null Beeld

PREMIUMColumn

Hanneke: “Wat doe je bij uitblijvende rouw? Semigrappig de waarheid zeggen of sugarcoaten?”

Hanneke Mijnster

Hanneke Mijnster (40 en een beetje) leest, praat en schrijft het liefst over de liefde. Co-oudert vol overtuiging en vindt cola bij de lunch helemaal niet gek. Ze woont vlak bij de kust en zoekt al jaren een hobby. Deze week schrijft ze over haar band met de buren.

Inbox vol verwijten

“Ruik jij nog rook?”, vroeg m’n buurman. Maar ik rook geen rook. We wonen boven, mijn jongens en ik, met links, rechts en onder ons andere huishoudens. Geen flat, geen galerij, maar een huis op een huis, en een voordeur met daarachter meteen een steile trap naar boven. Vonden ze blijkbaar een prima plan in 1932. De beste plek van het gebouw vind ik, want de hinderlijke geluiden komen vooral van onszelf. Nu doen we natuurlijk zo goed mogelijk ons best, met schoenen uit en binnen niet stuiteren, maar de trap is nog iets te vaak een wedstrijdje hordelopen. Links en rechts kraaien er niet naar, maar onder des te meer. Over alles trouwens. Mijn brievenbus is te klein, mijn voordeur te lelijk, mijn balkon een gedrocht, mijn notulen van de jaarvergadering te laat. In de vier jaar dat ik hier nu woon, komt er geregeld een lelijke mail in mijn inbox. Vol verwijten en gemopper, en iedere keer schiet ik ervan in de kramp. Ze komen overigens opvallend vaak precies in de spits van thuiskomen, koken en hangry humeurtjes. Omdat er dan al een paar borrels in zitten, vermoedde m’n buurman op rechts laatst. Hij krijgt ze namelijk ook. Vandáár.

Zelfcensuur, ja

Burenruzie is een nare ruzie. Goed, nu ga ik het liefst alle ruzie uit de weg, maar bij gedoe met een buur heb je inderdaad niks aan een verre vriend. Gedoe met een buur betekent op je hoede zijn in je eigen huis. Uitpraatsessies, goede afspraken, van me af bijten, ik heb het allemaal gedaan, maar het zuur bleef. Op de ergste dagen overwoog ik te verhuizen. Maar ja, zou ik dan echt mijn o zo fijne huis verlaten vanwege zo’n terreurtype? Soms klaarde de lucht, zeker toen ik niet het enige doelwit bleek, maar wanneer ik net naar de Ap wilde gaan en de onderbuur naar zijn auto zag lopen, bleef ik bewust even boven wachten. Zelfcensuur, ja, laf misschien, ach.

De bel

En nu belde de buurman op rechts me ’s ochtends op. Of ik nog rook rook. De briesende onderbuur was namelijk van het plenty paffende soort, waardoor mijn trappenhuis niet veel verschilt van de rookruimte in een bejaardenhuis. Maar ik rook dus geen rook. En geluiden hoorde ik toch al nooit. Via mijn balkon keek ik naar zijn slaapkamer. De gordijnen waren nog dicht. Het was al half tien. Een kwartier later stond er politie aan de deur en somde ik het rijtje nog een keer op. Twee agenten klommen via het balkon bij de onderbuurman in de tuin en daarna ging opnieuw de bel.

“Meneer is helaas overleden”, zei de beste man zo plechtig mogelijk. “Vredig in zijn bed, maar zo te zien al wel een aantal dagen geleden.”

Uitblijvende rouw

Terwijl ik de deur sluit, schiet ik in gedachten terug naar 2010, en zelfs naar 1989. Twee keer eerder heb ik dit gevoeld. Misschien wel de meest verboden emotie binnen de context. Ik beschrijf nog makkelijker mijn seksleven van de afgelopen twintig jaar, dan dat ik hardop uitspreek wat ik direct na de boodschap voel. Wat schrikken zeg, over de doden niets dan goeds, ocherm! Die schrale eenzaamheid van een paar dagen alleen in je bed liggen na je laatste adem, dát zijn de gewenste gedachten. Maar dat is niet de emotie die overheerst. Nee. Opluchting voel ik, maar dat is koud en egocentrisch in dit geval. Maar ja. Wat doe je bij uitblijvende rouw? Semigrappig de waarheid zeggen op een begrafenis, of juist sugarcoaten? Ik kan dat niet. Nu is dit slechts de buurman, maar elf jaar geleden was het mijn oma. Ongezouten liet ze me weten wat ze vond van mijn lijf, van mijn verlegenheid en van het feit dat ik een meisje was. Ik was altijd op mijn hoede. Dat voelt niet veilig, en al helemaal niet bij familie. Sorry, not sorry, ik was blij dat het voorbij was.

Benoemen wat we voelen

Freek en Guus stormen op me af, want alles gezien, want quarantaine, en danig onder de indruk van de agent en het pistool aan zijn riem, en vatten het geheel haarfijn samen. “Het is zielig voor hem dat hij dood is, maar eigenlijk ook wel fijn dat we nu nooit meer bang hoeven te zijn dat hij weer iets gemeens zegt.” En zo was het elf jaar geleden met mijn ongezouten oma ook, en met de grote pestkop op de basisschool idem dito. Destijds sprak ik met niemand over mijn opluchting, omdat ik aan alles voelde dat ik het niet mocht zeggen, maar naar mijn jongens knik ik instemmend. Bij ons thuis mogen we alles benoemen wat we voelen. Ongemak, verbazing, en dus ook het avontuur en de opluchting in een verdrietige situatie. Want zo is het leven.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden