. Ik, een Pruis [11], ga nu een Beierse zin zeggen.’ Als ik had gedaan alsof ik vloeiend Beiers sprak, hadden ze me dat kwalijk genomen, maar dit accepteerden ze. Het was het begin van mijn carrière in de BRD.”

De Muur is gevallen
“Op 9 november 1989 heb ik ’s middags en ’s avonds het nieuws gepresenteerd. Op een bepaald moment gaf iemand van de crew me een briefje waarop stond: ‘Nieuwe melding: de Muur is gevallen.’ Ik kreeg meteen tranen in mijn ogen en zei: ‘Lieve kijkers, ik kan het nieuws vandaag niet verder presenteren. Kan een collega het alsjeblieft van me overnemen?’ Mijn eerste gedachte was: nu is de Staatssicherheit overal. Maar in 1990 kwam ik erachter dat ze allang overal waren. Ik las toen in mijn Stasi-dossier [12] dat ik tot 1987 ben geobserveerd. Een productieleider en een cameraman bij het Bayerische Fernsehen bleken Stasi-officiers te zijn geweest. Jarenlang hebben ze alles opgeschreven. Welke shows ik presenteerde, welke artikelen ik schreef, welke kranten iets over me schreven, alles. Wat ze met die informatie van plan waren, weet ik niet. Ik heb me overigens nooit negatief over de DDR geuit. Het enige wat voor mij belangrijk was, was dat ik op tv kwam. Dat was het politieke statement, want dan zagen niet alleen miljoenen mensen in de Bondsrepubliek me, maar ook de mensen in de DDR [13]. Voor hen was dat heel belangrijk, omdat ze wisten: als zij het kan, kunnen wij het ook.”

Dankbaar
“Mijn gevangenistijd is nog steeds niet het favoriete onderwerp van mijn kinderen. Ze zijn nu 55 en 56 en praten er niet graag over. Het is het trauma dat ze met zich meeslepen. Ik heb mijn boek Die Solistin. Roman einer Frau, die von Deutschland nach Deutschland wollte aan ze opgedragen. Ze hebben het gelezen, ze weten wat erin staat. In Berlin-Hohenschönhausen en Hoheneck waren ze ook. Ze hebben gezien hoe ik daar geleefd heb. Ik wilde graag dat mijn zoon, net als ik, rondleidingen geeft in Hohenschönhausen. Hij heeft het geprobeerd, maar hij kan het niet. Het is te emotioneel, hij associeert alles met mij. Ik heb daar alle begrip voor. Er is veel gebeurd en het was niet altijd makkelijk, maar mijn gevangenisperiode is mijn kinderen ook ten goede gekomen. Ze hebben gestudeerd, ze hebben dingen uitgeprobeerd. Ik ben daar heel dankbaar voor. We hebben ons doel bereikt en dat maakt sterk.” 

Manon de Heus en Marijke van der Ploeg schreven Statiegeld voor mijn moeder (Uitgeverij Aspekt). Het boek is hier voor €19,95 te bestellen. 

Voetnoten:
[1] De Staatssicherheit (in het kort: Stasi) was de geheime dienst van de DDR. De Stasi groeide met de jaren uit tot een organisatie met bijna 300.000 officiële en onofficiële medewerkers (IMs). Omdat iedereen zich volgens de Staat kon ontpoppen tot vijand, werd de eigen bevolking afgeluisterd, geobserveerd en zo nodig kapotgemaakt.

[2] De Stasi was ook actief buiten de DDR. De Hauptverwaltung Aufklärung, de buitenlandse inlichtingendienst van de Stasi, was verantwoordelijk voor spionage en het inwinnen van informatie in het buitenland. Ze waren voornamelijk actief in West-Duitsland, maar ook in andere westerse landen én de socialistische broederlanden, zoals Hongarije.

[3] Het hoofdkantoor van de Stasi bevond zich in de Ruschestraße/Normannenstraße in Berlijn.

[4] Erich Honecker wilde dit onder andere om met westerse landen economische en diplomatieke betrekkingen aan te knopen. Met het ondertekenen van het Grundlagenvertrag in december 1972 erkenden de DDR en West-Duitsland elkaars bestaan formeel. Nederland erkende de DDR in 1973.

[5 De Stasi had zeventien onderzoeksgevangenissen, waarvan Berlin-Hohenschönhausen de belangrijkste was. Hier werden politieke gevangenen om uiteenlopende redenen opgesloten: (vermeende) vluchtpoging of vluchthulp, deelname aan een demonstratie, het schrijven van pamfletten met de roep om vrije verkiezingen of het verspreiden van verboden literatuur. Gevangenen werden psychisch kapotgemaakt, met als doel ze te dwingen tot uitspraken en een bekentenis.

[6] Hochschule is in Duitsland een verzamelbegrip voor hoger beroepsonderwijs en universitair onderwijs.

[7] Dit was het opleidingsinstituut voor medewerkers van de Stasi. Ze leerden er onder andere hoe ze mensen psychisch konden breken (de Stasi noemde dat Zersetzung), met als doel mensen tot een bekentenis te dwingen of te zorgen dat ze ophielden met hun oppositionele activiteiten. Ook leerden Stasi-medewerkers hoe ze geschikte IMs konden werven. Stasi-medewerkers konden zelfs promoveren aan het instituut, maar de dissertaties waren vaak niet wetenschappelijk gefundeerd (Behnke & Fuchs, 2013).

[8] Vanaf 1962 werden politieke gevangenen uit de DDR aan het Westen verkocht, in totaal ongeveer 34.000. De DDR ontving eind jaren tachtig gemiddeld bijna 100.000 westmark per persoon. Op die manier vormden gevangenen een belangrijke bron van inkomsten (Hertle, 2015).

[9] Yoga was volgens de Staat te individualistisch en te spiritueel.

[10] Een officieel verzoek om de DDR te mogen verlaten.

[11] Edda Schönherz is geboren in de regio Silezië, een voormalige provincie van Pruisen. Na de Tweede Wereldoorlog is dit gebied aan Polen toegewezen.

[12] De Stasi-dossiers bevatten alle informatie die de Stasi over jou had ingewonnen via onder meer observatie en afluisteren (foto’s, gevoerde gesprekken, contacten, enzovoort). Burgers met een Stasi-dossier hebben het recht hun dossier in te zien. Volgens de Bundesbeauftragte für die Stasi-Unterlagen (BStU) maken daar nog steeds duizenden mensen per jaar gebruik van. Er ligt ruim 111 kilometer aan Stasi-dossiers in de Stasi-archieven, verspreid over dertien locaties.

[13] De meeste mensen in de DDR konden ook tv-programma’s uit het Westen ontvangen.

Bron: Manon de Heus en Marijke van der Ploeg. Beeld: Holger Kulick.

voor jou geselecteerd

Laat meer voor jou geselecteerd zien