null Beeld

Exclusieve voorpublicatie: Sterrenstof van Daphne Deckers

De Maand van de Spiritualiteit heeft dit jaar als thema ‘Opnieuw beginnen’. Schrijfster Daphne Deckers schreef hiervoor het essay Sterrenstof, waarin ze openhartig vertelt over hoe ze de verschillende fases van het moederschap heeft beleefd. Het eerste deel is hier nu exclusief te lezen.

Zie ik ze echt? Met mijn broek op de enkels hobbel ik uitgelaten van het toilet naar de woonkamer, om het staafje onder een sterkere lamp te kunnen bekijken. Ja, ik zie ze echt: twee streepjes op de zwangerschapstest. Wow, ik word moeder! Vanaf nu klopt er altijd een hartje naast het mijne. Mijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn.

‘Ach mevrouwtje, neemt u maar een sherry.’ Dat zei de huisarts tegen mijn moeder, toen ze na de geboorte van mijn broer een postnatale depressie kreeg. Niet dat mijn moeder wist dat ze een postnatale depressie had. De huisarts ook niet. Vijftig jaar geleden was daar niemand mee bezig. Het motto was: niet klagen maar dragen. En indien klagen, dan sherry. De ervaringen van háár moeder, mijn oma Mien, waren helemaal apart. ‘Een zwangerschapsboek?’ zei ze, toen ik De geboorte van een moeder aan het schrijven was. ‘Dat je daar een heel boek over vol krijgt.’ Mijn oma bracht destijds één keer per maand een potje urine naar de huisarts, alwaar de prenatale adviezen kort maar krachtig werden samengevat: ‘Als u “plons” hoort, dan is de baby er.’ Hoewel we smakelijk om die plons hebben gelachen, heeft mijn oma me later toevertrouwd dat haar eerste bevalling één groot vraagteken was geweest. Zo had ze bijvoorbeeld haar onderbroek aangehouden, omdat ze tot op het laatste moment geen flauw idee had waar die baby nu precies vandaan zou komen.

De huisarts deed de bevalling op de tast, van onder een laken; hij heeft haar nooit ‘in vlezende lijve’ gezien. Maar hij heeft haar wél gecomplimenteerd met het feit dat ze al die uren geen kik had gegeven: zo deden kranige vrouwen dat – een onrealistisch streven dat mijn oma nog eens vijf bevallingen heeft menen te moeten volhouden.

Nieuwe rondingen

Al deze verhalen kreeg ik pas te horen toen ik zelf voor het eerst in verwachting was. Ik vond het best een beetje wonderlijk dat sommige dingen nooit eerder ter sprake waren gekomen (huh – mijn moeder had een postnatale depressie?) maar een en ander zal wel met het katholieke zuiden te maken hebben gehad. Hoewel mijn gelovige oma ruimdenkend was, is ze toch haar hele leven ‘homosueel’ blijven zeggen; alles om het woord seks te vermijden. Om dezelfde reden is het ook generaties lang de bedoeling geweest dat je je zwangere lichaam onder ruimvallende positiekleding verborgen hield: je nieuwe rondingen gaven aan dat je seks had gehad, en die ‘positie’ werd je niet geacht te etaleren in de openbare ruimte.

Er is veel veranderd sinds die tijd; een zwangere buik wordt nu volop beschilderd en gefotografeerd, ja zelfs in gips gegoten. En waarom ook niet? Het krijgen van een kind is één van de meest ingrijpende gebeurtenissen uit een mensenleven. Het is niet zomaar een nieuw hoofdstuk – het is een heel nieuw boek, met hoofdrolspelers die jij weliswaar zelf hebt gecreëerd, maar die niet kunnen wáchten om jou los te laten.

Mijn kinderen, Emma en Alec, denken dat ik oud ben geboren. Zeker toen ze nog pubers waren, konden zij zich nauwelijks voorstellen dat ik óók van hun leeftijd ben geweest, want ik wist niks en ik begreep niks en het was tegenwoordig allemaal ‘zoooo anders’ – precies de dingen die ik ook van mijn eigen moeder heb gedacht.

Maar toen werd ik zwanger, waardoor mijn band met haar in een ander perspectief werd geplaatst. Mijn groeiende buik drukte mijn navel steeds verder naar buiten, en hoe meer hij in het zicht kwam te liggen, hoe meer ik me realiseerde dat ik letterlijk aan mijn moeder heb vastgezeten; dat ik door haar en met haar ben gegroeid. Dat het leven, en zeker het gevoelsleven, helemaal niet ‘zoooo anders’ is geworden, maar dat mijn moeder hetzelfde heeft meegemaakt als ik – maar dan met mij.

In de sterren

Tijdens mijn zwangerschap voelde ik heel sterk dat ik onderdeel was geworden van een menselijke keten; en dan vooral van de vrouwelijke lijn van mijn familie – alsof al die handen in elkaar grepen om het leven aan mij door te geven. En niet alleen het leven: naast het familie-dna is er ook nog zoiets als de dynamiek. Patronen, geschiedenissen, ressentimenten: die krijg je er allemaal gratis bij.

De laatste oudejaarsavond vóór ik moeder werd kan ik me nog goed herinneren. Richard en ik waren in Oostenrijk; hij was daar op hoogtestage en moest de hele dag de gletsjer op en neer, terwijl ik lekker onder een dekentje mocht zitten met een bordje Knödelsuppe op mijn buik. Toen het eindelijk middernacht was, sliep Richard allang, waardoor ik in mijn eentje buiten op het balkon zat te mijmeren over het nieuwe jaar; het jaar waarin we vader en moeder zouden worden van een meisje.

In de kraakheldere berglucht keek ik naar het flonkeren van de sterren. Zo ver weg, en toch zo dichtbij. En opeens dacht ik: als ieder mens is gemaakt van sterrenstof, waarom zou dan uitgerekend dít ‘stofje’ aan ons zijn toebedeeld? Iedere vrouw wordt met al haar eicellen geboren, dus in zekere zin heb je je toekomstige kinderen altijd al bij je gehad. Zou het dan toeval zijn dat het precies deze ene eicel is geworden? Of is het voorbestemd? Gevoelsmatig wilde ik graag geloven dat dit kindje voor mij ‘in de sterren had gestaan’, want cijfermatig was er maar weinig betoverends aan: het ontspruiten van nieuw leven is één grote loterij.

Astronomen die het heelal afspeuren naar mogelijk leven tussen de planeten, zoeken naar de Goldilocks-zones: de zeldzame ‘gouden’ parameters waar precies de goede condities aanwezig zijn: de juiste afstand tot een zon, de aanwezigheid van vloeibaar water – niet te warm, niet te koud, precies goed. Onze aarde is zo’n zone, maar om hier geboren te worden is ook geen sinecure. Zo is er (in de meeste gevallen) maar één eicel per maand beschikbaar, en die is maar ’n dag of twee ontvankelijk voor bezoek. Van de 250 miljoen zaadcellen die er in de race zijn, kan er maar eentje winnen. En dan begint de zygote zich te delen: door tweeën, vieren, zessen, achten… duizenden miljarden keren. Totdat jíj er bent. Hoe bijzonder is dat?

Al deze dingen gingen door mijn hoofd, die ene oudejaarsavond, in de Oostenrijkse bergen. Ja, zo’n zwangerschap, daar word je filosofisch van. Maar niet al te lang. Want laten we eerlijk zijn: hoe leuk het ook is om dromerig naar de sterren te kijken – na een maand of vijf kun je je eigen voeten niet meer zien. Je tepels worden zo groot als poffertjes, en door het stretchen van je huid krijg je jeuk op de meest oncharmante plaatsen. Natuurlijk wil je dolgraag genieten van het ‘cadeautje in je buik’, maar de realiteit is dat je gaat boeren en waggelen en snurken bovendien.

Niet echt op mannen (in)gericht

De poëzie van het zwanger-zijn is soms ver te zoeken; zeker als je een nuchtere partner hebt, zoals die van mij. Zo ben ik eens op bed gaan liggen om op aanraden van een babyboek ‘bij mezelf naar binnen te keren’ door te luisteren naar een cd’tje met zacht kabbelend water. Dat ging best prima totdat Richard de slaapkamer binnenkwam. Hij keek verstoord om zich heen en zei: ‘Nee hè, loopt de wc soms door?’

Voor de meeste mannen gaat een baby pas echt leven als-ie, nou ja, zijn gezicht heeft laten zien. Waar vrouwen de ongeboren vrucht al vrij snel voelen bewegen (eerst als een zacht fladderende vlinder; later als een zak met aardappelen) zoeken mannen vaak andere manieren om het naderende ouderschap concreet te maken: door het wiegje in elkaar te schroeven, de babykamer te verven, of misschien wel door een scherpe tijd neer te zetten op het kinderwagen-hindernisparcours van de Negen Maanden Beurs. Daar organiseren ze altijd speciaal wat leuke dingen voor de mannen, want het zwangerschapsgebeuren an sich is verder niet heel erg op hen ingericht.

Neem alleen al de verloskundigenpraktijk: in ons geval bleek dat een domein van bontgekleurde kussentjes en potjes kruidenthee, met links een prikbord vol foto’s van barende vrouwen op bebloede lakens en rechts een draaimolen vol expliciete folders over tepelkloven en borstpompen. Ik weet nog dat Richard zich grijnzend naar mij toeboog en fluisterde: ‘Op zo’n manier heeft een mens toch nooit meer seks?’ En toen moest de bevalling nog komen.

Hoewel ik, in tegenstelling tot mijn oma Mien, wel degelijk wist waar het vandaan zou komen, ik had evengoed geen idee wat er op me af zou komen. Daarom leek het mij een goed idee me in te schrijven voor een cursus mensendieck, waardoor ik elke week eenpaar uur wijdbeens op een bekkenvriendelijke skippybal kwam te zitten. Samen met andere zwangeren leerde ik niet alleen het verschil tussen ‘puffen, hijgen en wegzuchten’, maar ook hoe ik straks dooorrrr de baringspijn heen zou moeten ademen om te kunnen ‘persen naar mijn kern’.

Niet dat het veel geholpen heeft: ik heb nog steeds het hele ziekenhuis bij elkaar gevloekt, maar het was fijn om met een groep vrouwen in hetzelfde schuitje te zitten. En precies daar, op die skippybal, is mijn bevalling van Emma begonnen. Onze docente had kort daarvoor nog verteld dat zij deze cursus al vijfentwintig jaar gaf, maar dat nog nooit iemand tijdens één van haar lessen weeën had gekregen. Toen ik wél contracties kreeg, kon ik me nauwelijks voorstellen dat ik de eerste zou zijn. Maar er was geen houden meer aan: op het toilet van het gymzaaltje braken mijn vliezen, waarna de krampen al snel begonnen op te lopen.

Ik kan het me allemaal nog precies herinneren: hoe ik op die wc mijn handen heb gewassen met koud water, en in de spiegel boven het wasbakje keek. Er zat een barst in die spiegel, dwars door mijn gezicht, en ik weet nog dat ik dacht: hoe symbolisch is dát? Ik zag mezelf bang en dapper tegelijk: vandaag word ik moeder! Die dag ben ik zelf ook opnieuw geboren.

In één van mijn boeken heb ik geschreven: ‘Elke bevalling is even wonderbaarlijk. Letterlijk, want je baart een wonder. Maar ook figuurlijk, want het blijft miraculeus dat je ‘m eruit krijgt.’ Dat was de meest charmante manier die ik kon bedenken om te zeggen: het past niet. Want dát denk je, terwijl je daar ligt te persen ‘naar je kern’.

In tegenstelling tot vroeger worden mannen nu vol-op bij de geboorte betrokken – al zijn er volgens mij nog genoeg die stiekem toch liever met een sigaar op de gang waren blijven staan. Zo zei de popster Robbie Williams niet zo lang geleden dat hij tijdens de bevalling van zijn vrouw tussen haar benen had gekeken, en het gevoel had gekregen dat-ie zijn favoriete pub zag afbranden.

Een half metertje mens

Nu ís bevallen ook geen makkelijke kijksport. Het is pijnlijk en langdurig en niet altijd even charmant: zo wil de baby nog weleens de inhoud van de darmen mee naar buiten duwen. Niet dat ik dát van tevoren ergens had gelezen. De meeste zwangerschapsboeken waren heel wollig en wegwuiverig; alles was een ‘ongemakje’ of een ‘kwaaltje’ – al had je bloedende aambeien. Maar er is één zin die me het meest is bijgebleven; de zin die me heeft geïnspireerd om mijn eigen zwangerschapsboek te gaan schrijven. Ik weet hem nog precies: ‘Het passeren van de baby door het geboortekanaal kan door sommige vrouwen als onprettig worden ervaren.’

Dus daar lag ik, midden in een zogeheten weeënstorm, en ik dacht: onprettig? Dat was niet het woord dat ík in gedachten had. Het was verdomme alsof ik een tennisbal door mijn neus moest blazen. Maar gelukkig was daar Richard, zodat ik die keihard fijn kon knijpen. Telkens wanneer hij heel lief en zorgzaam met een koud washandje over mijn verhitte voorhoofd wilde strijken, kon ik maar één ding denken: rot op, dader!

Nee, het is niet fraai en ook niet eerlijk, maar tijdens een bevalling is de man vaak een ondergeschoven kindje. Voor een aanstaande vader is het hele gebeuren óók een emotionele aardverschuiving, maar hij staat erbij en hij kijkt ernaar, en probeert zichzelf nuttig te maken door haring met slagroom te halen, of één van die andere idiote verzoeken van de kraamvrouw. En dan is er nog de pijn. Ik denk niet dat een man echt kan begrijpen hoeveel zeer het doet om met je baarmoeder een half metertje mens naar buiten te moeten duwen. Je begrijpt het zelf amper.

Ik heb jarenlang lezingen gegeven over zwanger zijn en moeder worden, en tussen de tientallen vrouwen zaten vaak ook twee of drie verdwaalde mannen. Met die mannen haalde ik graag een geintje uit: een demonstratie ‘interactief bevallen’, zodat ook zíj eens konden ervaren hoe het voelde om een kind te baren. Eerst vroeg ik hen te gaan staan, en daarna moesten ze met hun vingers hun onderlip vastpakken. Zodra ze dat hadden gedaan, zei ik: ‘En dan nu… trek je je onderlip óver je hoofd.’ Dit leidde steevast tot hilariteit bij de aanwezige vrouwen, want ja: dat past niet, hè.

Maar, het moet gezegd: ook al zijn vrouwen tijdens een bevalling niet op hun best (‘Pak me vast! Laat me los!’) en zien mannen daar dingen die ze liever niet hadden willen zien (zoals een vriend van me zei: ‘Sjezus, het was net een plaats delict’) uiteindelijk is de geboorte van een kind één van de allermooiste en meest intieme momenten die je in een mensenleven met elkaar kunt delen.

Toen Emma net was geboren en ik nog verdwaasd naar adem lag te happen, had Richard haar al voorzichtig in een doek gewikkeld en een piepklein blauw-wit mutsje opgezet. Daarna legde hij haar zachtjes in mijn armen en zei: ‘Dag mama.’ Ik krijg er nu nog kippenvel van. Emma keek me aan, en haar ogen haakten zich vast in de mijne. Vanaf dat moment wist ik dat het waar was: zodra je een kind krijgt, is het alsof je hart uit je lichaam is gehaald en er armpjes en beentjes aan vast zijn gemaakt.

Alles is in één klap duidelijk, tot in het diepst van je ziel: dat je dit kindje je laatste adem zou geven, en dat het ook nog eens de mooiste baby van de hele wereld is. Dat laatste komt waarschijnlijk omdat je knetterstoned bent van het gelukshormoon endorfine, want als je jaren later de geboortefoto’s nog eens goed bekijkt, dan denk je: O, oké – zo knap zijn ze nu ook weer niet uit de verpakking gekomen.

Karrenvracht aan emoties

Het persen door het nauwe geboortekanaal bezorgt een kindje vaak tijdelijke blikschade, zoals een punthoofd, gezwollen schaamdelen of een plat neusje. Onze Emma had een flinke bloeduitstorting in haar nek; een verschijnsel dat volgens mijn verloskundige een ‘ooievaarsbeet’ werd genoemd. Zij vertelde trouwens ook dat de ooievaar als kraamvogel niet zomaar een vondst was geweest, maar een duidelijke mythische betekenis had gehad.

Ooievaar is een verbastering van het Germaanse odebar, wat ‘drager van adem’ of ‘brenger van levenskracht’ betekende. Lang geleden werden de ooievaars in Noord-Europa als de heilige vogels van de vruchtbaarheidsgodin Freya gezien. Vanuit die functie moesten zij de gereïncarneerde kinderzieltjes oppikken uit meren en moerassen, en hen begeleiden naar hun nieuwe lichaam. Het idee dat Emma door een ooievaar in haar nekje was opgepakt, vond ik heel lieflijk en romantisch. En het klonk voor de kraamvisite in elk geval een stuk esthetischer dan: ‘Ze heeft klem gezeten in de knik tussen mijn vagina en mijn anus.’

Pasgeboren baby’s ruiken nogal typisch, maar wel aangenaam: het laat zich nog het best omschrijven als de geur van natte aarde. Natte, vruchtbare aarde; als na een voorjaarsregen. De eerste nacht heb ik alleen maar met grote ogen naar Emma gekeken (doet ze het nog?) en voorzichtig in haar nekje gesnuffeld. Ik was compleet overmand door alle naweeën, en een karrenvracht aan emoties en verwachtingen en liefde, liefde, zoveel liefde. En Richard? Die sliep.

Is het niet ongelooflijk hoe mannen zelfs op dit soort wereldschokkende momenten de knop kunnen omzetten en gewoon wat slaap kunnen pakken? Toen ik hem de volgende ochtend vroeg hoe hij het voor elkaar had gekregen om na zo’n gebeurtenis probleemloos te gaan liggen tukken, zei hij: ‘Sorry, maar ik was zó moe van die bevalling.’ En dat is helemaal waar. Mannen zijn óók moe na een bevalling. Doodmoe zelfs. Maar daarnaast zijn mannen ook nog eens de koningen van het loslaten, en eerlijk gezegd kunnen wij vrouwen daar best wat van leren.

Als mij één ding duidelijk is geworden tijdens de geboorte van mijn gezin, dan is het dat de nuchtere, mannelijke energie hierbij heel erg welkom is. Natuurlijk heb je als nieuwbakken moeder met een paar onvergelijkbare issues te kampen (zoals het gevoel dat je hele binnenband eruit ligt, bijvoorbeeld) maar toch is het fijn wanneer je man zegt: ‘Joh, relax, het gaat allemaal goed komen. Jij en ik, wij kunnen dat.’ Want daar ga je echt wel serieus aan twijfelen. Dat je het kunt. Er is een oude, Perzische wijsheid die zegt dat ieder mens drie keer wordt geboren: een keer uit zijn vader, een keer uit zijn moeder en een keer uit zichzelf. Dat laatste zie je in de kraamtijd voor je ogen gebeuren: door het verlies van de navelstomp worden alle kinderen op slag hun eigen mens. Maar het is wel een mens die jíj op de wereld hebt gezet, en waar je een enorme verantwoordelijkheid voor draagt.

De eerste paar dagen na de bevalling vond ik dat een overweldigend idee. Ik was als kind geen poppenmoeder geweest, had nooit gebabysit, ik kon nog geen plant in leven houden. Zou ik ooit een goede moeder zijn? Het mooie, nee – het magische vond ik dat onze Emma daar helemaal niet aan leek te twijfelen: ze vlijde zich in mijn armen, waar ze precies in bleek te passen, en dommelde vol vertrouwen tegen mijn borst.

Niet dat het daarna alleen maar op rolletjes liep. ‘Moeder is de overtreffende trap van moe’ is één van de meest geciteerde uitspraken uit mijn boeken; ik vermoed dat het universeel herkenbaar is. Eigenlijk zou je na negen maanden zwangerschap – met als toetje die bevalling – eens lekker op vakantie moeten kunnen gaan, maar in plaats daarvan draait je arme lichaam overuren met het geven van borstvoedingen in een eindeloze reeks gebroken nachten. Wat dat betreft zijn zuigelingen heel erg zen: ze nemen je mee naar een plaats waar tijd en ego niet bestaan. Dat wil zeggen: jouw tijd en jouw ego.

Een ander serienummer

Maar er is uiteraard ook een silver lining. Om ervoor te zorgen dat jij maandenlang drie keer per nacht met een grote glimlach uit je bed springt, heeft Moeder Natuur een bijzondere troef ingezet: de baby. Met zijn stralende oogjes en zijn bolle toet en zijn lekkere dikke voetjes is hij werkelijk on-weer-staan-baar. De manier waarop hij ligt te kraaien van plezier zodra jij jouw hoofd om de deur steekt, geeft je een hart van peperkoek. Het effect van een kind op je leven is bijna niet in woorden te vatten; het is het nieuwste begin van alle nieuwe beginnen. En het is ’t allemaal waard.

En zo kon het gebeuren dat ik twee jaar later weer lag te bevallen. Ondanks dat ik dit keer wist wat ik kon verwachten, verliep de geboorte van mijn zoon heel anders: het was in anderhalf uur gepiept, maar Alec was een randprematuur en moest nog een paar dagen met mij in het ziekenhuis blijven. Het was de opmaat naar een constatering die ik een paar jaar later zou doen: het ouderschap is één grote werkstage. Je leert on the job, waarbij je elke dag voor nieuwe verrassingen komt te staan. Toen ik het onstuimige leven met een tweejarig meisje (‘Ik ben twee, dus ik zeg nee’) eindelijk goed in de vingers had, kreeg ik een jongen; wat een heel ander serienummer bleek te zijn. De één moet je zus aanvliegen, de ander zo – en net als je denkt dat je de zaak op de rit hebt, gaan ze naar de lagere school.

Elke keer verandert de dynamiek, en het is de bedoeling dat jij als ouder mee verandert. Ik dacht altijd dat ik mijn kinderen zou opvoeden, maar inmiddels kan ik zeggen dat zij ook míj hebben opgevoed. Een kind leert je zoveel over jezelf. Zij zijn niet alleen een genetische spiegel, maar geven je ook een reflectie van je karakter. Ik kan wel zéggen dat ze hun kamer moeten opruimen, maar wat als die van mij ook een zootje is? En ik mag dan wel preken dat ze liefdevol en geduldig moeten blijven, maar wat als ze zien dat ik behoorlijk kan ontploffen in het verkeer?

En daarbij: hoe kun je je verbazen over de eigenaardigheden van je kinderen (de één is bang dat-ie door het doucheputje spoelt; de ander wil niet dat de groente en het vlees elkaar raken op haar bord) als je ze zelf hebt gemaakt? Toen Emma en Alec nog klein waren, had ik één troef achter de hand voor als ze de boel weer eens op stelten hadden gezet. Dan zei ik dat ze zich heel snel moesten gedragen, anders ging ik ze ruilen in de winkel waar ik ze had gekocht: ‘Mama heeft de bonnetjes nog!’ Nee, dat was vast niet pedagogisch verantwoord, en het heeft ook niet lang gewerkt. Op een gegeven moment begonnen ze te vragen of ze die befaamde bonnetjes eens mochten zien, en ik wist dat het spel helemaal uit was toen Alec met zijn stoerste stemmetje vroeg: ‘Is dat die winkel waar je ook mama’s mag ruilen?’

Het is erg belangrijk dat je daadwerkelijk betrokken bent bij je kind. En ‘aanwezig zijn’, heb ik door schade en schande geleerd, is niet hetzelfde als betrokken zijn. Ik weet nog goed dat ik een keer thuis aan een scenario zat te werken, toen Emma mij een tekening kwam laten zien. ‘Heel mooi schat,’ mompelde ik, met één oog op mijn beeldscherm, maar daar nam Emma geen genoegen mee. ‘Je moet écht kijken,’ zei ze boos, en ze duwde haar tekening nogmaals onder mijn neus. En gelijk had ze: je moet echt kijken. En echt luisteren. Dan hoor je de meest verrassende dingen. Toen het buiten een keer hard waaide, had mijn kleine Alec het over ‘het dansen van de bomen’. Hoe beeldend is dat? Kinderen kijken op een manier die wij vergeten zijn, maar wat ze zien, herkennen we meteen. Toen Emma bijna vier was, lag ze op een avond in bed en zei: ‘Mama, als het donker is, zie ik alle dieren die niet lief zijn.’ Ik begreep precies wat ze bedoelde, want hebben wij dat niet ook?

Als ik ’s avonds in bed lig, komt er ook allerlei narigheid op me af: een meningsverschil met Richard, een gemiste deadline, een vergeten afspraak. Maar waar volwassenen zelf de vinger op de zere plek kunnen leggen, gebruiken kinderen vaak enge beesten: door hun gevoelens ‘handen en voeten’ te geven, kunnen zij ze beter verwerken. Is dat niet heel knap, voor zo’n klein mensje? Wanneer je goed naar kinderen luistert, val je van de ene verbazing in de andere. Ze kunnen heel poëtisch zijn (zo vertelde Emma mij eens over haar ‘gedachtenkast’ waar ze al haar mooie gedachten in bewaarde, maar ook een paar niet zo mooie, ‘want die horen er ook bij’), maar in al hun kleuterigheid ook heel erg grappig.

Kind in het ziekenhuis

Ik denk dat dit voor mij misschien wel één van de grootste verrassingen van het gezinsleven is geweest: hoe je kunt lachen met kleine kinderen. Ze zijn zo ontwapenend, zo eerlijk, zo blij. Ik heb jarenlang een cd’tje met ouderwetse kinderliedjes in mijn auto gehad, en hoewel ik helemaal gestoord ben geworden van het geras-ras-ras waren Emma en Alec er dol op: ellenlange files hebben ze luidkeels met het koortje meegezongen. Het leukste vond ik echter wanneer ze hun eigen interpretaties ten gehore gingen brengen. Dan zong Alec vanaf de achterbank: ‘Alle eendjes zwemmen in twee emmertjes water’, terwijl Emma het klassieke ‘Papegaaitje leef je nog’ vol overtuiging wist te verbasteren tot: ‘Papa leeft je gaatje nog.’ Op zulke momenten was ik zo verliefd op mijn kinderen.

Net als alle andere boefjes van die leeftijd bedachten ze de creatiefste dingen. Toen Alec vijf was, kwam hij bij mij klagen dat ‘iedereen’ in zijn klas naar Harry Potter mocht kijken. En dus liet ik hem weer zien wat er duidelijk bij de film stond vermeld: 12 jaar en ouder. Maar hij en zijn zusje waren niet voor één gat te vangen. Ze staken de koppen bij elkaar en daar kwam het weerwoord: ‘Alec en ik mogen wel samen kijken,’ zei Emma, ‘want hij is vijf en ik ben zeven. Dus samen zijn we twaalf.’ Leuk geprobeerd, maar het antwoord bleef nee. Niet lang daarna werd Alec zes. Toen deed hij een nieuwe poging: of hij dan nu de hélft van Harry Potter mocht zien?

Niet dat het al die jaren alleen maar lachen was. Onze Alec is metersdiep in een donkere kelder gevallen, en later kreeg hij ook nog eens de ziekte van Kawasaki; een zeldzame ontsteking van alle aderen, waar hij gelukkig weer van is genezen. Ik weet nog goed hoe ik in het Emma Kinderziekenhuis voor het raam stond en vol verbazing naar de avondspits keek. Hoezo waren al die mensen in beweging? Ons hele leven stond stil, maar de wereld draaide gewoon door – een wonderlijke constatering. Ik heb het nog steeds, als ik langs een kinderziekenhuis rijd. Dan kijk ik naar de donkere ramen en denk: daar ergens staat een moeder, of een vader, die blijft hopen op het beste. Als je kind gezond is, heb je wel duizend wensen. Maar als je kind ziek is, nog maar één.

Ook al had ik een kindje in het ziekenhuis – thuis huppelde nog een tweede, die net zo goed aandacht verdiende. Dat was natuurlijk een extreme situatie die gelukkig niet heel lang heeft geduurd, maar het is een feit dat je als moeder altijd aan het schipperen bent: met je tijd, met je energie en met je aandacht. Je balanceert voortdurend tussen wat leuk is en wat nodig, tussen lekker en verantwoord, tussen hoe het zou moeten en hoe het in werkelijkheid gaat. Maar – hoe zóu het eigenlijk moeten? Pedagogen onderscheiden drie opvoedstijlen: autoritair, toegeeflijk/verwaarlozend en autoritatief. De eerste twee spreken voor zich (waarbij ik het veelzeggend vind dat toegeeflijkheid en verwaarlozing blijkbaar twee kanten van dezelfde medaille zijn), maar wat is autoritatief? Welnu: autoritatieve ouders stellen aan de ene kant duidelijke grenzen maar zijn aan de andere kant ook flexibel, en geven hun kinderen uitleg en warmte. Deze opvoedstijl is veruit de beste voor een gezonde emotionele en sociale ontwikkeling, maar laten we eerlijk zijn: het is ook veruit de moeilijkste. Want waar ligt de grens tussen star en flexibel? Wanneer moest ik mijn poot stijf houden tegenover mijn dwarse koters en wanneer mocht ik de teugels laten vieren?

Soms, als de combinatie van werk en gezin mij een beetje boven het hoofd groeide, greep ik iets te gemakkelijk terug op de ‘methode boc’: Bedreigen, Omkopen en Chanteren. Tuurlijk, het werkt als een trein, dingen zeggen als: ‘Binnenkort gaat Sinterklaas mij weer bellen, dus je kunt maar beter zorgen dat ik een goed verhaal voor hem heb’, maar of het autoritatief is? Ik vrees van niet. Ik stond een keer boven op zolder stiekem om het hoekje te kijken hoe Emma met haar knuffels thuissituaties naspeelde. Dat was allemaal heel cute en aandoenlijk, totdat ik zag dat zij van al haar poppen uitgerekend Orca had uitverkoren om mij te spelen. ‘Waarom niet Bambi?’ dacht ik nog ijdel, maar die vraag werd snel beantwoord. Orka was nogal aan de pinnige kant en riep doorlopend dingen als: ‘Nu is het afgelopen!’ En: ‘Ik ben het helemaal zat!’

Tja. Daar werd mij een behoorlijke spiegel voorgehouden. Dus ik dacht: ik moet mezelf verklaren. Zeggen dat je het als moeder ook niet altijd even makkelijk hebt. Dat ik soms moe ben, en het ook maar voor het eerst doe. Ik ging met Emma voor het raam staan en wees naar buiten. ‘Zie je dat roodborstje daar, dat aan die vetbol hangt? Zo voelt mama zich soms ook. Pik-pik-pik. Iedereen hangt aan mij, en wil wat van me. Begrijp je wat ik bedoel?’ Aandachtig keek Emma naar buiten. ‘Ja, nu snap ik het,’ straalde ze ten slotte. ‘Echt?’ vroeg ik verbaasd. ‘Uh-huh,’ knikte ze, ‘ze heten roodborstjes, want ze zijn rood en wonen in de bosjes.’ Waarmee ik maar wil zeggen: zoek de rust in jezelf, want kinderen zijn er – letterlijk – niet voor in de wieg gelegd. Het idee dat je als ouder ook wat ruimte nodig hebt, is totaal niet aan hen besteed.

'Ik ga het allemaal héél anders doen'

Emma kwam op een dag thuis uit school en zei dat ze had geleerd dat ze recht had op ‘praaivizie’. Waarschijnlijk had ze niet geleerd (of niet willen onthouden) dat dit ook voor mama’s geldt, want wanneer ik eens rustig op de wc wilde zitten, bleven mijn twee lieverdjes net zo hard op de deur bonken. Toen ik daar wat van zei, was Alec heel duidelijk: ‘Jij hebt geen praaivizie. Jij hebt ons.’ Ja, zo is het. En ik ben elke dag dankbaar dat die twee sterrenstofjes uitgerekend bij ons thuis zijn neergedwarreld.

Je leest vaak dat kinderen hun leven lang op zoek zijn naar de goedkeuring van hun ouders, maar ik denk dat het omgekeerde ook het geval is. Ik zou het fijn vinden als Emma en Alec later denken dat ze een leuke moeder hebben gehad – maar de nadruk ligt hier vooral op later.

Wanneer je als ouder op zoek bent naar begrip en waardering, zul je nog héél even geduld moeten hebben. De meeste kinderen gaan zich pas realiseren wat hun ouders allemaal voor hen hebben gedaan, als ze eenmaal zelf kinderen hebben gekregen. Zo is het bij mij uiteindelijk ook gegaan. Daarna volgen nog een paar jaar van: ‘Ik ga het allemaal héél anders doen’, maar beetje bij beetje komt schoorvoetend het besef dat die ouwelui het lang niet zo gek hebben gedaan. Toen ik dat een keer met mijn eigen moeder besprak – dat ik nu pas begreep hoe zíj zich vroeger moest hebben gevoeld – zei ze: ‘Ah, Daf, de meeste moeders zitten niet in deze business voor de schouderklopjes, maar voor de ongelooflijke kans die je krijgt om jonge mensen op een spirituele manier wegwijs te maken in de wereld.’ Dat is zeker waar, maar ik was op dat moment vooral heel erg druk om Emma en Alec de weg te wijzen naar de wasmand.

Toch meende mijn moeder dat ik er volop van moest genieten, want de lagereschooltijd, dat waren ‘de gouden jaren’. Toen ze dat voor het eerst zei, was ik best een beetje in mijn wiek geschoten, want hallo: ik ben zelf óók een dochter, dus hoe werkt dat dan? Geldt voor kinderen soms een omgekeerde huwelijkstelling: ga je van goud naar hout? Maar nee, zo bedoelde mijn moeder het niet. ‘Wacht maar tot die twee gaan puberen,’ zei ze, ‘dan begrijp je precies wat ik nu zeg. Als je kinderen eenmaal beginnen met uitgaan, is elk weekend een bevalling.’

En inderdaad. Ik wou dat ik er een tegeltje van had gemaakt. Want hoe goed je je kinderen ook denkt te kennen: in de tienerjaren volgt een heel nieuwe kennismaking.

VERDER LEZEN?
‘Sterrenstof’ ligt vanaf 12 januari 2018 voor € 3,50 in de boekhandel.

Daphne Deckers (1968) is schrijfster, presentatrice en columnist. In 2018 verschijnt haar nieuwste roman Dubbelzes. Meer informatie over de Maand van de Spiritualiteit vind je hier.

De leukste artikelen van Libelle ontvangen in je mailbox? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.

Tekst: Daphne Deckers. Beeld: Yvette Kulkens.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden