Lekker lezen: Libelle bookazines voor € 3,35

Zoek binnen:

Verzetsheldin Betty bracht Joodse kinderen in veiligheid: "Ik zie ze nog voor me, al die arme kindertjes"

Verzetsheldin Betty Goudsmit-Oudkerk is op zondag 15 juni overleden, meldt uitgever Amphora Books. Voor onze special 75 jaar bevrijding spraken we met Betty.

In afwachting van hun deportatie werden opgepakte Joden opgesloten in De Hollandse Schouwburg in Amsterdam. Sommige van hun kinderen werden opgevangen in de crèche ertegenover en met hulp van Betty naar buiten gesmokkeld en in veiligheid gebracht. Zeshonderd kinderen werden zo gered.

Advertentie

“Speelt u toneel? Ik raad u dat aan. In de oorlog was het heel belangrijk om toneel te spelen. Het heeft mijn leven gered. Ik speel nog steeds toneel. Het is daarnaast goed voor je gezondheid. Echt, ik zou ook toneelspelen als ik u was.”

De 95-jarige Betty Goudsmit-Oudkerk zit in een makkelijke stoel in haar riante kamer in zorgvilla De Vermeer, vlak bij het Amsterdamse Museumplein. Toen ik me bij binnenkomst in de gemeenschapsruimte aan haar voorstelde, had ze me wat verward aangekeken. Ze wilde weten wat ik kwam doen. “Ik wil uw verhaal horen en opschrijven,” zei ik. “Laten we dat maar niet doen,” zei ze. “Het is namelijk geen leuk verhaal. Wat schieten mensen ermee op als ik vertel wat er is gebeurd met de Joodse kinderen?” Nadat haar zoon Micha was gearriveerd, gingen we naar haar kamer. Hij legde nog een keer uit wat ik kwam doen. “Nou vooruit”, zei ze tegen me. “Wat wil je weten lieve schat?”

Waarom denkt u dat mensen er niets mee opschieten als ze uw verhaal lezen?
“Veel mensen hebben de verhalen over wat ze in die oorlog hebben uitgespookt opgeklopt om er zelf beter van te worden. Er is veel onzin verteld.”

Hoe was het echt?
“Dat is niet te geloven. Mijn moeder en grootmoeder zijn, net als 2 van mijn broers, vermoord. Dat gaat je niet in de koude kleren zitten. En wat ik met die kindertjes heb meegemaakt… Het was vreselijk.”

“Ik wilde alles voor die kinderen doen, zag ze als mijn eigen kinderen”

Het verhaal van Betty begint in Amsterdam. Ze groeide op in een warm Joods gezin met 5 kinderen. Haar vader had enkele textielzaken. Eind jaren 30 woonden ze, samen met hun grootmoeder, in de Van Woustraat boven de winkel. Hoewel in Duitsland Adolf Hitler aan de macht was gekomen en iedereen op de hoogte was van de anti-Joodse maatregelen die daar werden genomen, werd er bij Betty thuis niet over gesproken. Op de huishoudschool hoorde ze wel van uit Duitsland gevluchte Joodse medeleerlingen dat het er ‘niet fijn’ was.

Toen de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, pleegden sommige Joodse mensen in de buurt zelfmoord, weet ze nog. Maar daarna ging het leven verder, alsof er niets was veranderd. In december 1940 overleed haar vader aan een hersenbloeding. Haar moeder nam de zaak over.
Begin 1941 veranderde de sfeer. Overal verschenen bordjes met de tekst ‘Verboden voor Joden’, op straat werden Joden lastiggevallen door NSB’ers. De eerste razzia’s vonden plaats. Voor de zomervakantie moest Betty met 6 andere Joodse meisjes bij de directrice van de huishoudschool komen. Ze waren na de vakantie niet meer welkom, zei de directrice. Het onderwijs was voor Joodse Nederlanders verboden. “We kregen ons diploma,” vertelt Betty. “Thuis deed ik mijn verhaal. Er zat een vriend van mijn broer en die zei: ‘Mijn tante kan wel wat Joodse meisjes gebruiken in haar crèche.’ Zo ben ik daar terechtgekomen.”

“Dan zei ik, terwijl ik wist dat hun ouders waarschijnlijk dood waren: ‘We gaan naar papa en mama’”

Die crèche was gevestigd op Plantage Middenlaan 38, tegenover de Hollandse Schouwburg. Vanaf 1942 moesten de Joden die een oproep hadden gekregen voor transport naar Kamp Westerbork zich in deze schouwburg melden. Vanuit Westerbork zouden ze naar werkkampen in Duitsland gaan, was het verhaal. Alle Joden zouden een oproep krijgen, daarom moest iedereen een koffertje gereed hebben staan. Ook bij Betty thuis stonden de koffertjes klaar. Zelf had ze vanwege haar werk een Sperre; een verklaring die haar vrijstelde van deportatie.

De door de Duitsers aangestelde directeur van de Hollandse Schouwburg, de Duitse jood Walter Süskind, wist dat het verhaal van de werkkampen een farce was. In Duitsland had hij gezien wat het antisemitisme inhield en hij besefte dat het in werkelijkheid ging om vernietigingskampen. Terwijl hij ‘vriendschappelijke’ banden met de Duitsers onderhield, zocht hij contact met het verzet en bedacht hij met de directrice van de crèche, Henriëtte Pimentel, een plan om zo veel mogelijk Joodse kinderen te redden. Bij binnenkomst van een gezin werd de ouders gevraagd of hun kinderen mee mochten naar de crèche, daar zouden ze goed worden verzorgd. De Duitsers, die zich stoorden aan het gehuil, vonden dat prima. Soms ging Betty zelf naar de Schouwburg om tegenstribbelende ouders te overtuigen. “Dan zei ik dat we ze veel knuffelden”, vertelt ze. “Ouders wilden het beste voor hun kind, dus meestal stemden ze dan toe.”

“Ik wilde alles voor die kinderen doen, zag ze als mijn eigen kinderen”

Eerst kwamen er alleen baby’s, later ook grotere kinderen tot 13 jaar. Als hun ouders gedeporteerd werden, moesten ze zich weer bij hen voegen. Maar door hun namen te verwijderen op de gezinskaarten, kon dat worden voorkomen. Als dat niet op tijd was gelukt, werd soms een in dekens gewikkelde pop met de ouders meegegeven. De achtergebleven kinderen werden via de tuin van de achter de crèche gelegen Hervormde Kweekschool naar buiten gesmokkeld. En Betty hielp daar aan mee. “Ik was een waaghals”, zegt ze. “Maar ik wilde alles voor die kinderen doen en zag ze als mijn eigen kinderen. Ik knuffelde ze veel. Dan zeiden ze: ‘Wat ben jij toch lief.’ Vaak huilden ze. Ik bedacht dan iets om ze aan het lachen te maken, eigenlijk was ik een halve clown. Ik hield van ze en zij van mij. Ik liep na de oorlog eens op de Nieuwendijk en toen hoorde ik: ‘Daar gaat onze tante Betty.’ Dan gaat er wat door je heen, hoor.”

“De meeste kinderen zijn vermoord, dat verdriet gaat niet weg”

Hoe ging dat naar buiten smokkelen in zijn werk?
“Ik kleedde die kinderen leuk aan. ‘Tante Betty, waar gaan we heen?’, vroegen ze. En dan zei ik, terwijl ik wist dat hun ouders waarschijnlijk dood waren: ‘We gaan naar papa en mama.’ Ik maakte er maar wat van. Ja, ik loog tegen ze, wat moest ik anders? Ook dat was toneelspelen. Ik heb ook wel eens een baby in een tas naar buiten genomen, de Duitsers hadden niets door. Buiten om de hoek stonden verzetsmensen die de kinderen meenamen naar kinderloze gezinnen. Ik gaf ze een knuffel en daar gingen ze. Elke keer kostte het me moeite ze mee te geven. Je moest maar afwachten hoe ze het zouden hebben en of ze het allemaal hebben gered, weet ik niet. Maar ik deed wat ik kon.”

Honderden kinderen konden niet worden gered.
Wijzend naar haar hoofd: “Dat speelt nog steeds hiero. In mijn gedachten zie ik ze nog voor me, al die arme kindertjes. Ik had medelijden met ze. De meesten zijn vermoord, dat verdriet gaat niet weg.”

U kon toen nooit laten zien dat u zelf verdriet had, dat vind ik knap van u.
“Het was moeilijk. Maar ik ben een geboren toneelspeler. En daardoor heb ik veel kunnen bereiken. Tegen die Duitsers speelde ik ook toneel. ‘Wilt u een kopje koffie?’, vroeg ik dan vriendelijk. ‘Blieft u ook een stukje chocolade?’ Lijmen, jong. Je moest ze lijmen. Er waren er ook die met me uit wilden. Dan zei ik: ‘Ik zou dat dolgraag willen, maar daar krijg ik hier geen toestemming voor.’”

Eind september 1943 vonden de laatste razzia’s in Amsterdam plaats, waarbij ook de crèche werd ontruimd. De dag erna werd de stad door de Duitsers ‘Judenfrei’ verklaard. Mede dankzij Betty waren ruim 600 kinderen aan deportatie ontsnapt en via verzetsorganisaties als het Utrechts Kindercomité en de Trouw-groep ondergebracht bij gezinnen overal in het land.

“Ik kreeg zelfs nog een gas- en elektra rekening uit 1943, terwijl ons huis toen was ingepikt door andere mensen”

Betty, die sinds januari 1943 op de crèche had geslapen nadat haar moeder en oma thuis waren opgehaald door de Duitsers, verbleef tot mei 1945 op verschillende onderduikadressen. Over het lot van haar moeder en oma maakte ze zich geen illusies. “Mijn moeder had een briefje uit de trein gegooid, waarin ze schreef dat we elkaar niet meer zouden zien. Ze koos ervoor om bij haar moeder te blijven, wat er ook gebeurde. Ik wist dat het niet koosjer was.”

De bevrijding kwam. Er bleken 107.000 Nederlandse Joden door de Duitsers te zijn vermoord, waaronder 18.000 kinderen. “Ik kreeg na de oorlog darmklachten,” vertelt Betty. “Alle spanning kwam eruit. Maar je gaat door. De sfeer na de oorlog in Amsterdam was niet pro-Joods, ondanks alles wat we hadden meegemaakt. Ik kreeg zelfs nog een gas- en elektra rekening uit 1943, terwijl ons huis toen was ingepikt door andere mensen. Maar ik ben een goede komediant. Ik bleef gewoon lachen, ook al wilde ik liever de boel in elkaar timmeren. Dat kon ik ook, hè.” Ze kijkt naar zoon Micha. “Ja, dat kon je ook,” zegt hij.

Hoe bouw je na al die ellende een nieuw leven op?
“Dat was niet eenvoudig. Ik ontmoette mijn man Bram, in 1946 zijn we getrouwd. Hij had ook veel verdriet, want zijn ouders waren vermoord. Verdriet kun je niet wegduwen. Samen praatten we erover, we moesten erover praten. Maar nooit met de kinderen. Al die narigheid.”

U wilde graag een groot gezin.
“Ja. Als Bram me geen kinderen had kunnen geven, had ik een ander gezocht. Ik was een heel warme en liefdevolle Jiddische mama, net als mijn eigen moeder. Maar ik vond het moeilijk om mijn kinderen los te laten toen ze ouder werden. Sommige kozen een vrouw van wie ik dacht: hoe kun je die in hemelsnaam kiezen?”

Kun je ook te veel liefde en warmte geven?
Micha: “Ja! Ze was bedwelmend.” Betty: “Ze zijn er niet slechter van geworden. Je kunt een kind nooit te veel liefde geven.”

Met Bram verhuisde Betty naar Israël. Ze voelden zich in Nederland niet meer thuis, dachten ze. Te veel nare herinneringen ook. Maar het leven in Israël bleek verschrikkelijk zwaar. Ze waren straatarm. “Maar ik wist van alles iets te maken”, zegt Betty. “Ik ben naar Haifa gegaan en heb een ladder gekocht en zei tegen Bram: ‘We hebben geld nodig, dus jij gaat ramen lappen.’ Ook kocht ik een bok, die ik verhuurde om geiten te dekken. Die stonk verschrikkelijk! Dan kwamen ze terug met een geit en zeiden: ‘Het is niet gelukt.’ Maar ik maakte altijd aantekeningen van de gedekte geiten en zei dan: ‘Je liegt. Dit is een andere geit.’ We moesten nog steeds vechten, maar dat lukt als je jong bent.”

“Specialisten zeiden: ‘U moet gooien als u boos of verdrietig bent’. Het hele huis lag vol scherven”

In 1949 keerden ze terug naar Nederland, waar ze in 1951, met geld uit de erfenis van hun redelijk welgestelde vermoorde families, een bloeiende makelaardij opbouwden. Betty was de stuwende kracht. Hoewel ze tot zijn dood bij Bram bleef, hadden ze een turbulent huwelijk, met veel ruzies en andere partners. Een gevolg van hun trauma’s. “Mijn verdriet was heel groot”, zegt Betty. “Ik wilde het snel wegwerken, maar dat ging niet. Mijn specialisten zeiden: u moet gooien als u boos of verdrietig bent. Dat deed ik getrouw. Met als resultaat dat mijn hele huis vol scherven lag. Maar het kwam niet altijd in liefde aan. Het was voor de kinderen niet leuk om te zien. Gooit u wel eens met servies? Zou u eens moeten doen. Toneelspelen. Het is het beste geneesmiddel dat er bestaat. Gooi het eruit. Mijn verdriet is er minder door geworden. Maar helemaal kwijt? Ik heb littekens.”

“Schuldgevoel heb ik niet meer, ik heb gedaan wat ik kon”

Uw kinderen kwamen er pas 20 jaar geleden achter wat uw verhaal was. Waarom heeft u hen dat niet eerder verteld?
“Het is natuurlijk geen leuk verhaal. Hun familieleden zijn vermoord. Moet je dat dan aan een kind vertellen?” Micha: “Ze werd geïnterviewd voor Steven Spielbergs project Holocaust survivors. Ik dacht: klopt dit wel? Is het niet overdreven? Waarom hoor ik dit nu pas? Maar ik heb altijd alles gevoeld.” Betty luistert stil naar haar zoon. “Soms denk ik: ik heb veel te weinig gedaan in die oorlog”, zegt ze dan. “Ik had nog mooier moeten zijn. Als je mooi bent, krijg je veel voor elkaar, hoor. Schuldgevoel heb ik niet meer, ik heb gedaan wat ik kon. Met als resultaat dat ik die slechte darmen heb. Dat is geen gein.”

Ik vind dat u meer dan genoeg hebt gedaan, u bent een heldin.
“Welnee, ik deed wat ik moest doen. Als u nu had gezegd dat ik goede actrice was, want dat vind ik dus wel. Speelt u wel eens toneel? Moet u echt eens doen.”

Meer prachtige verhalen lezen? Haal dan snel het speciale bewaarnummer 75 jaar bevrijding in huis:

Libelle Bevrijdingsspecial
Libelle Bevrijdingsspecial
€14,95
Shop 'm hier

Interview: Bram de Graaf. Fotografie: Petronellanitta

Femke: “Ineens had ik veel behoefte om heel diep in het glaasje te kijken”

Femke (40) is freelance journalist. Ze woont met Oscar en zoon Nathan (7) in Amsterdam. Iedere week schrijft ze voor Libelle wat haar bezighoudt. Deze week schrijft ze over vertier buitenshuis.

Eens in de zoveel tijd begint Oscar te klagen dat ik zo vaak weg ben. De afgelopen coronamaanden hoorde ik hem uiteraard niet. Maar sinds ik eindelijk weer kan afspreken met vrienden, en helemaal nu de terrassen open zijn, zoek ik mijn vertier weer ger

Lees Verder >>

voor jou geselecteerd

Laat meer voor jou geselecteerd zien