null Beeld Getty Images/iStockphoto
Beeld Getty Images/iStockphoto

Janneke & het hospice: “‘Ik ben hier nu al zes maanden, ik ga maar niet dood’, zegt ze”

Na een bezoek aan de huisarts besluit Janneke Siebelink (46) vrijwilligerswerk te gaan doen. Nu kookt ze elke week in een hospice en schrijft erover voor Libelle. Haar doel: het verhaal vertellen van de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. Zodat niemand ongezien in de vergetelheid raakt. Deze week schrijft ze over het ongeduld en de ontevredenheid onder de bewoners, die er gelukkig nog zijn.

null Beeld Janneke
Beeld Janneke

Het is nog geen zeven uur. Buiten is de wereld nog in slaap. Het porseleinen schaaltje met yoghurt van dochter A. is zojuist in duizend stukjes en spetters op de grond gevallen. De voor de conditionele coopertest noodzakelijke sportspullen van zoon V. blijken nog ongewassen in de wasmachine te zitten. Het brood is op, de regen slaat tegen de ramen en het enige windjack dat beide kinderen plotseling nog blijken te passen, scheuren ze bijkans in tweeën in hun strijd om bescherming tegen het brute weer, terwijl ik op mijn knieën het gesneuvelde ontbijt bijeen veeg.

Het is duidelijk oktober.

Tegen negenen heb ik het gevoel dat er al twee dagen op zitten, maar vol goede moed trap ik op mijn fiets richting het hospice waar de ochtend, zo stel ik mij voor, aanzienlijk rustiger is verlopen. “En wat heb je nou helemaal te klagen”, fluister ik mezelf vermanend toe, slagregen striemend in mijn gezicht. Ik schud de paraplu – die ik niet heb kunnen gebruiken vanwege de wind, maar toch heel erg nat is geworden – voor de deur van het gebouw uit en in de spiegel van de lift probeer ik mijn haar te fatsoeneren.

De dokter komt

“Ja hoor, het is vrijdag. Daar is ze weer! En ik ben er ook nog, zes maanden nu al. Dat weet je, hè? Ik ga maar niet dood.”

Ja, dat weet ik mevrouw C., denk ik, en alles wat eerder deze dag, deze week gebeurde, valt van me af. Gelukkig bent u er nog.

In de woonkamer zitten mevrouw T. (89, nette blouse, blauwe plooirok) en mevrouw C. (80, ponnetje met tijgerprint) aan tafel. Het ontbijt is net afgeruimd. Ik pak de grote soeppan – altijd soep – en begin met de voorbereidingen.

“Zuster, zuster!” Het is mevrouw T.

“Zuster, kunt u de dokter halen? Ik vraag al drie dagen naar de dokter.” Bij het ophangen van mijn jas in het kantoortje zag ik de arts zitten.

“Ik heb haar gezien. Zal ik vragen of ze komt?” Uit een ooghoek zie ik (en hoor ik) hoe mevrouw C. – inmiddels zelfverklaard conciërge van dit hospice – mijn aandacht probeert te trekken door met haar vingernagels op tafel te tikken.

“Graag zuster, ik heb zo’n pijn in mijn rug en ik vraag al drie dagen naar de dokter.” Mevrouw T. noemt iedereen zuster. Behalve de dokter. Die noemt ze dokter. Mevrouw T. zat in het bestuur van dit hospice en is nog altijd gevoelig voor hiërarchie.

Als ik in het kantoortje vraag of iemand mevrouw T. zou kunnen helpen, blijkt dat de dokter al drie keer bij haar is geweest. Terug in de woonkamer zeg ik haar dat er dadelijk iemand zal komen en ik knik naar mevrouw C. ten teken dat ik haar seintje van zojuist begrijp. Mevrouw T. kan haar herinneringen niet meer goed bijhouden. Ze weet niet meer dat de dokter gisteren en eergisteren en de dag daarvoor ook al even bij haar is geweest.

“Komt de dokter?”, vraagt mevrouw T. met grote poppenogen.

“Ja, de dokter komt”, stel ik haar gerust.

“Dank u, zuster.” Tevreden pakt Mevrouw T. de krant en slaat hem op een willekeurige pagina open.

Aangebrand

Mevrouw C. (80) vraagt wat ik ga maken.

“Maïssoep”, antwoord ik voorzichtig, terwijl ik haar blik ontwijk. Indachtig de bloemkoolsoep van drie weken geleden, heb ik nu al spijt van mijn keuze.

“Maïssoep”, herhaalt ze met een schelle, overslaande stem.

“Ja, maïssoep. Maar het smaakt niet naar maïs.”

“Waarom is het dan maïssoep, zuster?”, informeert mevrouw T. Ze kijkt in mijn richting, net over de rand van de krant.

Ik ben 47 en leg verantwoording af over maïssoep.

“Omdat...” Ik werp snel een blik op het recept. “Er zit ook kokosmelk in. Dat gaat goed samen met de zoete smaak van maïs. En ik maak loempiaatjes, van die kleintjes.” Ik schiet tekort, ik weet het, maar mevrouw T. staat op en zegt: “Dan ga ik even douchen, want loempiaatjes vind ik lekker.”

Zodra ze de woonkamer heeft verlaten, neem ik een onheilspellende geur waar. Een geur van aangebrand eten. De oorzaak heb ik snel gevonden. De loempiaatjes. Ze zijn net zo donker als de lucht in de vroege ochtend, zeg maar gerust: zwart. Ik pak mijn tas en zeg tegen niemand in het bijzonder: ben zo terug! en ren naar de dichtstbijzijnde supermarkt om nieuwe loempiaatjes te kopen.

Een dag met een gaatje

“Er ontbreekt iets”, mompel ik in mezelf. Mevrouw T. schiet overeind.

“Ik wist het. Ik proefde het bij de eerste hap. Er ontbreekt iets. Ik kan alleen niet de vinger erop leggen wat het is.”

“Het is de mais”, zegt mevrouw C. Roerloos als een reiger staart ze voor zich uit. “Het moet de mais zijn. Het doet me denken aan de bloemkoolsoep vorige week.”

Daar gaan we.

“Waarom maken jullie die dingen, Janneke? Vertel ‘s, waarom… waarom gebonden soep, als bouillon volstaat. Eigenlijk zelfs de voorkeur heeft?” Ik kijk van mevrouw C. naar de andere bewoners die voor de lunch aan tafel zijn gekomen, acht bewoners deze vrijdag. Dat noemen we ‘druk’, als in: gezellig. Het is fijn als er meerdere mensen aan tafel komen. Bijkomend risico: meer mensen, meer meningen.

Ze kijken me allemaal onderzoekend aan en ik kijk verslagen terug.

Ja, waarom Janneke, vraag ik mezelf af. Waarom maken we soep, waarom willen we zorgen? Om iets van onszelf te vergeten, te vergeven? Om zin te geven aan het leven? Móeten we zin geven aan ons leven? Is het leven niet goed genoeg van zichzelf?

“Het is een dag met een gaatje”, constateert mevrouw C.

“Het is toch vrijdag?”, vraagt de enige meneer, meneer B. (67), aan tafel.

“Ja, ook, maar het is ook een dag met een gaatje. Zo’n dag dat niet alles lekker loopt. De loempiaatjes zijn ook al veel te zacht. Ik had liever die aangebrande gehad. Lekker knapperig. Een dag met gaatje.’

Ik knabbel op een slap loempiaatje en stel me een soort donut voor, samengesteld uit tijd in plaats van deeg en ik zie hoe ik in het gat temidden van de tijd verdwijn.

“Wil iemand nog een beetje soep?”, vraag ik met een knipoog naar mevrouw C.

Discreet geschuif van borden en kommen.

Eén zekerheid stelt me gerust: mevrouw T. is dit morgen allang weer vergeten.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden