null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

Evelien (37) zat een jaar lang in een psychiatrische kliniek: “Hoe kon ik zo diep zinken?”

Evelien (37) maakt er geen geheim van dat ze af en toe naar een psycholoog gaat. Maar dat ze tien jaar geleden in een kliniek zat, weet niemand. “Wie laat zich nou opnemen? Dan moet je wel écht knettergek zijn.”

Sanne CoversGetty Images

“Al sinds mijn twintigste loop ik bij een psycholoog. Daar doe ik niet geheimzinnig over. Waarom zou ik? Bijna iedereen heeft tegenwoordig wel zo’n dik betaald praatuurtje. In dat opzicht was ik mijn tijd gewoon ver vooruit. Alleen dat ik op mijn 28e in een kliniek zat, dat is wel een dingetje. Niet bepaald een verhaal om over op te scheppen op feestjes en partijen. Wie laat zich nou in godsnaam opnemen? Dan moet je wel knettergek zijn. En precies om die reden houd ik het voor me. Ik wil het verleden graag laten waar het hoort: achter me.

Behoorlijk mislukt

Ik heb een rode poetsdoek in mijn hand. Of ik even goed wil opletten, zegt de groepsleider vriendelijk doch dwingend, want ik mag de doek alléén gebruiken in combinatie met de rode plastic schoonmaakfles. Als een volslagen idioot – hoe toepasselijk? – kijk ik haar aan. Meent ze dit nu echt? Toen ik drie dagen geleden met mijn koffer op de stoep van de kliniek stond, voelde ik me al behoorlijk mislukt. Terwijl mijn vrienden bezig waren met hun relatie, een huis gingen kopen of een baby kregen, liet ik me opnemen in een kliniek. En nu luister ik naar een vrouw die me poetsinstructies geeft, omdat ik zonder klinisch schone kamer niet op weekendverlof mag. Hoe heb ik zo diep kunnen zinken?

Moeder Teresa

Ik ben een geboren piekeraar. Als kind maakte ik me al enorm druk over onrecht, oorlogen en gepeste klasgenoten. Maar onbewust ook om mijn moeder, die in haar jeugd seksueel misbruikt was. Hoewel ik daar pas later iets over hoorde, voelde ik als klein meisje al haar pijn en verdriet. Ik besloot later Moeder Teresa te worden, al had ik geen idee hoe ik met alle ellende om me heen moest omgaan. Ik probeerde op school en in sport uit te blinken; als ik een perfect kind zou zijn, hoefde mijn moeder zich over mij tenminste geen zorgen te maken. En misschien zou het me meteen wat meer aandacht van mijn vader opleveren. Mijn onbereikbare vader, die zelfs thuis nog met zijn hoofd op zijn werk zat. Maar die tactiek pakte slecht uit.

Geen pijn meer voelen

Eigenlijk wilde ik maar één ding: geen pijn meer voelen, níets meer voelen. En zo ontwikkelde ik faalangst én een eetstoornis. Het werkte, want hoe minder ik at, hoe meer ik afgestompt raakte. Totdat ik rond mijn twintigste ruim 20 kilo onder ‘een gezond gewicht’ zat en op een gespecialiseerde afdeling van het UMC belandde. Daar hanteerden ze de ‘duw-vijf-maaltijden-per-dag-door-je-strot’-methode, waarbij de focus alleen maar lag op gewichtstoename. Terwijl ik zo graag naar het waaróm van mijn probleem wilde kijken.

Het roer moest om

Na mijn ziekenhuisopname vond ik een baan en kreeg ik een vriendje. Maar algauw maakte hij de relatie uit. Hij had het gevoel bij mij tegen een betonnen muur aan te lopen, zei hij. En hij had gelijk. Ik wilde hem wel dichterbij laten komen, maar ik durfde niet. Ik was helemaal leeg vanbinnen en kon er niet omheen: ik was diepongelukkig. Het moest anders, maar hoe?

Overlevingsstrategie

Volgens mijn psycholoog zou ik pas écht iets bereiken als ik me liet opnemen. Want met dat ene uurtje per week bij hem zou ik mijn vastgeroeste patronen en angsten niet kunnen doorbreken. En dus ging ik ervoor, op één voorwaarde: ik wilde niet alleen behandeld worden voor mijn eetstoornis, ik wilde op zoek naar de oorzaak ervan. En ik wilde niet in het hokje gestopt worden van een anorexia-meisje dat zichzelf uithongert voor een mooi modellenlichaam. Niet eten was voor mij geen schoonheidsobsessie, maar een overlevingsstrategie. Een paniekerige poging om ten minste íets in mijn leven te beheersen. Mezelf eten ontzeggen gaf me voor even een gevoel van controle. Heel even, want al snel nam de ziekte bezit van me en had ik er geen controle meer over.

Boos en verdrietig

En zo verruilde ik de werkvergaderingen op maandagochtend voor kringgesprekken waarin medepatiënten ontluisterende bekentenissen deden als: ‘Ik twijfelde of ik zou springen’, en: ‘Ik heb mezelf gesneden en nam daarna een overdosis pillen’. Na een paar weken werd ik boos en verdrietig: hier binnen was nog meer pijn en verdriet dan daar buiten, in de ‘normale’ wereld. Ook de huisregels vielen me zwaar. Zonder toestemming mocht ik geen frisse neus halen. Ik mocht mezelf niet afzonderen en ik mocht geen wijntje drinken in het weekend. Ik was toch niet gek! Of wel...? Ik werd opstandig en ging in de vrije weekenden feesten als nooit tevoren. Met drank, drugs, alles, het kon me niets meer schelen. Het was weer een vlucht, maar o, wat voelde dat goed. Overbodig om te zeggen dat ook dit niet de beste tactiek was.

Huilen als een klein kind

Na de zoveelste slopende nacht sloot ik mezelf per ongeluk buiten en daar, in mijn eentje op die koude stoep, voelde ik voor het eerst hoe moe en verdrietig ik was. Ik huilde als een klein kind. Eenmaal terug in de kliniek wist ik dat ik mezelf aan de behandeling moest overgeven. Stap voor stap. Mijn hele leven had ik me aangepast aan anderen, waardoor ik geen eigen ‘ik’ had ontwikkeld. Langzaam leerde ik wat ik belangrijk vond. Wat had ik nodig? En vooral ook: waar trok ik de grens? Vooral de relatie met mijn ouders bleek hierin cruciaal: onbewust had ik veel angsten van mijn moeder overgenomen en na al die jaren hunkerde ik nog steeds naar bevestiging van mijn vader.

Een lange weg

Terugkijkend was dat jaar in het ‘gekkenhuis’ het begin van een lange weg die inmiddels, bijna tien jaar later, met nog af en toe een gesprek met een psycholoog ten einde is gekomen. Ik weet nu beter wie ik ben en wat ik nodig heb en durf daar ook voor te staan. Mijn relatie tot eten is weer gezond en ik ben er trots op dat ik het probleem destijds bij de wortels heb aangepakt. Ik vertel dit alleen aan niemand. Nooit. Bang voor de labels, de hokjes en de bijbehorende vooroordelen.”

De gebruikte namen zijn om privacyredenen gefingeerd. De namen zijn bij de redactie bekend.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden