MAFS-deelnemer Mark Zijlstra overwon een eetstoornis Beeld Privébeeld Mark
MAFS-deelnemer Mark Zijlstra overwon een eetstoornisBeeld Privébeeld Mark

PREMIUM

MAFS-deelnemer Mark Zijlstra overwon een eetstoornis: “Ik zat een jaar in een kliniek”

Mark Zijlstra (45), bekend van Married at first sight en Steenrijk Straatarm, is meer dan die vrolijke man van televisie. Hij leed in zijn jeugd aan een eetstoornis. Nu probeert hij lotgenoten te helpen.

Eva BredaPrivébeeld Mark

“Na mijn deelname aan Married at first sight en Steenrijk, straatarm zien mensen me vaak als de ondernemer die middenin het leven staat. Reizen, etentjes, een rijk sociaal leven. Niemand verwacht dat ik een vrij heftige eetstoornis heb gehad. Zeker niet omdat ik een man ben. Maar ik zat er diep in.

Het begin van de eetstoornis

Hoeveel ik woog op mijn dieptepunt, kan ik beter niet zeggen. Ik heb geleerd het niet over gewicht te hebben. Wat als het iemand anders met een eetstoornis triggert om mijn gewicht als een uitdaging te zien, zoals ik deed toen ik zestien jaar oud was? Zestien nog maar, en toch al zo mager en obsessief bezig met de controle over eten. Ik was daarvoor nooit bezig met mijn gewicht. Ik at wanneer ik trek had en ik schepte het liefst bij het avondeten twee keer op. Maar toen kreeg mijn moeder borstkanker en overleden mijn opa en oma kort na elkaar. Mijn stabiele basis was ineens niet zo stabiel meer. Even warm nog, maar niet meer zo vanzelfsprekend. Mama, die in de ochtend soms nog mijn brood klaarmaakte voor ik naar school fietste, lag in het ziekenhuis. Wat als dit het laatste broodje was dat ze voor me smeerde? Hoe kon ik het laatste boterhamzakje dat ze ooit zou hebben aangeraakt, hier in een prullenbak achterlaten?

Velen denken dat eetstoornissen ontstaan vanuit een laag zelfbeeld en soms is dat ook zeker het geval. Maar vaker is een eetstoornis een kwestie van controle terugpakken op het moment dat het je in het dagelijkse leven ontglipt. Dat werd het voor mij. Ik begon met een paar boterhamzakjes bewaren, maar na verloop van tijd besloot ik mijn moeders lunch niet meer op te eten. Mama werd beter, mijn warme nest werd weer stabiel. En onbewust moet ik hebben gedacht dat dat kwam door mijn dwangmatige maniertjes. Ik zette door, daagde mezelf uit, putte mezelf uit. Wat als ik van mezelf nog maar vier slokken thee op een dag zou mogen drinken? Zou ik dat kunnen? En als dat lukte, zou ik dan ook de avondmaaltijd grotendeels kunnen overslaan? Ik testte mezelf om het noodlot niet te tarten. En ik werd magerder en magerder.

Medelijden met mijn familie

Nu ik als volwassene terugkijk op die jongen van zestien, heb ik medelijden. Met hem, maar ook met mijn familie. Met mijn twee jaar oudere zus, die een deel van de puberteit aan de zijlijn moest staan. Die tijdens het avondeten haar mond hield, terwijl mijn ouders wanhoopspogingen deden om mij mijn eten te laten eten. Met mijn moeder, die uit frustratie een keer een bord door de keuken smeet. Ze wilden me zo graag helpen, maar ik liet het niet toe. Iedere hand die mensen me aanreikten, zag ik als een nog grotere uitdaging. De arts die zei dat alleen kinderen onder een bepaald gewicht werden opgenomen in het ziekenhuis? Dat was voor mij bevestiging dat het met mij nog niet zo erg gesteld was en dat ik nog meer kon afvallen. Nog minder slokjes thee, nog minder happen van mijn eten. Twee weken later had ik mijn nieuwe kritische gewicht bereikt en belandde ik in het ziekenhuis, waar ik meerdere keren aan de sondevoeding lag tot ik aangesterkt was.

Spijt van mijn eetstoornis

Ik zeg vaak dat ik spijt heb van mijn eetstoornis, een uitspraak waar mensen vaak van steigeren: je bent toch slachtoffer van een eetstoornis? Geen dader? Zo zie ik het deels ook. Mevrouw Anorexia, zoals de stem in mijn hoofd vaak in een therapiesessie wordt genoemd, is iemand over wie je geen controle hebt. Ze fluistert je de hele dag slechte gedachten in, maar doet dat zo lief dat je haar gaat geloven. ‘Eet maar niet, dan voel je je beter. We willen toch het beste voor je?’ of: ‘Als je dit niet opeet gaat het vast goedkomen met jouw familie’. Over haar heb ik in die tijd nooit controle gehad. Wat ik mezelf wel kwalijk neem, is dat ik veel te lang naar haar heb geluisterd. Dat gevoel van spijt en schuld heeft me twee keer keihard in mijn gezicht geslagen. De eerste keer was op mijn negentiende. Ik lag in het ziekenhuis aan de sondevoeding tussen kankerpatiënten. ‘Wat voor kanker heb jij?’ vroeg een vrouw aan me. Ik keek naar haar, naar haar zwakke lijf, haar kale hoofd, en ik voelde me zo schuldig. Ik durfde amper te zeggen dat ik een eetstoornis had. Zij ging misschien wel dood en er was niets wat ze kon doen. Ik had het allemaal zelf gedaan.

Het was het duwtje dat ik nodig had om hulp niet als uitdaging maar als oplossing te zien: ik liet me opnemen in een kliniek. Ik heb een jaar in de Ursula-kliniek in Wassenaar gewoond. Daar werd ik samen met lotgenoten behandeld voor mijn eetstoornis. De therapieën waren goed, maar voor mij niet hoopgevend. Een herstelde ex-bewoner vertelde eens dat ze sinds haar herstel in haar agenda opschreef wanneer ze moest eten, omdat ze het anders vergat. Mevrouw Anorexia zat nog steeds in haar hoofd, alleen luisterde ze niet meer. Hoe moest ik me hieraan vasthouden? Kon ik nooit van mijn eetstoornis afkomen? Dat die stem voor altijd was, voelde hopeloos.

‘Ik ben genezen’

Maar toen kwam de tweede klap in mijn gezicht: mijn medepatiënten. Mensen die door hun eetstoornis in scheidingen lagen, die geen ouders meer hadden, wiens hele leven op omvallen stond. En ineens zat ik daar weer: met mijn schuldgevoel en spijt. Wie was ík om me zo slecht te voelen? Ik had geweldige ouders, die nog leefden. Mijn opa en oma waren overleden maar wel op een mooie leeftijd. En met mij was er eigenlijk niets aan de hand, behalve dat ik mezelf dit aandeed. Resoluut liep ik naar de begeleiding van de kliniek: ‘Ik ben beter. Ik kan naar huis.’ Dezelfde dag nog at ik mijn ontbijt, lunch en avondeten helemaal op. Ik moest door mijn ondergewicht nog veel aankomen en dat lukte. Toen ik de controle durfde los te laten, verdween ook het stemmetje van Mevrouw Anorexia en mijn leven werd iedere dag weer leuker en waardevoller.

Het is zeldzaam om zo rap van een eetstoornis te genezen, maar het is alsof er die dag iets klikte in mijn hoofd: ík ben verantwoordelijk voor mijn eigen geluk. De eetstoornis is sindsdien nooit meer teruggekomen. Lang niet iedereen komt van dat stemmetje af, maar het kan wel. Dat wil ik mensen laten zien. Daarom probeer ik nu te praten over wat me is overkomen en werk ik als ervaringsdeskundige samen met het Leontienhuis, een herstelcentrum voor mensen met eetstoornissen. Ik merk dat lotgenoten het fijn vinden iemand met ervaring te spreken, naast de artsen die ze dagelijks zien. Ze voelen zich begrepen, dat geeft vertrouwen. Als ik hoor dat iemand mede door mijn verhaal een heel bord heeft leeggegeten of zelfs is genezen, dan ontroert dat me. Ook hoor ik vaak dat mensen dankzij mijn openheid ook hun verhaal willen delen. Laatst durfde een vrouw voor het eerst over haar Binge Eating Disorder te praten, want ja ook dát is een eetstoornis. Als ik zie dat mijn openheid dat allemaal teweegbrengt, ben ik heel dankbaar dat ik het kan zijn: dat positieve verhaal, dat ik als zestienjarige jongen zo nodig had.”

In Nederland lijden naar schatting zo'n 200.000 mensen per jaar aan een eetstoornis. Bij eetstoornissen denken we vaak aan vrouwen. Maar naar schatting is 1 op de 10 mensen met een eetstoornis man.

Heb jij een eetstoornis of ken je iemand met een eetstoornis? Voor hulp kun je onder andere terecht bij het Leontienhuis, waar ook Mark als ervaringsdeskundige is aangesloten.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden