PREMIUMBerend Boudewijn

“Martine Bijl kijkt over mijn schouder mee”

null Beeld Dafne Ederveen
Beeld Dafne Ederveen

Dertig jaar lang, tot zij in 2019 overleed, waren Berend Boudewijn (85) en Martine Bijl onafscheidelijk. Hij bundelde een selectie van haar teksten in een boek. “Ik probeer haar toch een beetje levend te houden.”

Nathalie HuigslootDafne Ederveen

Het is de eerste keer sinds het overlijden van zijn geliefde Martine Bijl dat hij weer in Bistro Belle is, in Oud-Zuilen. “Waar wij nu zitten, zaten we heel vaak”, vertelt Berend Boudewijn aan een tafeltje bij het raam. “Hier in de omgeving maakten we vaak een wandelingetje. ‘Ik wil wel wandelen,’ zei Martine dan, ‘maar dan wil ik erna wel een pannenkoek.’ Die aten we dan hier. Sinds zij er niet meer is, ben ik hier niet meer geweest, dus dat kost me wel een beetje moeite”, vertelt hij rustig. Niet dramatisch, gewoon zoals het is. Het is dezelfde toon als in het boek dat hij samenstelde uit de literaire nalatenschap van zijn vrouw.

Hoe kwam je erop om dit boek te gaan maken?

“Ik wilde heel graag nog met Martine bezig zijn. Ik probeerde haar, misschien krampachtig, toch een beetje levend te houden. En ik denk dat ik iedereen nog even wilde inpeperen dat Martine zo’n groot schrijftalent was. Veel mensen waren daar al wel van doordrongen door haar twee vorige boeken, die zeer goed zijn ontvangen. Wat ze allemaal nog meer had opgeschreven, vond ik zo ontzettend leuk.

“Samen met haar uitgever Tilly Hermans ontdekte ik dat als je al haar verschillende schrijfsels achter elkaar leest, het eigenlijk een portret van Martine wordt. Daarbij geeft het een kijkje achter de schermen van de showbizz. Je verwacht het misschien niet van Martine, maar zij kon enorm op haar strepen staan als het om inhoud ging. Dat is weleens ontaard in een hoogoplopende ruzie met Phil Collins.” Lachend: “Die later overigens toegaf dat Martine wel gelijk had.” Dan weer serieus: “Maar het samenstellen hield mij van de straat, dat was het ook.”

null Beeld

Was het emotioneel om bepaalde dingen te lezen?

“Het meeste kende ik al, we lazen ons werk altijd aan elkaar voor. We waren zo betrokken bij elkaars werk dat we altijd dachten: o, laat het in vredesnaam succes hebben. Ik had eens een stuk geschreven dat in een theatertje door vier acteurs voor een bescheiden publiek werd voorgelezen. Toen moest Martine thuis overgeven omdat ze zo zenuwachtig was of het wel goed zou gaan.

Doordat we veel samen thuis aan het werk waren, word ik ook doorlopend aan haar herinnerd. Een idioot voorbeeld, maar als ik een bord pak, denk ik al aan haar. In de kast staat boven op de stapel borden een grote soepterrine die nog van mijn moeder is geweest. Die gebruikten we nooit, dus stelde ik voor om hem in de bijkeuken te zetten. ‘Nee,’ zei Martine, ‘het staat zo leuk, dat is gezellig.’ Dus elke dag als ik onze borden pakte, moest ik eerst die terrine op de andere stapel zetten. En dat blijf ik doen, ook nu zij er niet meer is. Ik ga die terrine nu niet opeens in de bijkeuken zetten, dat zou een soort heiligschennis zijn.

Eigenlijk word ik permanent vergezeld door een soort vacuüm. Als ik een kleedje rechttrek of een vaasje wegzet, denk ik aan haar. Dat was ook tijdens dat zoeken in haar computer. Bij het samenstellen van het boek keek ze altijd over mijn schouder mee. Haar normen waren heel streng. Te emotioneel was verboden, te lollig ook, ze had een heel fijngevoelige antenne voor onoprechtheid. Maar je vroeg of ik weleens emotioneel was: ik heb eigenlijk nooit die heel grote, allesverwoestende huilbui gehad. Of die heb ik mezelf nooit toegestaan. Ik heb snikjes, elke dag. Nou ja, dat klinkt ook zo dramatisch. Maar goed, met grote regelmaat treft het me. Dan denk ik: ik heb even niet opgelet, waar is ze? O nee, dat is waar ook, ze is er niet meer.”

Martine schreef: ‘Na het eten had ik een enorme treurnis-aanval. Met veel gesnotter. Niemand kan mij dan weer zo goed uit de put praten als de Beer, en ik zie dat het hem echt veel kost. Ja, die wil dan ook wel eens even een potje krijsen, maar tijd ontbreekt helaas, hij moet mij uit het dal trekken.’

null Beeld

Was het een rake observatie van haar dat je de ruimte zou moeten nemen om een keer al die emoties te uiten? Of heb je die behoefte niet zo?

“Ik weet het niet. Misschien heb ik mijn verdriet in termijnen afbetaald. Martine heeft een tamelijk lange periode van ziekte gehad. Eerst een hersenbloeding waar ze zich op een ongelooflijke manier uit heeft gewerkt. Toen een klinische depressie, die eigenlijk ingrijpender was. Dan moet je weleens uit de put worden gepraat. Maar het perspectief dat ze weer beter zou worden, hielp mij daarbij altijd.

“Waarom die grote huilbui niet heeft plaatsgevonden, vind ik moeilijk te duiden. Wat kan meespelen is dat ik op twee toneelscholen heb gezeten en dan ben je wel getraind om jezelf waar te nemen. Als ik een beetje door verdriet werd overmand, zag ik mezelf bij het fornuis staan en dacht ik: nu kun je wel een halfuur gaan huilen, maar daarna is ze toch niet terug.

“Als iemand wegvalt, denk je dat je de dingen die je voorheen met z’n tweeën deed daarna half gaat doen. Maar dat kan helemaal niet. Je kunt niet met een hand applaudisseren, je kunt niet op een been huppelen. Martine was gek met de tuin en aan het einde van de dag gingen we vaak op het platje achter het huis theedrinken. Meestal sprong zij dan steeds op om ergens een onkruidje weg te trekken. Na haar overlijden ben ik daar niet meer in mijn eentje gaan zitten. Ik keek ook niet meer naar de serie The Crown, wat we samen deden. Dat was toch een beetje heavy, vond ik. Wel heb ik na haar dood in mijn eentje naar de serie After Life met Ricky Gervais gekeken, heb je die gezien?”

Ja.

“Geweldig hè?” Hij schiet opeens vol. “Nou zeg.”

Hoe komt het dat je nu geëmotioneerd raakt?

“Ik vond die serie heel herkenbaar. Het gaat over een man die een fantastisch goed huwelijk had en weduwnaar is geworden, waarna hij zich moet zien te redden. Het is soms enorm grappig, dat is het knappe, dus ik weet eigenlijk niet zo goed waarom de herinnering daaraan mij nu van mijn stuk brengt. Misschien omdat ik toen voor het eerst in mijn eentje in de huiskamer naar de tv zat te kijken. Ik had ook nog mijn heup gebroken waardoor ik met mijn been in de lucht moest zitten.”

Waardoor had je je heup gebroken?

“De tweede keer dat Martine in het ziekenhuis kwam, was ik bij haar op de kamer. Ze stond op, waarop ik heel gauw uit mijn stoel wipte omdat ik dacht: ik moet haar ondersteunen. Nou, hoogmoed komt letterlijk voor de val. Ik haakte met mijn voet achter de stoel en viel op de grond.”

Martine kon op dat moment niks voor je doen?

“Nee. Toen ik op de grond lag, zei ik ook meteen tegen haar: ‘Blijf zitten, blijf zitten!’ en dat deed ze ook. Ik zag dat rode knopje van de verpleging hangen, dus daar heb ik snel op gedrukt. Als je je heup breekt, doe het in een ziekenhuis. Maar doe het niet op vrijdag aan het eind van de middag, want dan is iedereen bezig met wisselen van dienst. Zaterdagochtend ben ik meteen onder het mes gegaan. Heel curieus dat Martine beneden lag en ik op de bovenste verdieping. Een verpleegster kwam haar ’s avonds brengen en dan zat ze een kwartiertje bij me. Ik mocht al na vijf dagen weg, want mijn heup was ‘keurig gebroken’, daar kreeg ik nog een complimentje over. Martine moest blijven.”

null Beeld

Waarom was zij toen opgenomen?

“Met een klinische depressie word je opgenomen, anders is het niet vertrouwd.”

Anders wordt iemand suïcidaal?

“Ja, dat is een gedachte die permanent door je hoofd spookt en die heel aantrekkelijk lijkt. Dat is wat die ziekte zo knap doet.”

Valt iemand die een klinische depressie heeft überhaupt uit de put te praten of sta je dan machteloos?

“Als iemand echt een depressie heeft, dan heeft zich iets genesteld in je hoofd en daar kun je weinig tegen doen. Martine beschrijft ergens dat ze buiten loopt en er een vogeltje is dat haar heel pienter met vrolijke oogjes aankijkt. Dan denkt ze: als je nu tegen me aanvliegt, dan val je bevroren op de aarde. Zo koud ben ik. Maar het rare van zo’n depressie is ook dat hij soms opeens weer verdwijnt. Dat gebeurde ook de eerste keer bij Martine, maar toen is hij teruggekomen.”

Zag je haar overlijden aankomen of was dat heel onverwacht?

“Nee, helemaal niet. Pas de laatste zes weken zagen we het aankomen. Toen heeft haar hersenbloeding nog een keer een duit in het zakje gedaan, zal ik maar zeggen. Godzijdank hebben we iemand gevonden die in huis kwam om te helpen en is ze tot het einde thuis geweest, in haar atelier. Maar haar ziekte is slechts één aspect van Martine. Het boek gaat vooral over een heel vitale, getalenteerde, grappige vrouw, die eigenlijk te jong geveld is door twee verschillende ziektes. Het gevaar dat op de loer ligt is dat je het alleen nog maar over die laatste tijd hebt. Die periode is zwaar geweest, maar het wenkend perspectief was dat ze beter ging worden. Dat gebeurde eerst ook. Na haar hersenbloeding heeft ze zelfs haar rijbewijs weer gehaald, dus we moeten ook niet al te veel somberen. Het is een wonderbaarlijk rijk leven geweest als je ziet wat ze allemaal heeft gedaan en gemaakt.”

Ze was bij alles wat ze deed een perfectionist. Op een gegeven moment stortte ze zich op poppen maken en sloeg ze aan het boetseren, mallen maken, afgieten, bakken, schilderen, lijfjes maken, aankleden, allemaal echt monnikenwerk. ‘Ik doe al die dingen om te bewijzen dat ik geen dom blondje ben’, grapte ze. Zat daar een kern van waarheid in?

“Absoluut. Ik vroeg later: ‘Waarom doe je het niet meer?’ ‘Ik heb bewezen dat ik het kan’, antwoordde ze. Het is psychologie van de koude grond, maar ieder kind wil van zijn ouders een schouderklopje en Martines vader was heel kil. Die vond een meisje eigenlijk een mislukte jongen, hij had ook veel meer met zijn zoon dan met zijn dochter. Die onvervulde behoefte aan dat schouderklopje bleef Martine houden, dat uitte zich in haar perfectionisme. Veel mensen vinden dat een positieve eigenschap, maar Martine zei: ‘Dat is een hel. Want als ik het laurierblaadje vergeten ben in het eten, denk ik al: toch mislukt.’ Dat had ze bij alles wat ze deed.

“De mensen zijn het misschien een beetje vergeten, maar Martine was voorheen een gewiekste comédienne die vier soloprogramma’s in het theater speelde. Toen had ze dat perfectionisme ook. Daarin vonden we elkaar, ik regisseerde haar theatersolo’s. Toch heeft het nog een hele tijd geduurd voordat we een relatie kregen. In het begin had zij nog een partner en ik ook, waardoor we allebei niet op het idee kwamen dat de ander wat voor je kon voelen. Uiteindelijk hebben we dertig jaar een volstrekt volledige relatie gehad. Zij heeft mij misschien ook wel geleerd om lief te hebben. Dat klinkt een beetje dramatisch, maar goed, het is wel zo. En blijkbaar kan dat je ook nog overkomen als je wat rijper bent, ik was vierenvijftig. De relaties die ik daarvoor heb gehad waren helemaal niet slecht, hoor. Dit was op de een of andere manier een enorm veilige haven. Er was altijd wel iets onverwachts, iets gezelligs of iets leuks te beleven met Martine. We zaten zo op dezelfde golflengte, het was altijd verrassend, nou goed, genoeg. Het is, dames en heren, een prachtboek.”

In dat schrijven vonden jullie elkaar ook helemaal?

“Ja. En dat schrijven was uiteindelijk haar allerliefste bezigheid. ‘Als ik niet meer kan schrijven, dan hoef ik niet meer te bestaan’, zei ze. Dat zij na haar hersenbloeding de taal niet is kwijtgeraakt, is dan ook de grote zegen. Ze had zo’n feilloos gevoel voor waarom een woord net grappig kan zijn of net onverwacht.” Lachend: “Ik geloof dat ik nogal positief over haar ben, hè?”

Hoe gaat het zijn voor je nu dit boek af is?

“Ja… dat is een goede vraag. Het maken van dit boek heeft mij absoluut houvast gegeven en dat valt nu weg. Er is natuurlijk nog meer wat ze geschreven heeft, maar langzaam maar zeker moet je je toch realiseren dat de zaken vergankelijk zijn. Martine heeft ook een tijd mozaïeken gemaakt. Die steentjes maakte ze in een mal, bakte ze, verfde ze, rond de wc-pot heeft ze bijvoorbeeld een heel mooie gemaakt. In een kast stonden nog twintig potjes met die verf, en die heb ik laatst weggegeven. Zo ontmantel ik het thuis langzaam maar zeker een beetje. Het is niet anders. Ik kan nog zelf naar de supermarkt om boodschappen te doen, dus eigenlijk moet ik zeggen: ‘Dank u wel ons lieve heertje’. Dat is ook een instelling die ik van Martine heb meegekregen: zij wilde geen medelijden opwekken. ‘Ik heb geen tijd voor die flauwekul’, zei ze over haar ziektes. We haalden ook graag Kees van Kooten aan, die de Vieze Man speelde en in een bonbonwinkel een bonbon mocht proeven. Daarna zei hij: ‘Hè, heb ik hem doorgeslikt, heb ik helemaal niet opgelet, nu heb ik hem niet geproefd.’ Sindsdien zeiden Martine en ik altijd tegen elkaar: ‘We moeten opletten dat we deze leuke dag niet doorslikken zonder te proeven.’” ■

Meer Berend Boudewijn

Berend Boudewijn van der Woude werd op 23 juni 1936 geboren in De Bilt. Hij volgde een opleiding tot acteur aan de Toneelschool Amsterdam en aan de Royal Academy of Dramatic Art in Londen. Begin jaren zestig maakte hij zijn debuut als tv-regisseur en theaterregisseur. Later presenteerde hij o.a. de BB-Kwis, was hij directeur van de Stadsschouwburg Amsterdam, columnist van Het Parool. In 2017 schreef hij Ik stond erbij en ik keek ernaar. Deze maand verschijnt Van dit en dat en van alles wat, het boek dat hij samenstelde uit de nagelaten documenten van zijn vrouw Martine Bijl over haar werk bij televisie en theater.

  • Styling: Ora Bollegraaf. Haar en make-up: Wilma Scholte. M.m.v. bruine chelsea boots (VanBommel via Omoda), jeans (Jacob Cohën), overhemden (Lutz),blauwe jas, blazers (privebezit). Met dank aan: Bistro Belle
Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden