Een kerstverhaal door Nico Dijkshoorn: ‘Even voor altijd bij elkaar’

null Beeld
Nico Dijkshoorn

KERST 1973

De fazant van mijn moeder

Ik zat naast mijn vader. Ik mocht twee uur langer opblijven, want het was bijna kerst. Het huis rook naar fazant. Niet naar de levende variant. Dat zou ook zomaar hebben gekund, zes kippen, een varken en een groep fazanten midden in onze woonkamer.
In Amstelveen werden wij gezien als een stel Amsterdamse asocialen. Mijn vader repareerde vlak voor onze flat, midden op het parkeerterrein, oude auto’s en zwaaide af en toe naar ons met pikzwarte armen. Dat zagen alle andere flat-bewoners ook. Op zaterdagavonden denderden er wilde feesten door ons huis. Er werd met allemaal vrienden uit Amsterdam woest gedanst op muziek van The Flying Burrito Brothers. Yihaaaa!
Dat wij door de andere bewoners in de flat werden gezien als een stel Amsterdamse paupers hoorde ik pas een paar jaar geleden. Mijn vriend Edwin vertelde mij bijna terloops hoe er in die tijd naar ons werd gekeken. Hij zei: “Je kent die Italiaanse films toch wel, dat er allemaal Italianen met rottende gebitten aan een lange tafel heel hard naar elkaar zitten te schreeuwen en dat ze moeten huilen om een tomatensaus van hun mama en dat ze daarna lege wijnflessen tegen de zijkant van hun huis gooien? Zo zagen wij jullie. Als een familie waar het altijd onrustig gezellig was, waar iedereen gewoon maar wat deed. Zo zijn wij ook vrienden geworden. Ik wilde liever bij jullie zijn, bij de asocialen. Jullie lachten heel hard om niets. Dat wilde ik ook.”

Een fazant aan mijn voeten, het had zomaar gekund, maar nu propte mijn moeder hem met karkas en al in een snelkookpan. Wij, mijn broers en ik, keken hoe ze dat deed. Mijn vader was alleen geïnteresseerd in de eetbare fase. Om extra kracht te kunnen zetten klom mijn moeder op een krukje, zodat ze de fazant met haar platte handen in de snelkookpan kon drukken. Ondertussen las ik nog maar eens de gebruiksaanwijzing voor. “Vul de snelkookpan nooit verder dan de vulrand.” Mijn moeder keek niet eens op. “Vulrand, mijn kont”, zei ze. Ik las door: “Anders kan het ventiel verstopt raken.” Nu keek ze op. “Ventiel? Waar heb je het over? Sta jij nou met de handleiding van een kinderfiets in je handen? Hoezo ventiel?” Ik liet haar de tekening in de gebruiksaanwijzing zien. “Deze. Hij moet af en toe een sissend geluid maken. Dan is het goed. Als hij niet sist, kan de pan exploderen.”
Dat zagen we allemaal even voor ons. Wij met z’n allen in de woonkamer, lachend om Piet Bambergen. Een dreunende ontploffing, een stofwolk en daarna, minuten later, de constatering dat de hele achtergevel van de keuken eruit is geblazen. De halfgare fazant die driehonderd meter verderop langs een doorgaande weg wordt gevonden. Mijn moeder maakte aan al dat gemijmer een eind. “Zo die zit erin. Vlam eronder, sissen maar. Vrolijke kerst!”

null Beeld

Laat ik eerlijk zijn. Ik heb tot mijn twaalfde gedacht dat Jezus een gerecht was. Bij mijn oma lag een Kinderbijbel die ze ooit had gekregen van een man die ’s avonds aanbelde. Om van hem af te zijn, had ze een bijbel gekocht. Prachtige verhalen stonden daarin over iemand die een instortend gebouw boven zijn hoofd hield omdat hij heel sterk haar had en over twee vechtende broers en over een man die heel goed een steen achter iemands oor kon gooien. Ik had geen idee dat ik de bijbel las. Mijn oma had voor de zekerheid de voorkant van het boek gescheurd.
Erg vroom ging het er bij ons niet aan toe. Zo herinner ik me de kerstdagen in Amstelveen. Eerst het gebruikelijke gedoe met de kerstboom. Dat is een Amsterdams dingetje: Amsterdammers denken altijd dat ze de mooiste boom van het land hebben. Ik verbaasde me er vooral over dat iemand als mijn vader, die verder geen enkele interesse had in wat dan ook, opeens een vastomlijnd idee bleek te hebben over dode bomen in huizen.
Steeds maar weer werd de kerstboom door ons huis getild, terwijl mijn vader keek waar hij het best tot zijn recht kwam. Ik denk dat mijn vader de eerste binnenhuisarchitect van Nederland was, hij wist het alleen niet. Tegenwoordig kun je elke dag naar vier verschillende tv-programma’s kijken over tuininrichting. Je hoort zinnen als: ‘Kijk Brandy, we hebben je huiskamer als het ware verlengd door de tafel te laten resoneren met de palmhouten tuinstoelen. Daar staan de koperen reigers, langs de vijver waar je in de winter naar keuze een gewone fontein of een chocoladefontein in kunt laten stromen. Hoe vind je het?’
Dat vroegen wij ook steeds aan mijn vader als we de kerstboom weer in een andere hoek hadden gemanoeuvreerd. Hij antwoordde niet in wollige taal. Hij zei niet: “Die boom moet gaan figureren in zijn eigen tijd en ruimte zodat wij een stukje kerstbeleving kunnen consumeren.” Daar had hij de woordenschat niet voor, maar de inhoud was wel ongeveer hetzelfde. Hij keek naar de boom en zei: “Hij lult niet met de muur. Die boom gaat helemaal naar de kloten in die hoek. Andere plek.” En daar gingen we weer.

Grofweg gezegd was de kerstsituatie in 1973 als volgt: de avonden waren van mijn moeder, de rest was van mijn vader. Tijdens beide kerstavonden triomfeerde mijn moeder. Ze heette Nel en we noemden haar tijdens kerst honderden keren bij haar naam. Na kerst werd het gewoon weer mama. Als een stel praatgrage idioten prezen wij onafgebroken het gestoofde wild dat zij vlak voor ons op tafel zette. “O Nel, hoe doe je het toch? Is dit dezelfde fazant die je in de pan stond te duwen?
Nee! Hoe doe je het? Het smaakt helemaal niet meer naar fazant, maar naar iets lekkers! Ongelooflijk Nel. Vertel! Vertel! Anders draaien we je arm op je rug, maar vertel ons, hoe doe je dit? Ben je opgegroeid tussen de fazanten, Nel? Vertel ons hoe je dit doet. We zullen het niet verder vertellen. We sturen geen brief naar Libelle waarin we uitleggen hoe je Fazant Van Nel maakt. We houden het geheim. Hoe doe je het, Nel?”
Het waren de enige dagen in het jaar dat wij haar vroegen hoe ze iets deed. Ik heb nooit, tot aan haar dood enkele jaren geleden, ook maar iets wezenlijks aan mijn moeder gevraagd. Ik weet niets over haar. Ik weet niets van geheime liefdes, haar jeugdvrienden, het verdriet op een zolderkamertje, haar eerste rapport op school. Niets. Ik weet hoe mijn moeder fazant maakte. Dat is het. Omdat het een ritueel was. Dat was zo gegroeid.

We deden elk jaar net alsof we wilden weten hoe ze een fazant stoofde. Ze deed een paar minuten alsof ze het ons niet wilde vertellen, en daarna riep ze: “Oké, maar niet verder vertellen.” We zwegen en ze zei: “In de snelkookpan stoppen, wachten tot het sist, lager zetten, uurtje wachten, fazant uit de pan, maar dan is hij nog niet lekker. In een braadpan doen, boter erbij, kruiden, beetje op gevoel, scheutje wijn en dan heel zachtjes op een pitje, een paar uur lang. Klaar.”
Daarna mochten wij weer. “O Nel, wat lekker!” We aten twee dagen en daarna werd mijn moeder weer iemand die gedachteloos broodbeleg op ons brood legde, schooltassen inpakte, schone kleren over de stoel hing en thuis in het halletje stond als we van school kwamen. Ze vroeg ons elke dag of we het fijn hadden gehad. Ik vroeg haar nooit iets. Je kunt zeggen: dertienjarigen vragen altijd weinig. Hun ouders zijn er gewoon. Dat is waar, maar dan ben ik altijd een dertienjarige gebleven. Pas nu, nu ze het niet meer kan lezen, staat ze als kokende prinses in een tijdschrift. Ze zou het prachtig hebben gevonden en ze zou tegelijkertijd verdrietig zijn geweest om de inhoud. Zo jammer dat ze een leven lang alleen iemand is geweest die straalde tijdens de kerstdagen.

KERST 1991

Gourmet of toch fondue?

Orlanda en ik hebben het als volgt verdeeld. Kerstavond bij haar moeder, Eerste Kerstdag thuis bij ons met onze vrienden Tom en José en de Tweede Kerstdag met mijn familie eten bij mijn broer. We gaan gourmetten. We zorgen met z’n allen voor vlees en salades. Orlanda en ik maken het dessert. Iets met ijs en vruchten en dan noemen we het IJs Picasso. Lange halen, snel thuis. Al tijdens Kerstavond beginnen de eerste alarmerende berichten binnen te komen. Mijn moeder heeft mijn broer gebeld. Klaas, mijn vader, wil fonduen. Dat is gezelliger. Hij wil het gele vorkje. Meteen sta ik op scherp. Mijn vader en fondue, dat is de klassieke combinatie van kinderlijke trots om niets, eigenwijsheid en drammerigheid. Al jaren domineert hij elke fonduemaaltijd. Nooit heb ik hem zich zien bemoeien met andijviestamppot, macaroni of gehaktballen met kapucijners. Dat schuift hij allemaal zwijgend naar binnen, maar tijdens een fondue-avond gebeurt er iets bijzonders: hij wordt een superheld. Fondueman!
Talloze keren heb ik hem tijdens een fondue zien veranderen in een bezeten wetenschapper. De olie moet worden opgewarmd op een vol brandende gaspit. Hij test de temperatuur niet met een stukje brood, maar luistert aan de pan. Als die begint te tikken, dan nog ongeveer tien minuten op vol vermogen. Daarna de pan schreeuwend naar de kamer brengen. “Pas op, heet. Is heet. Pas op. Ligt er niks op de grond waar ik over kan struikelen? Daar kom ik. Pas op heet.”

null Beeld

En daar kwam hij. Daarna verbeterden wij elke keer het wereldrecord fonduen. Het vlees aan de vorkjes veranderde binnen enkele seconden in een blokje diep gefrituurd zwart restmateriaal uit een kolenkachel. Tijdens één fonduesessie liep mijn vader gemiddeld zes keer naar het gasfornuis om de olie weer op lavatemperatuur te krijgen. Zou ik hem toen hebben voorgesteld om voortaan de stoelen om het fornuis te zetten, dan zou hij dat een heel goed idee hebben gevonden.

Daar heeft mijn broer dus even helemaal geen zin in, dat gedraaf met een pan kokende olie dwars door zijn nieuwe huis. Het wordt gourmetten. Geen gedoe. Wat kan er misgaan? Iedereen zijn eigen pannetje. Gezellig. Daar denkt mijn vader heel anders over.
Ik bel mijn broer. “Hij wil fonduen?”, vraag ik. “Ja”, zegt hij, “gourmetten vindt hij iets voor boeren.
Hij zegt steeds: gourmet, daar geloof ik niet in. Nou ja, het bekende werk. Sinds we daar niet meer eten met kerst, is het ellende. Hij zal en moet voor eeuwig met een fonduepan door het huis lopen, maar ik ga mijn poot stijf houden. Geen fondue dit keer. Hij gaat maar lekker zijn eigen vlees verkolen, in zijn eigen pannetje. Nel zegt dat hij er zich voorlopig nog niet bij neerlegt. We gaan het meemaken. Jij doet het dessert toch?” Ik vertel mijn broer dat het IJs Picasso wordt. Hij lacht. “Zoals Tong Picasso. Visje bakken en er vruchten uit blik overheen donderen. Lekker creatief, ouwe!”
Als Orlanda en ik een dag later binnenkomen met een vrieskist vol ijs en blikken vruchten, zien we dat Klaas zich nog lang niet heeft neergelegd bij zijn nederlaag. Hij staat in de woonkamer aan niemand in het bijzonder heel hard uit te leggen wat er zo fijn is aan fonduen. “Fondue is voor mij kerst en kerst is voor mij fondue. Dat praat je niet uit mijn hoofd. Samen in die rook zitten en dat de volgende dag iedereen zijn broek naar gebakken vlees ruikt, dat vind ik mooi. Laat me. Ik vind dat gezellig, dat je je met het vlees van een ander bemoeit. Dat iemand zijn vorkje is vergeten en dat je hem helpt herinneren. Dat heb je niet met gourmet. Dan is iedereen met zijn eigen pannetje bezig. Nou ja, pannetje. Kinderspeelgoed. Gourmet, dat is voor mij je eigen vreten maken in een poppenhuis. Fondue is voor volwassenen. Zo zie ik het.”
Ondertussen staat mijn broer samen met zijn vrouw de tafel te dekken. Geen fonduestel te bekennen. Mijn broer heeft twee nieuwe gourmetsets gekocht. Mijn vader zit aan tafel en zwijgt. Mijn broer zegt dat het een nieuw soort Tefal-laag is. Het beste van het beste, dus of we niet met onze messen in het pannetje willen snijden. Dan kan hij ze weggooien.

Daarna saboteert mijn vader de avond. Eerst wil hij niets eten. Hij heeft niet zo’n trek. Mijn moeder dringt aan. Ze fluisteren. Af en toe zegt hij net iets te hard het woord ‘fondue’. Mijn moeder kijkt mij aan, maar ik doe net alsof ik gek ben. Laat maar gaan. Geen aandacht geven. Om mijn heen sissen de pannetjes. Orlanda legt een stukje kaas op een dwergsaucijsje.
We prijzen de pannetjes, het zijn de beste gourmetpannetjes ooit. “Ongelooflijk”, zeg ik. “Niets bakt aan en toch wordt het vlees bruin. En die handvatten, ook zo mooi. Die blijven koud. Wat een geweldige gourmetervaring.”
Opeens komt mijn vader in beweging. Hij zet zijn pannetje op de bakplaat, zonder boter. Ik zie mijn broer kijken. Dat mag helemaal niet met deze nieuwe Tefal-laag, opwarmen zonder boter. Ik roep: “Boter, Klaas.” Hij kijkt niet op en schept met een lepel bijna een ons boter in zijn pannetje. Daarna legt hij met zijn hand een stuk biefstuk in de lauwe boter. Mijn moeder doet alsof ze eet, wij doen alsof we eten. We houden Klaas vanuit onze ooghoeken in de gaten. Na een kwartier zet hij het pannetje vlak voor zich, midden op zijn bord. Hij pakt mes en vork en met zijn allen horen we hoe hij net zo lang snijdt tot hij de Tefal-laag hoort piepen. Hij stopt een stuk vlees in zijn mond. Daarna zegt hij heel hard: “Fondue.”

Jaren later zeg ik tegen mijn broers: “Zou het daar al zijn begonnen, zijn alzheimer? Was dat het begin? Hadden we het eerder moeten zien?” We staan naast onze auto en zijn net op bezoek geweest bij mijn vader. Hij heeft een halfuur lang zitten vertellen over de oorlog en daarna heeft hij ons een niet bestaande deur laten zien die volgens hem open moet, want dan kan hij naar een binnentuin om dozen uit te laden voor de Duitsers. Hij stelt ons voor aan zijn nieuwe vrouw. Ze heet ook Nel. We kijken naar een lege stoel.
“Was het toen al alzheimer?”, vraag ik. We zwijgen even. “Ik denk het toch niet”, zeg ik. “Dat was vintage Klaas. Hij wilde het middelpunt zijn. De fonduekoning van Nederland uithangen.” We stappen alle drie in onze auto en rijden weg. Later blijkt het de laatste keer te zijn geweest dat ik mijn vader hoorde spreken.

KERST 2018

Tijd inhalen in de Ardennen

Ik loop met mijn zoon, midden in de Ardennen, achter een enorme boodschappenwagen door een gigantische supermarkt. Ons vakantiehuis heeft twee ovens. Ik ontdek ze als ik met mijn jas nog aan door het huis loop. We hebben zojuist de altijd ongemakkelijke uitleg van de eigenaar achter de rug. Hij wijst op een kraan, draait hem open en er komt water uit. Dat hebben we in Nederland ook, maar we doen net alsof we onze ogen niet kunnen geloven. Stromend water, het lijkt wel tovenarij.
Steeds als de eigenaar van het huis ons tijdens de korte inleiding iets laat zien, kreunen we zachtjes of we maken een ander goedkeurend geluid. Als we hem weg horen rijden, wandelen we alle vier door het huis. Ik blijf in de woonkamer en wacht op de heerlijke geluiden. Mijn dochter als eerste: “Pap, pap, we hebben een ligbad met discolichtjes erin!” En bijna meteen daarna mijn zoon: “Pap, een tafeltennistafel en een pooltafel!” Ik wacht geduldig op Tanja. “Niek! Nico, zo’n bed wil ik dus ook. Kom eens kijken.”
Ik loop naar boven en zie het bed. Tanja staat ernaast met haar eigen kussen onder haar arm.
Dat ontroert mij. Ik heb een vriendin die haar eigen kussen meeneemt en haar eigen Japanse mes. Na een vakantie in Barcelona greep ze me in het vliegtuig opeens bij mijn arm. “Het mes! Vergeten!”
Ik loop de slaapkamer van mijn zoon binnen.
Hij ligt op zijn buik, met het hoofd in zijn kussen. “Heerlijk bed, ouwe. Goed geregeld.”

null Beeld

We doen dat al jaren, de kerstdagen doorbrengen in een vakantiehuis. Bijna altijd in de Ardennen en een keer in Duitsland, waar we nooit meer naartoe gaan omdat ze er geen kerstbrood met spijs verkopen. We maken lange wandelingen langs vervallen boerderijen, door bossen en verlaten dorpjes. Ondertussen bedenken we de kerstmaaltijd. “Hollandse garnalen, verkopen ze die hier eigenlijk? Dan maken we een jaren zeventig garnalencocktail in zo’n lullig glas.”
We weten allemaal waarom we elk jaar naar de Ardennen trekken met een achterbak vol cadeaus en wandelschoenen. We proberen in een week in te halen wat we allemaal hebben gemist. Nadat Orlanda en ik uit elkaar gingen, heb ik de kinderen bijna nooit meer langer dan drie dagen om me heen. Ik zag ze ’s ochtends niet meer naar school gaan, ik zag mijn zoon niet thuiskomen met een goed rapport, ik heb mijn dochter niet verliefd zien giechelen en ik heb ze niet jaren achter elkaar tegenover me gehad tijdens het avondeten. Voor mijn kinderen geldt hetzelfde. Ze zien me eindelijk weer eens zeven dagen lang bij het minste of geringste in de zenuwen schieten. Ze kijken samen met Tanja hoe ik in de supermarkt voor vreemde zakken chips sta. “Kijk dan, geroosterde ham met look! Die wil ik.”
Tanja staat tussen mijn kinderen in. Arm in arm. Ze kent het gezinsleven, maar niet met eigen kinderen. Thuis vallen mijn kinderen het liefst tegen haar in slaap, maar dit is nog fijner: een week lang net doen alsof we voor altijd bij elkaar zullen wonen.

null Beeld

Mijn zoon houdt een enorme kip voor mijn hoofd. “Deze?” Ik kijk op mijn telefoon naar het recept. “Hoe zwaar is hij? Past die wel?” Bob kijkt me aan. “Je hebt je eigen oven, man.”
Opeens twijfel ik enorm. Ben ik nu niet ontzettend mijn vader, met mijn eigen oven? Zit het zo? Wil ik Tanja en de kinderen laten zien dat ik de beste kip maak? Ben ik nu net als Klaas dat hele kerstmaal aan het ruïneren, dat ze allemaal om me heen moeten gaan staan als ik mijn kip uit de oven haal? Tanja is de kok van ons tweeën. Wat moet ik nou eigenlijk bewijzen, met mijn unieke kruiden-mengsel? We brengen de boodschappen naar huis en besluiten een boswandeling te maken. Ik loop zes meter achter Tanja en de kinderen als ik op mijn rug word getikt. Ik kijk om en daar staat mijn moeder. Ze legt haar hand op mijn schouder. Ze zegt niets, maar ze is blij me te zien. Ik wacht tot ze plotseling in het niets verdwijnt, maar ze blijft me vasthouden. Nu of nooit, Nico. Eindelijk. Doe het.

Ik vraag haar: “Mam, was je ooit verliefd? Dus nog voor Klaas?” Nog steeds zegt ze niets, maar ik zie dat ze nadenkt. “Pap. Pap!” Het zijn mijn kinderen, en weg is mijn moeder. “Kijk dan, pap. Een paddenstoel met witte stippen, die vind jij toch heel mooi? Toch?” Ik loop naar ze toe. Mijn kinderen, ze vragen. Ze willen weten. Dit wordt weer een geweldige kerst.

  • Fotografie: Getty Images, Mekht/Unsplash, Stocksy
Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden