PREMIUMInterview

Bart Chabot: “Ik probeer elke dag te zien als een avontuur”

null Beeld Petronellanitta
Beeld Petronellanitta

Hij was niks en zou ook nooit wat worden, vonden zijn ouders. In zijn boek Mijn vaders hand en het net verschenen vervolg Hartritme vertelt Bart Chabot (66) over zijn liefdeloze jeugd. “Mijn levenslust heeft me erdoorheen getrokken.”

Nathalie HuigslootPetronellanitta

‘Wat is er?’ klonk mijn vaders stem op de achtergrond.

‘Hij komt op de televisie’, zei mijn moeder effen.

‘Wie komt er op de televisie?’ zei mijn vader wantrouwend.

‘Bart.’

‘Wat? Híj?’

‘Ja’, zei mijn moeder. ‘Hij.’

‘Hoe bestaat het’, zei mijn vader. ‘Tja, wie komt er tegenwoordig níet op de televisie?’

Uit: Hartritme

De allereerste keer dat je op tv verscheen – je mocht in Carré een eigen gedicht voordragen – kondigde je dat van tevoren trots aan bij je ouders. Zij weigerden te kijken.

“Ja. Zo waren zij. Ze zouden zich toch maar doodschamen voor me, zeiden ze.”

Heb je enig idee waarom je ouders zo waren?

“Mijn ouders maakten mij duidelijk dat ik in hun ogen tot een generatie behoor die alles in de schoot geworpen kreeg en daar nooit echt iets voor heeft hoeven doen. Terwijl hún generatie het land uit de vernieling van de oorlog moest trekken. Bij mijn vader speelde ook mee dat hij zelf een gemankeerd dichter was die zijn droom nooit heeft kunnen verwezenlijken, terwijl zijn zoon dat wel deed. Dat is een belangrijke steen des aanstoots geweest.

Mijn ouders hechtten ontzettend aan status, aan maatschappelijk aanzien. Ze vonden dat zij fatsoenlijke mensen waren en in hun ogen was de manier waarop ik me manifesteerde het tegenovergestelde daarvan. Zij wilden niet dat anderen hen daarmee zouden associëren, dus ze schaamden zich voor mij en voor mijn doen en laten. Zij vonden het ook afschuwelijk dat ik bevriend was met Herman Brood en Jules Deelder, hen zagen zij als uitschot.

Mijn vader was consul in Vancouver en later in Chicago. Dat is grotendeels een wereld van uiterlijke schijn, van walking dinners, cocktailparty’s, en recepties. Mijn vrienden en ik leefden met drank en drugs. Mijn moeder riep op een gegeven moment: ‘Jij denkt je dat te kunnen permitteren, maar jij staat er niet bij stil dat wij daar in Vancouver op worden aangekeken.’ Het waren gewoon heel erg moeilijke mensen. Alles wat ik deed, waar ik voor stond en wie ik was, ervaarden zij als een regelrechte provocatie. Als mijn vader vroeg: ‘Hoe gaat het met je studie?’ en ik antwoordde met: ‘Dat weet ik niet pap, dat zou je mijn studie moeten vragen’, was hij al meteen over de rooie.”

Hij werd ook weleens gewelddadig. Ik kan me voorstellen dat je daar als zoon schuchter van zou kunnen worden en op eieren zou gaan lopen, maar dat gebeurde bij jou niet.

“Godzijdank niet. Ik voelde me juist enorm aangetrokken tot mensen die hun eigen gang gingen, die hun eigen pad wilden banen, die niet meeliepen met de rest en zich niet onderdompelden in het grote, lauwwarme bad van de grootste gemene deler, maar elke dag weer als een avontuur zagen. Die vrijheid wilde ik ook.”

null Beeld

Iemand met wie je bevriend raakte en die er ook een tamelijke rock-’n-roll levensstijl op nahield, was columnist Martin Bril. Hij verbrak net als jij op een gegeven moment het contact met zijn vader, tot die zich heel dwingend en tegen Martins zin in meldde op zijn sterfbed. Herkenden jij en Martin elkaar in het hebben van moeilijke ouders?

“Daarvoor kende ik Martins vader niet goed genoeg, maar wat ik die dag meemaakte, herkende ik wel uit mijn eigen jeugd. Op zijn sterfbed vroeg Martin om zijn moeder. Zijn vader wilde hij nog steeds niet zien, maar dat liet zijn vader zich niet zeggen en hij kwam toch Martins slaapkamer binnen. Uiteindelijk hebben Ronald (Giphart) en ik hem het huis uit gezet, maar later die avond kwam hij terug. Toen er niet werd opengedaan, begon hij op de deur te bonzen en toen ook dat niet hielp, riep hij door de brievenbus dat hij naar zijn zoon wilde. Dat is tragiek ten top. Je kon het hem ook niet helemaal kwalijk nemen, hij was een vader die op het punt staat zijn zoon te verliezen.”

null Beeld

Jij verbrak niet alleen het contact met je ouders, maar ook met je oma.

“Kort na de geboorte van mijn zoon Sebastiaan nam ik hem mee naar mijn oma. Toen Sebas begon te huilen, zei ze: ‘Je moet hem slaan. Moet je nou toch horen, dat huilt en dat huilt maar en wat doe jij? Zijn Maxi-Cosi heen en weer wiegen met je voet. Vind je het gek dat dat kind niet naar je luistert en gewoon doorgaat met zijn geblèr? Je moet hem een lesje leren, zodat hij weet wie er de baas is. Maar dat kun jij niet en daarom heeft dat kind jou straks in zijn zak.’ Dat was voor mij het breekpunt. Als ik bij haar op bezoek was, durfde ik niet eens even naar de wc te gaan omdat ik haar in staat achtte zelf even het heft in handen te nemen. Daarmee viel het fundament onder die relatie weg, ik kon mijn eigen oma niet meer vertrouwen.”

Zij was de moeder van je moeder. In die zin had je moeder dus ook al een behoorlijke tik van de molen gekregen.

“Ja, letterlijk. Sowieso was die generatie van mijn ouders door de oorlog vrij hardvochtig. Op school werden kinderen ook gerust geslagen door hun leraar, of ze kregen een borstel naar hun hoofd gegooid. Mijn moeder zat op een kostschool bij nonnen, daar ging het er wreed aan toe. Soms op het sadistische af.”

OVER BART

Bart Chabot (66) is dichter, schrijver en performer. Hij schreef een vierdelige biografie van Herman Brood en maakte theatertournees met Remco Campert en Jan Mulder, Herman Brood en Jules Deelder en met Martin Bril en Ronald Giphart. Nadat er een tumor bij hem was ontdekt schreef hij het boek Diepere lagen, over zijn ziekte en de effecten op zijn gezin. In 2013 verscheen zijn debuutroman Triggerhappy, in 2020 de autobiografische debuutroman Mijn vaders hand, waarin hij vertelt over zijn jeugdjaren in Den Haag. Het nieuwe boek Hartritme is het vervolg hierop. Bart is getrouwd met Yolanda en ze hebben vier zonen: Sebastiaan (31), Maurits (28), Splinter (24) en Storm (23).

Jouw breekpunt met je vader was in het Kurhaus. ‘Hij was niet langer mijn vader en ik niet langer zijn zoon’, schrijf je.

“We zagen elkaar toen al met steeds grotere tussenpozen niet meer. Maar hij was kort daarvoor op mijn huwelijk geweest, waar hij de moeder van mijn vrouw nogal denigrerend behandelde. Daarna volgde er nog een tirade bij mij thuis, terwijl Sebas boven lag te slapen. ‘Jij laat je eigen vrouw werken, zodat meneer in alle rust zijn gedichtjes kan pennen. Want zo ben jij, hè?’ foeterde hij. ‘En ze trappen er stuk voor stuk in, in die flauwekul van je, met je flutbundeltjes, dunner dan dun. Ik zou me de ogen uit mijn kop schamen. Maar ja, jij kunt de mensen van alles wijsmaken, dankzij je handige babbel. Je moet vooral zo doorgaan, met die vieze junkievrienden van je, die Brood en die Deelder. Maar laat één ding goed tot die hersens van je doordringen, jongen... Daar trapt jouw vader niet in. Je moeder en ik zijn diep, diep in je teleurgesteld, dat kan ik je wel vertellen. Weet je wat het met jou is? Je was niks, je bent niks en je zult ook nooit wat worden.’

Toen de tirade eindelijk ophield en hij vertrok, realiseerde ik me: dit gaat dus nooit stoppen. Dit gaat mijn hele leven lang zo door. Elke keer als we elkaar zien, moet ik voor een tribunaal verschijnen en verantwoording afleggen voor mijn doen en laten. Daar had ik geen trek meer in. Tijdens een lunch in het Kurhaus heb ik dat eindelijk gezegd. Ik wilde niets meer met hem te maken hebben en met mijn moeder evenmin. Genoeg was genoeg. Ik ben opgestaan, heb hem de rekening laten betalen en heb hem daarna nooit meer gezien.”

Je beschrijft het allemaal vrij onderkoeld, waardoor het soms ook iets komisch heeft. Toch kom je wel op een punt waarop het echt slecht met je gaat. Ging je eronder gebukt of was je er juist een beetje murw door geworden?

“Dat is een goede vraag… ik denk dat het twee kanten heeft. Er is een periode in mijn leven waar ik het niet over zal hebben. Dat is het hoofdstuk dat begin met de zin: ‘Bijna een jaar lang kwam ik niet meer op straat’, waarna een lege pagina volgt. Ik heb mijn hele jeugd gevochten tegen mijn ouders en op een gegeven moment ben je inderdaad murw. Maar je bent eigenlijk stuk. Je hebt geen enkel zelfrespect meer, geen gevoel van eigenwaarde. Dat leidde ertoe dat ik op mijn twintigste bijna een jaar niet op straat ben geweest.

Maar op een gegeven moment heb ik dat boek van mijn jeugd dichtgegooid. Ik trouwde met Yolanda, we kregen vier kinderen en ik dacht: ik heb het achter me gelaten. Dat kun je alleen wel denken, toch werkt het zo niet helemaal. Want er zijn natuurlijk toch littekens ontstaan die je je leven lang meedraagt. Van bepaalde spoken en demonen kom je nooit meer helemaal af en die vliegen je af en toe aan.”

Op wat voor manier vliegt het je dan aan?

“Ik kan dan in een peilloos zwart gat staren, de afgrond is altijd dichtbij. Je bent je leven lang bezig geweest om een gevoel van eigenwaarde en zelfrespect terug te krijgen en dat lukt ook wel, maar het blijft een wankel fundament. Wat mij heeft gered is mijn levenslust, die heeft me erdoorheen getrokken. Had ik die niet zo sterk gehad, dan was het een ander verhaal geweest.”

null Beeld

Na die witte pagina schrijf je: ‘Mijn levens­lust bleek uiteindelijk groter dan mijn doodsverlangen.’

“Mensen zien mij een beetje als een vrolijke klant, maar dat is niet het hele verhaal. Naast mijn highs heb ik ook mijn lows.”

Wat doet je fundament wankelen? Is dat vooral als je niet gezien wordt?

“Nu niet meer, maar vroeger had ik inderdaad veel behoefte aan erkenning. En dat gezien willen worden heb ik vrij letterlijk opgevat: tijdens mijn televisieloopbaan was ik niet van de buis af te slaan. Je moet je voorstellen, dag in dag uit werd mij ingeprent: je bent helemaal niks, je bent minder dan niks, je bent de sloot niet waard om in verzopen te worden. Vervolgens kom je in de tv-wereld, waar de gastvrouw al op het parkeerterrein klaarstaat om je met koffie te verwelkomen. De visagist klaar zit om je te bepoederen, nog een neushaartje weg te knippen en ondertussen je lippen wat glans te geven. En de beroemde presentatrice je begroet met: ‘Bart, wat leuk dat je er bent vanavond.’

Op die manier naar erkenning zoeken is een verkapte vorm van zoeken naar respect. Mag ik er zijn? Heb ik wel bestaansrecht? Het heeft daar heel veel mee te maken dat ik tv ging doen en dat dat me zo goed beviel. Maar op een gegeven moment besefte ik dat het tijdverspilling was en dat het mijn schrijverschap in de weg zat. Een paar jaar geleden heb ik besloten om me alleen nog maar te concentreren op schrijven.”

null Beeld

Er zitten veel grappige momenten in je boek, maar ook hartverscheurende. Was je tijdens het schrijven af en toe zelf ook ontroerd?

“Toen niet, maar bij het teruglezen grepen sommige scènes me naar de keel, ja. Zoals het moment dat ik werd gebeld en te horen kreeg dat Herman van het dak van het Hilton was gesprongen. Tijdens dat gesprek stond opeens mijn zoon Splinter achter me. Hij had een deel van het gesprek gehoord, was nog te jong om het te kunnen begrijpen, maar hij zag wel mijn reactie. Het enige wat hij zei was: ‘Lieve papapa.’ Ik keek hem aan en dacht: wat heeft hij gehoord en hoe ga ik hem uitleggen – zonder dat hij daar voor de rest van zijn leven iets aan overhoudt – dat die zelfdoding van Herman niet een moment van zwakte was, maar juist van kracht? Terwijl ik zelf al stond te trillen op mijn benen? Daarna zei Splinter het nog een keer: ‘Lieve papapa.’”

Je schrijft: ‘Waarom kom je in je diepste wezen niet van je verleden af?’ Toch lijkt het alsof het je als vader wél lukt om niet in herhaling te vallen. Je hebt juist een geweldige band met je vier zonen.

“Absoluut. Ik heb het schoolvoorbeeld gekregen van hoe het niet moet. En ik walg van gewelddadigheid. Soms komt er op televisie een situatie voorbij waarbij de ene partij sterk is en de andere weerloos, daar kan ik niet naar kijken. En wat ik zei: ik heb de hang naar avontuur en mijn levenslust altijd gehouden. Daardoor zagen mijn zonen mij ook vaker als oudere broer dan als vader.”

Wat mis je het meest aan je vriendschappen met Herman, Jules en Martin, met wie je die levenslust deelde?

“Hun zielsverwantschap. Die is er niet meer en daar komt ook niks meer bij. Ik denk er maar niet te vaak aan, want dat maakt mijn leven er niet leuker op. Maar ik probeer elke dag als een nieuw avontuur te zien. Dus in die zin leeft hun energie in mij nog altijd voort.”

  • Styling: Ramona Da Cruz Lopes. Visagie: Djolien de Kreij. Productie: Charissa Macnack. Met dank aan: Hotel Indigo, Den Haag. M.M.V. Arket (colbert en broek), Calvin Klein (overhemd), Hans Ubbink (lang jasje), Joe Ghost (schoenen),

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden