null Beeld

PREMIUM

Marleen schreef een brief aan haar overleden zus: “Ik wil dat mijn dochters weten wat een ongelooflijk geschenk een zus kan zijn”

Natúúrlijk is het leven van Libelle’s redactiemanager Marleen Koolmees niet alleen maar kommer en kwel sinds haar geliefde zus Sandra overleed. Maar ze is niet meer de Marleen die ze had moeten zijn en in haar hoofd schrijft ze haar brieven ...

Marleen Koolmees

Denk je dat we elkaar ooit terugzien? Later, als ik ook dood ben?

Hé Sannie. Ik zit tegenwoordig op yoga. Had je niet gedacht hè? Ik bridge trouwens ook tegenwoordig, ook al zoiets waarvan we destijds dachten dat we dat nooit zouden gaan doen. Maar zo zie je maar weer, het kan raar lopen. Ik kan er geen klap van, van yoga, maar het is wel fijn. Ik weet zeker dat jij het ook leuk had gevonden en dat we dit lekker samen waren gaan doen, maar ik ben het pas gaan doen na jouw overlijden. In bridge ben ik bijna net zo slecht als in yoga, best jammer.

Dat is dan weer iets waarvan ik denk dat jij er niet aan begonnen was – zo dol was je nou ook weer niet op kaarten, toch? Of wel? Ik zou dat eens aan jouw vriendinnen moeten vragen, maar ik spreek ze nooit meer. Er gaat nog wel ieder jaar een groepje naar mama op jouw verjaardag en dat vindt ze ontzettend fijn. Lief hè, dat ze dat doen. Had je vast wel gedacht ook – jouw vriendinnengroep was zo hecht. En wat je zaait, dat oogst je en jij was zelf ook een heel trouwe, lieve vriendin.

Denk je dat we elkaar ooit terug gaan zien? Later, als ik ook dood ben?

Ik weet het niet. Ik zou niets liever willen, maar ik denk eigenlijk niet dat het zo is. En wat dan nog. Ik wil je niet later zien, maar nu. Ik wil je nu spreken, nu met je op de bank voor de tv hangen, samen uit eten, over de kinderen kletsen of even de stad in of naar het strand. Ik wil dat je belt en dat ik dan jouw beetje schorre stem hoor, diep en laag. Hé zus, zou je dan zeggen en ik zou dan hetzelfde antwoorden.

Ik ruimde laatst mijn kast op en vond daar jouw rokje dat je speciaal voor het Boekenbal had gekocht. Een extreem kort gevalletje van zijde, met franjes. Het is me te klein, altijd al geweest en nu hangt het te wachten tot Lutein het past. Je kocht het toen je al ziek was, en zo mager, en je net je boek had ingeleverd bij de uitgever. Dan heb ik alvast wat keks, zei je, jezelf en mij voor de gek houdend met jouw rotsvaste hoop dat er op korte termijn een wonder zou gebeuren waardoor jij stralend je entree zou maken als Boekenbal-debutant in de Stadsschouwburg. Ik wist toen nog niet dat het nog magerder kon, maar we kwamen erachter dat dat wel kon. Je maakte er steevast dezelfde grap over. Be careful what you wish for, zei je. Want jij wilde altijd slank zijn en dat werd je door de chemo, je wilde krullend haar en dat kreeg je nadat je haar voor de eerste keer was uitgevallen en je hield van aandacht – en ook die viel je ruim ten deel toen je ziek werd.

Maar goed, het Boekenbal dus. Ik ben er geweest en je zou ervan genoten hebben. Ik weet zeker dat je zou zijn uitgenodigd als je lang genoeg had geleefd om het uitkomen van je eerste boek mee te maken. Dankzij twee wodkaatjes heb ik iedere gedachte aan het rokje of aan jou succesvol weten te verdringen, maar ik zag er lang niet zo kek uit als jij eruitgezien zou hebben. Ik zie er eigenlijk nooit zo kek uit als jij er altijd uitzag, en het winkelen is nooit meer zo leuk geworden als met jou.

Het eerste jaar na jouw dood kan ik me eigenlijk amper herinneren – nog afgezien van het feit dat het al bijna tien jaar geleden is. Volgend jaar jubileum, yeay… Dit jaar zou je vijftig zijn geworden trouwens. Ik heb maar afgezien van een melding op Facebook, ik denk niet dat je dat op prijs had gesteld. Je vond dat hele ouder worden toch al helemaal niets, vierde je verjaardag eigenlijk liever niet en loog geregeld over je leeftijd. Maar de manier waarop je daar onderuit bent gekomen, is toch wat te rigoureus geweest, zelfs voor jouw doen.

Dat eerste jaar zaten Ernst en ik in ons schuttersputje te wachten tot het ergste voorbij zou zijn. Geen etentjes bij ons thuis, niet naar toneel, niet naar de film, niet uit eten met vrienden of vriendinnen. In de auto kon ik geen muziek verdragen en al helemaal niet meezingen; op de een of andere manier was mijn stem weg. Wist je dat je van altijd maar in tranen uitbarsten niet veel mooier wordt? Als je voor het slapengaan huilt, word je echt verfrommeld wakker – geen gezicht. Voor wie het toch niet laten kan, heb ik een tip: een nat washandje of wattenschijfje op je ogen leggen, fingers crossed and hope for the best.

“Wat deden jij en tante Sannie dan samen?”, vroeg Pia me eens, toen ze weer eens het naadje van de kous wilde weten over haar moeder en haar jong gestorven tante. Ik begon aan een enorme waslijst. Samen eten, samen sporten, rare nieuwe hobby’s uitproberen, naar het toneel, de film, shoppen, met elkaar bellen, ergens naartoe, bij elkaar op de bank hangen en tv kijken, koken, Ernst aan zijn kop zeuren, bij opa en oma langs, het kerstmenu verzinnen, inkopen doen en het in elkaar flansen, samen zwijgen, vakanties plannen, met elkaars vriendinnen naar concerten, heel veel lachen en altijd, maar dan ook altijd eerlijk zijn tegen elkaar. “O”, zei Pia. “Maar met wie doe je dan nu al die dingen?”, vroeg ze toen. “Ik doe ze nu alleen”, zei ik. Ik ben alleen.

Het is natuurlijk niet alleen maar kommer en kwel, ik wil je niet de verkeerde indruk geven. Want meestal gaat het best goed. Ik leef gezond, ik lach genoeg, ik geniet van het leven. Maar het besef dat er iets mist, is er altijd. Sluimerend op de achtergrond.

Je zou zo trots zijn geweest op mijn dochters, jouw nichtjes. Zeventien en veertien zijn ze nu, Lutein doet eindexamen en Pia gaat naar de vierde. Ze waren zo jong – we waren allemaal zo jong – op jouw begrafenis in januari 2010. Toen Pia geboren werd, was jij net aan het herstellen van je eerste chemokuur. Op de foto’s houd je haar vast, ze is net een paar uur oud en je hebt een sjaaltje om je hoofd dat ik laatst heb weggegooid. Bij jou had het schwung, een sjaaltje om je hals, terwijl ik eruitzie als een bejaard paasei.

Eigenlijk heeft alleen Lutein echt heldere herinneringen aan jou. Je bent te kort onderdeel van hun leven geweest om ze jouw unieke humor en liefde voor het leven mee te geven. Maar in huis staan jouw foto’s, jouw kleren hangen in de kast en worden gedragen. Ik vertel mijn dochters verhalen over jou, over onze jeugd, de reizen die we samen maakten, hoe we er altijd blind voor elkaar waren en ik me met jou leuker voelde dan zonder. Ik wil dat ze weten wat een ongelooflijk geschenk een zus kan zijn, hoe bijzonder het was wat wij hadden. Ik vertel ze hoe dankbaar ik ben dat ik veertig jaar lang jouw zus mocht zijn, dat we geen seconde hebben laten liggen en dat ik het voor geen goud had willen missen.

Maar ik ben niet meer de Marleen die ik zou moeten zijn, de Marleen die ik zou willen zijn. Die met die zus, met wie ik verleden, heden en toekomst deel. De goeie en de slechte dagen. Met wie ik al mijn herinneringen inkleurde; aan ouders, familie, vakanties, vriendinnen, vrienden, feesten en partijen, ruzies en ziekte. Aan relaties die misliepen, aan pasgeboren baby’s, aan hilarische sinterklaasgedichten, intense verhuizingen, grootse plannen, gefnuikte dromen, memorabele etentjes met dierbaren en dubieuze carrière-switches. Ik ben niet meer de Marleen die meer was dan een op zichzelf staand individu, omdat ik altijd jou als zus had en die altijd zou hebben. Die Marleen verheugde zich op de toekomst omdat ze ooit, samen met jou, mijn allerliefste zus, bejaard en wel, lekker oud zouden gaan zitten zijn, met foto-boeken vol avonturen om oeverloos te herkauwen. En dan zouden onze vriendinnen er ook nog zijn, de mannen allang dood, wat statistisch gezien een feit is, hoe sneu ook. Statistisch gezien gaat er ook ‘maar’ een op de acht vrouwen dood aan borstkanker trouwens. Dus waarom jij je aan die statistiek hebt gehouden in plaats van die andere, is mij een raadsel. “Ik ben blij dat ik borstkanker heb gekregen en niet Marleen”, heb je tegen mama gezegd. “Want zij heeft kinderen en ik niet, dus dan moet het maar zo.”

Natuurlijk ben ik blij dat ik leef, al is het niet precies geworden wat ik me had voorgesteld. Ik snap niet waarom ik een vrouw ben geworden zonder zus. Een vrouw die in haar hoofd duizenden brieven aan haar zus schrijft. En dit is er één van.

Sandra Koolmees kreeg in 2004 voor de eerste keer borstkanker en overleed in 2010 aan de gevolgen ervan; ze werd net geen 40 jaar. Over haar ziekte schreef ze het openhartige boek Een van de acht – een memoir (uitgeverij Luitingh-Sijthoff).

Marleen Koolmees (55) is redactiemanager en moeder van Lutein (20) en Pia (17). Ze woont samen met Ernst.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden