null Beeld

James Worthy: “Nu weet ik dat ik die dag had moeten liegen”

James Worthy (40) is schrijver, journalist en columnist. Hij is getrouwd met Artie en vader van James (7). Voor Libelle schrijft James columns waarin liefde centraal staat: voor zijn ouders, zijn gezin en het leven. Geestig, soms hartverscheurend, maar bovenal eerlijk en ontroerend. Deze keer schrijft James over Simon, een vriend van vroeger wiens vader in de gevangenis zit.

Hij staat naast de tramhalte op schoenen zonder veters. Sommige mensen staan op tramhaltes en sommigen staan er liever naast. Ik hoor ook bij de laatste groep. Op de halte staan, voelt voor mij nogal definitief aan. Als ik ernaast sta, heb ik nog het gevoel dat ik iets anders kan doen dan op de tram stappen.

“Hey James, herken je mij nog?” vraagt hij. Natuurlijk herken ik hem. Ik vergeet nooit een gezicht. Daarom ben ik gaan schrijven. Om al die gezichten een plekje te geven.

Onderwereld

Simon en ik zaten op dezelfde voetbalclub en ik was altijd een beetje bang voor hem, omdat zijn vader in de gevangenis zat. Wat zijn vader precies had gedaan, wist ik niet, maar ik wist wel dat hij zo diep in de onderwereld zat dat de aardkern zijn buurman was.

“Wanneer komt je vader weer een keer naar ons kijken?” vroeg ik af en toe aan hem tijdens het douchen.

“Misschien volgend jaar als hij zich goed gedraagt. Dus ik denk niet volgend jaar.”

Vader

Eind jaren negentig moesten we de bekerfinale in het Olympisch Stadion spelen. Simon was erg zenuwachtig. En niet eens zozeer voor de finale, nee, hij was zenuwachtig omdat hij in jaren niet zo dichtbij zijn vader had gevoetbald. Zijn vader zat vast in de gevangenis die zich tot 2013 in de Havenstraat bevond. Tussen het voetbalveld en de cel van zijn vader zat maar 1000 meter.

Die dag voetbalde Simon de wedstrijd van zijn leven. Na zijn derde doelpunt liepen we samen terug naar onze helft. “Denk je dat hij me kan zien?” vroeg hij. Ik was nog jong. Ik geloofde nog dat liegen het ergste was wat ik kon doen. Dus vertelde ik hem de waarheid. De afschuwelijke, koude waarheid. Nu weet ik dat ik die dag had moeten liegen. Voor hem, en ook voor zijn vader. “Ja, hij kan je zien. Hij staat op het dak van de gevangenis. Hij heeft een bewaker omgekocht met een slof sigaretten en een doosje Ferrero Rocher.”

Zwaaien

Na de wedstrijd liepen we met het hele team naar de gevangenis toe. Simon droeg de beker. De cel van zijn vader zat op de tweede verdieping. We zwaaiden naar de man die door de tralies naar ons keek. Hij zwaaide terug. Ik vond dat zo bijzonder. Dat iemand vanuit de gevangenis naar ons aan het zwaaien was. Ik was nog jong, wist niet dat boeven konden zwaaien. Ik wist dat ze handlangers hadden, maar ik wist niet dat ze konden zwaaien.

Later ben ik zijn vader een keer tegengekomen in de kroeg. Na zeven biertjes biechtte hij op dat het zijn celgenoot was die op die dag naar ons had gezwaaid. Ik was zo boos op hem dat ik niet meer tegen hem kon praten. Ik stond op en toen ging hij voor me staan. Hij tikte met een wijsvinger op de tatoeage in zijn nek. ‘Koningen in de hel, bedienden in de hemel’, las ik. “Een echte koning zorgt voor zijn kinderen”, zei ik, voordat ik wegrende.

Simon staat naast me naast de tramhalte. Hij is twee koppen groter dan ik, maar ook zeker acht koppen lichter. “Ben jij nog profvoetballer geworden?” vraagt hij. Ik sla zachtjes op mijn bierbuik en lach. “En jij dan?” vraag ik. Hij haalt een zakje bruin poeder uit de binnenzak van zijn jas en lacht.

“Ik denk nog vaak aan je, Simon. Aan die dag. Hoe veel doelpunten scoorde je in die bekerfinale?”

“Vier doelpunten. Dat was een mooie dag. Weet je nog dat we die beker aan mijn vader lieten zien?”

“Ja, man. Hij zwaaide toch naar ons? Die gast was zo ongelofelijk trots op je.”

“Dat weet ik niet, maar hij was wel blij.”

“Blij is soms een soort verdwaalde trots. Ik ben je vader nog een keer tegengekomen en toen had hij het nog over die dag. Over al die gastjes op de stoep voor de gevangenis. Die glimmende beker. Onze haren nog nat van het douchen.”

“Ik zie hem bijna nooit meer. Hij zit weer vast”, zegt Simon.

“Wanneer komt ie vrij?”

“Over drie jaar als hij zich kan gedragen. Dus hij komt nooit meer vrij. Had hij het nog over mij toen je hem tegenkwam?”

“Constant. Je bent zijn zoon. Zijn alles. Alle slechte dingen die hij heeft gedaan, deed hij voor jou. Hij wilde je alles geven, maar alles werkte niet mee. Vandaar. En hij noemde je steeds koning.”

“Koning? Waarom zou hij me koning noemen?”

“Omdat je een koning bent, Simon. Kom op, je scoorde vier keer in een bekerfinale.”

“Die derde goal was prachtig. Weet je dat nog?”

Ik weet alles nog, alles, behalve die derde goal.

“Ik weet alles nog, Simon.”

“Denk je dat hij me nu kan zien?” vraagt hij.

“Ja, hij kan je zien. Hij staat op het dak van de gevangenis. Hij heeft een bewaker omgekocht met een slof sigaretten en een doosje Ferrero Rocher.”

De beste berichten van Libelle in je mailbox ontvangen? Meld je nu aan voor de nieuwsbrief!

Tekst: James Worthy. Foto: Ilja Keizer.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden