kort verhaal

De vrouw in de rode jurk

null Beeld getty images, stocksy
Beeld getty images, stocksy

Rachel volgt stiekem een cursus Italiaans. Als ze straks naar de kust van Amalfi gaan, wil ze indruk maken op haar man en kinderen. Maar wat is er toch aan de hand met haar leraar? En wie is die vrouw op het schilderij?

De gootsteen is van marmer, de kraantjes zijn van goud, en ik sta hier in mijn slobberbroek en kabeltrui niet meer naar buiten te durven. Goed, ik heb deze meneer betaald om hier te zijn, hij geeft mij les, maar het toilet van zijn huis, of beter gezegd, villa, is zo schitterend dat ik er geen gebruik van durf te maken. De gouden spiegel van twee bij twee meter kijkt me aan alsof hij wil zeggen: “En wie ben jíj nou weer?” De pracht en praal die mij in de andere kamers nog te wachten staat, benauwt me nu al. Ik ben maar een simpel persoon en van zo veel luxe word ik zenuwachtig. Bij de buren voel ik me veel meer op mijn gemak, ook al kleppen ze me de oren van het hoofd. Hun huis is tenminste net zo groot als het mijne.

“Wat een mooie… woning”, had ik gestameld, nadat Leandro de enorme deur voor me had opengedaan. De bel was een koperen schapenkop. “Ik wist niet dat je zo rijk kon worden van lesgeven.” Ik betaalde die man maar een paar tientjes per uur.

We zouden deze zomer naar Italië gaan, eindelijk naar de kust van Amalfi, en ik wilde Robert en de rest, onze kinderen, de ogen uitsteken. Een paar weken geleden hadden ze grappen lopen maken over dat ik nooit ergens mijn best voor deed. Ik herinnerde m’n bloedjes aan de twee helse bevallingen waarmee hun bestaan was begonnen, en toen lachten ze dat ik daar blijkbaar nu nog steeds van moest bijkomen. Dan kun je het krijgen ook, dacht ik. Als wij in augustus dat vliegtuig uit stappen, spreekt mama vloeiend Italiaans.

“O, ik doe dat lesgeven voor de lol”, had Leandro geantwoord. “Daarom vraag ik er ook zo weinig voor. Ik vind het gewoon leuk.” Hij leunde tegen de muur om de deur dicht te kunnen gooien en greep de handvatten van zijn krukken weer vast. “Anders dwaal ik hier de hele dag in mijn eentje door het huis, mezelf afvragend in welke kamer ik nu weer zal gaan zitten tot ik weer naar bed kan.”

Ik keek de hal door, waarvan ik het einde nauwelijks kon zien. Ik zag overal deuren, minstens tien, gokte ik. Aan de muur naast me hing een enorm portret, zo goed geschilderd dat ik dichterbij moest komen om te zien dat het geen foto was. Leandro en een vrouw met donker haar. Hij stond trots rechtop, en zij – zijn vrouw? – zat voor hem op een houten kruk, in een rode jurk met zwierige lappen. Waar was zij dan?

“Kan ik misschien nog even van het toilet gebruikmaken?”, vroeg ik.

Met zijn hele hand wees hij hoffelijk naar een deur rechts van mij. “Wil je koffie?”

“Graag.”

null Beeld

Hij hinkte de gang in, verdween in de derde deur en riep van daaruit nog: “We zitten straks in de studeerkamer. Laatste deur links. Hij staat open.”

Het is vandaag de derde dinsdag van april en dit is mijn derde Italiaanse les. De eerste twee lessen hadden bij mij thuis plaatsgevonden, van tien tot elf, nadat Robert naar zijn vroege dienst was vertrokken, mijn zoon naar school en mijn dochter naar haar werk. Ik houd deze lessen geheim, want ik had een visioen: vanaf het moment dat onze voeten op de grond van Napels zouden neerkomen, zouden de Italiaanse volzinnen uit mijn mond vloeien. De gehele familie Bartels zou tien dagen lang als makke welpjes achter hun moeder aan hobbelen. Ik verheugde mezelf al dagen op het beeld van het verbaasde gezicht van Robert, als ik een Italiaanse taxi zonder blikken of blozen naar ons hotel toe stuur, of hoe de onderkaken van Joey en Ilse op de grond zullen vallen als ik voor iedereen eten en drinken bestel alsof ik nooit anders had gedaan. Dat plezier zou ik mezelf niet ontnemen en dus houd ik de lessen van Leandro, en alles wat daarmee te maken heeft, verborgen. De dertig euro per uur betaal ik contant, want ik weet dat Robert onze uitgaven minutieus bijhoudt, zoals hij op zijn werk alle gevangenen turft. Mijn man is bewaker. Zijn gevangenis heeft trouwens al jaren een prima werkend computersysteem, maar Robert is van de oude stempel.

Leandro had een ‘ongelukje’ gehad en kon vandaag tot zijn spijt niet komen. Hij had mij een e-mail gestuurd om de les af te zeggen, maar augustus is eigenlijk al behoorlijk dichtbij en ik wil geen les missen. ‘Het gaat gewoon door’, had ik teruggestuurd, bijna geschrokken van mijn eigen standvastigheid. ‘Ik kom wel naar jou toe. Groetjes.’ Vanochtend was ik op de crossfiets van Joey gesprongen en naar het adres gereden dat Leandro me had gegeven. Ik had het overgeschreven op de achterkant van een kassa-bon en de e-mails verwijderd. Hij bleek veel verder weg te wonen dan ik dacht. Na afloop moet ik nog flink doortrappen om op tijd thuis te zijn, voordat Ilse thuiskomt.

Maar nu heb ik mezelf op eigen kosten toch al minstens vijf minuten opgesloten op dit toilet ter grootte van mijn eigen huiskamer. Wist ik veel dat hij multimiljonair was. Eerst hoorde ik het rommelende geluid van een bonenmaler en toen het gezoem van een koffiemachine, daarna het geluid van zijn krukken door de hal, en toen een tijdje niks. Hoe deed hij dat eigenlijk, met koffie en die krukken? Ik had ook geen gips gezien, bedacht ik. Hij droeg gewoon een spijkerboek en een linnen overhemd.

null Beeld

“Rachel?”, roept Leandro door de gang. “Andiamo!”

God, hij zegt mijn naam nog verkeerd ook. Je zegt het op z’n Frans, niet op z’n Engels. Ik noem hem toch ook niet… Ach, wat zit ik me eigenlijk druk te maken om die man, ik kom hier om Italiaans te leren. Forza, Rachel.

“Ja, ja”, roep ik, maar zo zacht dat hij het onmogelijk heeft kunnen verstaan. Voor het idee laat ik de kraan even lopen, straks gaat hij nog denken... Ik weet niet precies waarom, want aantrekkelijk is Leandro absoluut niet. Bovendien is hij minstens twintig jaar ouder, maar ik strijk met het topje van mijn middelvinger langs mijn mondhoeken en ik schud mijn haar wat op. Als mijn haar goed zit, heb ik minder last van mijn armzalig kleding. Vervolgens stap ik naar buiten, de gang in. Wat maakt het nou uit wie mijn leraar is, en waar ik zelf vandaan kom. Italiaans leren kan iedereen, overal. Dacht ik.

Mijn zoon Joey is een goed joch. Uit zichzelf gaat hij wekelijks bij mijn vadertje op bezoek, die helemaal alleen woont, om samen met zijn opa voetbal te kijken. Joey is relaxed. Als klein kind had hij nog weleens een driftbui, maar een jaar of vier geleden heeft hij de vechtsport ontdekt en sindsdien heeft niemand ooit nog een seconde last van hem gehad. Vroeger zat hij op judo, maar hij heeft alle banden in alle kleuren van de regenboog al verzameld en hij was veel te sterk voor zijn leeftijdsgenoten. Nu doet hij aan boksen. Niet dat hij zo dol is op vechten, hij doet het om zijn hoofd even uit te schakelen. Dat zegt hij zelf. In zijn hoofd is hij blijkbaar een stuk drukker dan je aan de buitenkant kunt zien. Maar misschien is dat bij iedereen wel zo; dat je nooit echt weet wat er precies speelt in iemands gedachten. Blijkbaar straal ik uit dat ik nergens mijn best voor doe, als ik mijn kinderen mag geloven, terwijl ik van mezelf weet dat ik doodsbang ben om te falen. Dat is een eigenschap die vaker voorkomt bij mijn sterrenbeeld, altijd eigenlijk. In elk geval kun je Joey er prima bij hebben. Ik houd niet van geweld, Robert ook niet, kijk maar naar zijn baan, maar als ik met Joey op straat loop, voel ik me veilig. Hij is veertien en ik word volgend jaar veertig. Ik ben geen moedergans die bij gevaar haar kroost bijtend en klapwiekend zal beschermen, hij beschermt míj.

Zijn zus Ilse is een heel ander verhaal. Zij zit altijd in de problemen. Tenminste, schijnproblemen, want Ilse is een dramaqueen. Vaak blijven Robert en ik gewoon rustig zitten als zij weer staat te schreeuwen en te stampen dat haar allerbeste vriendin – steeds weer een ander – dit of dat heeft gezegd tegen die of die. Of ze ligt de hele dag met haar hoofd in de kussens als ze Timo of Kevin, of weet ik veel wie, weer met Lara heeft zien zoenen. In dit geval gaat het trouwens wel altijd om Lara. “Ik heb helemaal niks aan jullie!”, schreeuwt ze dan door de huiskamer, alsof het allemaal onze schuld is, om vervolgens met dat enorme leed op haar schouders in de tuin pathetisch een sigaret te gaan roken. Ik hou niet van dat gerook. Ilse heeft er al drie van haar vier grootouders aan verloren. Hoe dan ook, Ilse is zeventien en het hoort er allemaal bij.

Ik heb die periode ook gehad. Ze zoekt het maar uit. In Amalfi zal ik een paar knappe Italiaanse jongens voor haar ronselen.

Leandro zit aan een ovale tafel van glanzend donker hout met twee kleine espressokopjes voor zijn neus. Het is geen studeerkamer, maar een bibliotheek. De plafonds zijn hier hoger dan in de andere kamers en de kasten met boeken en de schilderijen lopen door tot helemaal boven aan de muur. Voordat het me begint te duizelen, ga ik snel zitten en richt ik me op hem en op de koffie. De oortjes zijn zo klein dat ik het topje van mijn pink niet eens door de opening krijg.

“Wat goed dat je toch nog bent gekomen”, zegt hij.

Ik knik.

“Talent is inzet! Zeg ik altijd. Je wordt er niet mee geboren, maar het gaat erom hoe graag je iets wilt bereiken.”

“Heb je melk?”

“O, god, sorry. In de koelkast. Ik drink ’m zelf altijd zwart.”

Hij schuift zijn stoel naar achter en grijpt naar de krukken die naast hem tegen de tafel leunen, maar ik bedenk me. Het is een halve marathon naar die keuken van hem. “Laat maar. Lekker zo!” Ik sla het kopje achterover, waarbij ik even moet denken aan vroeger, toen we op deze manier shotjes tequila achteroversloegen, tussen onze tanden. De koffie smaakt bitter en sterk.

null Beeld

Leandro begint met de les. Hij gebruikt geen boeken. Hij spreekt korte zinnetjes hardop uit, die moet ik nazeggen en opschrijven. Dit doen we een uur lang. Soms zijn het alleen werkwoorden, waarvan ik alle vervoegingen op moet schrijven. Io mangio, tu mangi, lei mangia. Soms laat hij me woorden opschrijven die ik nog niet ken. Indossa un vestito rosso. Het woord vestito kende ik nog niet, dat bleek jurk te betekenen. Vorige keer behandelden we het thema eten, vandaag doen we kleding.

“Je kunt me alles wijsmaken”, zeg ik na een tijdje. “Weet ik veel of het klopt.”

Hij begint te lachen.

“Misschien betekent vestito wel… spookhuis, of zo.”

Hij lacht opnieuw, maar hij spreekt me niet tegen en gaat door met de les.

Na een uur praten en schrijven – een uur dat eerder als een paar minuten aanvoelt, want ik vind dit leuk en die koffie werkt als een trein – schrik ik op van luid geklingel van een klok, een apparaat dat ergens in een andere kamer van dit paleis moet staan. De muren en vloeren van het huis weerkaatsen de melodie tot een half draaiorgelconcert. Het is 11.00 uur. Om 12.00 uur begint de pauze van Ilse. Ze komt altijd thuis lunchen, want ze werkt in de kantine van het ziekenhuis en de broodjes daar smaken naar anti-biotica. Als ze daarover vertelt, trekt ze altijd een vies gezicht.

Ik voel me raar. Tijdens de les had ik er geen last van, maar dit huis heeft me nieuwsgierig gemaakt. Ik verlang naar antwoorden op vragen die ik helemaal niet wil stellen. Wie is hij? Waarom is hij zo rijk? Waar is de vrouw in de rode jurk? Wat was dat ‘ongelukje’ precies? En waarom geeft hij Italiaans? Waarom aan mij? Heeft hij nog andere… leerlingen? Ik werk mezelf uit deze gedachtestroom door kort met mijn hoofd te schudden, zoals je vroeger tekeningen van een Etch A Sketch kon wissen door met het kastje te schudden. Ik wil me niet met zijn leven bemoeien, ik ben hier om Italiaans te leren. Terwijl we beginnen aan de lange tocht door de gang, terug naar de voordeur, neem ik me toch voor om thuis zijn advertentie nog eens te bekijken. Het was ergens online. Ik kan het vast nog wel terugvinden. Achter me klinkt het gestamp van zijn voeten en dat metalen geklik van zijn krukken.

“Wat is er eigenlijk gebeurd?” Ik blijf naar voren kijken.

“Ongelukje. Gevallen.”

“O. Wat naar. Iets gebroken?”

“Nee.”

“Waarom dan die krukken?”

“Dat…” Ik hoor dat hij stopt met lopen en automatisch doe ik hetzelfde. “Dat heeft met duizeligheid te maken. Ik word de laatste dagen soms overvallen door een gebrek aan evenwicht.”

Hij brengt de laatste zin ineens heel deftig, op een keurig toontje, alsof hij zich ervoor schaamt en het daarom niet met zijn gewone stem durft te zeggen. Langzaam draai ik me om. “Ben je daarom gevallen?”, vraag ik.

Misschien is het de omvang van de ruimte die hem kleiner maakt, maar als ik hem weer zie staan, komt Leandro ineens over als een halve versie van zichzelf. Steunend op de handvatten van zijn krukken, zijn hoofd omlaag, aan het begin van die marmeren tunnel, met een enorme kroonluchter als een gouden donderwolk boven zijn hoofd. Hij knikt en ik krijg ineens medelijden met hem. Ik, met deze duizelige miljonair, die vloeiend Italiaans spreekt.

“Leandro… ik…”

Hij wil me onderbreken en probeert iets zeggen, maar komt niet verder dan een moeizame ademstoot, gevolgd door een piepend geluid. Het geluid klinkt exact als de toeter van een kinderfiets, maar het moet wel uit hem zijn gekomen. Huilt hij nou? Waar komt dit verdriet ineens vandaan?

“Ga maar, hoor”, snottert hij.

“Maar ik heb nog helemaal niet betaald.”

“Kan me niet schelen. Ik hoef dat geld niet. Ga maar.”

null Beeld

Het kan bijna niet, maar zijn hoofd zakt nóg dieper in zijn schouders. Hij wiegt het zachtjes heen en weer en ik heb geen idee wat ik moet doen. Als ik wil, ben ik met een paar stappen bij de deur. De crossfiets van Joey, die geen standaard en ook geen slot heeft, ligt buiten tegen het trappetje, nog geen vijf meter voorbij de drempel. Ik zou binnen tien seconden de poort uit kunnen zijn. Maar ik zet maar twee stappen en blijf dan staan, precies ter hoogte van het schilderij. De vrouw in de rode jurk lijkt me aan te kijken.

“Ik moet gaan, Leandro.”

“Ik heet geen Leandro. Zij noemde mij zo. Ik heet Leo.” Met een knikje van zijn hoofd wijst hij naar het schilderij en ik kijk nog een keer. Maar nu niet naar haar, maar naar hem. Leo.

“Oké…”, zeg ik, en ik draai me om. Tussen het schilderij en de deur zie ik mijn handtas hangen, aan een van de schapenkopjes die op ooghoogte aan de muur prijken. Sleutels, telefoon, geld, meer zit er niet in. Blijkbaar heb ik dat ding daar bij binnenkomst opgehangen, voordat ik zo paniekerig het toilet in schoot. Ik lift het tasje met een vinger van het haakje af, als een gevallen spaghettisliert van mijn schoot. Ik moet echt gaan. Als ik langer blijf staan, loop ik het risico dat mijn geheim uitkomt.

“Ze is vorig jaar overleden”, zegt hij dan. “Op Sicilië, waar ze vandaan kwam.”

“Wat erg.”

Hij knikt. “Zij leerde mij Italiaans. Nadat ze stierf, heb ik mijn bedrijf verkocht. Op een dag ben ik lessen gaan geven. Omdat ik haar zo mis. Ik wil haar horen praten. En het helpt. Maar…” Ik weet niet wat er gebeurt, maar hij stopt met praten. “Het spijt me, ik kan het niet zeggen.”

“Ik weet het ook niet.”

Ik frommel de drie briefjes van tien die ik heb meegenomen uit het zijvak van mijn portemonnee en steek ze naar hem uit. Zo onbelangrijk als dat geld voor hem ook mag zijn, zo belangrijk is dit voor mij. “Tot volgende week dan maar”, zeg ik. Maar hij ziet niet wat ik doe, zijn ogen zijn nog waterig.

“Het is oké”, zegt hij. “Laten we maar doen alsof dit niet is gebeurd.”

Hij glimlacht naar me, dus ik strek mijn arm en ik zeg: “Prego.” Lekker positief.

Leandro, of Leo, kijkt me nu wel aan en zet een stap naar voren. Zijn krukken blijven nog heel even rechtop staan en kletteren dan tegen het marmer. “Giulia…”, zegt hij tegen me. Ik zie zijn ogen wegdraaien, en dan valt hij.

Ik kan hem niet tillen, ik zou hem niet eens kunnen verslepen. Op de crossfiets van Joey race ik naar de poort en weer terug, zodat ze de ambulance recht voor de deur van de villa kunnen parkeren. Ze zetten hem met de achterkant pal tegen het trappetje aan en als de ambulancemedewerkers zijn uitgestapt, doen ze de bek van het gele beest open. De patiënt kan zo naar binnen worden geslokt. Wat dat betreft is het een mazzeltje dat Leo in de gang ligt. De verpleegkundigen hoeven hem alleen maar op de brancard te rollen, die ze vervolgens kaarsrecht – het is net een robot-ober met een dienblad vol drankjes – over de drempels en het trappetje in- en uitklikken, tot in de ambulance.

“Zijn die krukken van meneer?”

Ik knik. De verpleegkundige pakt ze van de grond en neemt ze mee. Hij kijkt even naar het lichaam dat hij net in zijn ambulance heeft geschoven, ziet blijkbaar niet direct een aanleiding voor het gebruik van krukken, zoals ik dat eerder ook niet begreep, en kijkt vragend weer naar mij.

“Hij was duizelig. Vorige week is-ie ook al gevallen. Die krukken zijn uit voorzorg.”

“Gebruikt hij medicijnen?”

Ik schud van nee, terwijl ik eigenlijk geen idee heb.

“Bent u zijn vrouw?”

“Ik eh…” Vanuit deze hoek lijkt het net of Giulia van me wegkijkt, alsof ik haar heb beledigd.

“Ja”, antwoord ik. Dan sluit ik de voordeur alsof het mijn voordeur is.

Omdat ik zijn vrouw ben, mag ik meerijden. Zo ben ik toch nog op tijd terug. Op het laatste moment bedenk ik dat ik dan wel de fiets van Joey moet meenemen. Ik negeer de blik van de verpleegkundige. Ik zou ook niet begrijpen waarom een vrouw die in zo’n immense villa woont, een crossfiets wil meenemen naar het ziekenhuis, en bovendien zo slonzig gekleed gaat. Alsof het allemaal mijn zaken zijn, neem ik weer plaats op een van de witte inklapkrukjes. Je kunt in zo’n ambulance alles in- en uitklappen.

Hij krijgt zuurstof. Het kapje is gemaakt van flexibel, lichtgroen rubber. Terwijl we over de grindweg rijden, door de poort de straat op, zie ik Leo’s lijf deinen op de brancard. Als er leven in zit, valt het niet op hoe groot en zwaar hij is. Ook met die krukken staat hij als een sterke man. Maar nu, zonder kracht, lijkt hij net een pudding op een veel te klein schoteltje. Hij ligt erbij alsof de zwaartekracht hem al langzaam zijn graf in probeert te trekken.

“Uw man heeft waarschijnlijk een infarct gehad”, zegt de verpleegkundige. “Hij heeft gelukkig nog wel een hartslag. Hij krijgt nu zuurstof.”

Ik knik. “Hij gaat niet dood? Toch?”

De broeder denkt even na. “We zijn op tijd.” Hij kijkt me aan alsof hij op antwoord wacht, maar ik weet niet wat ik moet zeggen. Dus ik pak Leo’s hand vast. Giulia zou dat vast ook hebben gedaan. Dat ik hier ben, is een geheim voor mijn familie, maar wat ik nu aan het doen ben, is misschien wel de grootste leugen waarin ik ooit heb geleefd. Ik kijk op mijn telefoon en zie dat het 11.36 uur is.

“Waar gaan we naartoe?”

“Het Sint Anna”, antwoordt de verpleegkundige.

Het ziekenhuis waar ik mijn twee kinderen op de wereld heb gezet. Het ziekenhuis van de helse bevallingen en de antibioticabroodjes. Als de verpleegkundige zich omdraait om de hartslagmeter weer op te vouwen, vouw ik de drie tientjes die ik steeds in mijn hand heb gehouden drie keer dubbel en steek ze in Leo’s broekzak.

“Mama!” Ilse lijkt niet blij om me te zien. Ze zegt ‘mama’ alsof ik net iets heel gênants heb gezegd. “Wat doe jij hier?” Het is 12.05 uur en ik sta in de grote hal tegenover de kantine. Ik heb een tijdje naar haar staan kijken.

null Beeld

“Wij gaan samen lunchen.”

“Oké…”, zegt ze argwanend. “Is er iets?”

“Moet dat?”

“Nee, maar wij gaan nooit samen lunchen.”

“Jullie zeggen dat ik mijn best niet doe. Maar dat doe ik wel. Ik doe mijn best voor jullie. En ik heb zin om met mijn dochter te lunchen.”

Ilse lacht. Ze klikt haar naambordje van haar kantinejasje en ruilt het om met het pakje sigaretten dat in het voorvakje van haar rugzak zit. Zodra we de draaideur uit stappen, steekt ze er eentje op. Ik besluit er niets van te zeggen.

“Gezellig”, mompelt ze. Ik hoor dat ze het meent.

Terwijl we samen in de richting van de winkelstraat lopen, passeren we de ingang van de eerste hulp. Leo is naar de tweede verdieping gebracht, daar zullen ze hem voor minstens een middag aan een hart-longmachine leggen, zodat zijn lichaam in alle rust kan herstellen. Dat hebben ze me verteld. Hij krijgt extra zuurstof en medicijnen tegen zijn hoge bloeddruk. Ik heb niet op al die nieuwsberichten gereageerd, want ik wist niet direct welke stem en welke woorden er hoorden bij deze nieuwe rol die ik tijdelijk aan het spelen was. Ik heb de dokters bedankt met een deftig knikje en een stevige hand en tegen een verpleegster op de gang heb ik gezegd dat ik een wandeling wilde maken en later terug zou keren.

Op de parkeerplaats staat de ambulance waarmee ik hier gekomen ben. De crossfiets van mijn zoon leunt ergens verderop tegen een plantenbak aan. Hij staat niet op slot, maar ik vertrouw de mensen. Straks zal ik erop naar huis rijden. Boodschappen doen, mijn zoon ontvangen, hem niet zonder boterham naar de sportschool laten vertrekken. Dan komt Robert thuis. Hij zal even een dutje doen op de bank en wakker worden van de geur van gebraden rundervinken. Tijdens het schillen van de aardappels overhoor ik mijn Italiaanse woordjes in gedachte, terwijl ik de puree stamp, stamp ik meteen ook vervoegingen in mijn hoofd. Misschien komt Ilse thuis, maar waarschijnlijk niet. Meestal gaat ze na het werk de stad in, met een jongen. Ze is altijd verliefd, en altijd is haar hart gebroken. Maar nu haakt ze haar arm in de mijne.

“Giulia”, mompel ik.

“Wat zeg je, mam?”

“Giulia. Zo had ik wel willen heten.”

“Wat is er mis met Rachel?”

“Niks, schat. Helemaal niks.” ■

Over de schrijver

Lykele Muus (34) is acteur en schrijver. Hij schreef twee romans en het boek Zo kan het dus ook over co-ouderschap, waarbij hij ook een podcast maakt. Met zijn ex, de actrice Melissa Drost, heeft hij een dochter: Nine (7). Momenteel is Lykele te zien in de televisieserie Thuisfront.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden