null Beeld Libelle
Beeld Libelle

Column

Kamperen in Frankrijk? Over mijn lijk

Sylvia Witteman (55) is getrouwd, heeft een dochter (23), twee zoons (19 en 17) en katten Lola en Siepie. Deze week schrijft ze over haar jeugdtrauma aan vakanties in Frankrijk.

Onze vakantieplannen hebben nog steeds geen concrete vorm aangenomen. “Wat doe je nou moeilijk, jij had toch een camper gekocht?”, zei een collega tegen wie ik me beklaagde. “Ga gewoon lekker rijden, je ziet wel waar je terechtkomt!”

Stokoud beestje

Jazeker, ik heb een camper gekocht. Een stokoud beestje, een jaar geleden, in een opwelling. Van corona was het eind nog niet in zicht en met zo’n ding heb je op reis geen hotels of restaurants nodig, was het idee. Uiteindelijk vlogen we alsnog naar Kroatië, want dat kon en mocht opeens tóch. De camper bleef werkloos staan achter in de tuin van het buitenhuis van mijn zus en daar staat hij nu nog.

Het is echt wel een héél oud beestje. Zijn accu heeft het begeven dus hij start niet meer, maar het is een handige extra logeerkamer in de tuin. Dát wel. “O”, zei mijn collega. “Nou, maar dan gooi je toch gewoon een tentje in je achterbak en dan rijd je op je dooie gemak naar Frankrijk?” Ze keek er verzaligd bij. Zij is een heel fris iemand, die nodeloos vroeg opstaat om vervolgens tegen steile heuvels op te rennen of te gaan zwemmen in ijskoud zeewater. “Hmja...”, zei ik. Ik dacht onvermijdelijk terug aan mijn jeugd.

K(r)amperen in Frankrijk

Ook mijn ouders waren een groot voorstander van kamperen in Frankrijk, dat wil zeggen, vooral mijn vader. Mijn moeder had veel liever een vakantiehuis gehuurd of een prettig hotel betrokken, maar dat gold indertijd in hun kringen als ‘burgerlijk’ (lees: ze hadden er geen geld voor).

“We kunnen gaan en staan waar we willen!”, riep mijn vader steevast als we met zijn vijven in de oude Eend gepropt zaten. Maar dat ‘gaan’ was altijd naar de Dordogne, in drie of vier dagen want ‘we doen het op ons dooie gemak’, en dat ‘staan’ was altijd op van die tragische doorreiscampings waar niemand langer dan één nacht bleef en de faciliteiten bestonden uit één doordringend naar pis stinkende hurkplee.

Honderden sigaretten

Daar moest mijn moeder dan onze aftandse gezinstent opzetten. Een uit 265 stokken en 346 scheerlijnen bestaand, lekkend gevaarte waar altijd een essentieel onderdeel aan ontbrak, terwijl mijn vader na een paar flinke slokken lauwe jenever in slaap viel tegen een boom. En wij kinderen amechtig zaten bij te komen van een lange dag in dat autootje, kotsmisselijk van de honderden sigaretten die mijn ouders al rijdend hadden gerookt.

Slaande ruzie

De volgende dag moest de tent weer worden afgebroken en ingepakt, wat uren duurde, waarna het proces zich een paar honderd kilometer zuidwaarts herhaalde. Waren we eindelijk op de bestemming aangekomen, een ook weer weinig comfortabele camping in het dorpje Carennac, dan hadden we nog geen rust: mijn vader speurde elke ochtend rond of er niet iemand vertrokken was die een béter plekje had achtergelaten. Dat was altijd zo, en dus moest die tent wéér verplaatst worden. Daarover kregen mijn ouders elke dag weer slaande ruzie, tot we naar huis gingen, ook weer ‘op ons dooie gemak’.

“Heerlijk toch?”, joelde mijn collega die mijn gedachten natuurlijk niet kon lezen. “Ik zal erover nadenken”, antwoordde ik braaf.

Over mijn lijk.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden