null Beeld

column

Peter: “Ruim drie weken wachten tot het onderzoek, dat is veel voor een hypochonder”

Peter Heerschop

Peter Heerschop krijgt een brief thuis na een routine-darmkankeronderzoek. Er is een afwijking gevonden.

Niets is erg, alleen het denken maakt het zo.

Precies twee jaar geleden kwamen we terug van een heerlijke week skiën. Echt, het was een heerlijke week. Wel een rib gekneusd of, zoals ik denk, gebroken, en een kuitspier verrekt of, zoals ik denk, gescheurd. Maar wel gewoon door kunnen skiën. Echt een heerlijke week.

Thuis ligt er een enveloppe van ‘Onderzoek darmkanker’. Daar doe ik al een paar jaar aan mee. Ik heb twee of drie weken geleden wat ontlasting opgestuurd. Die brief maak ik meteen even open, want dan kan ik aan de anderen laten zien dat ik voor twee jaar weer darmkankervrij ben. Daarom doe ik mee aan zo’n onderzoek: om te horen dat ik niks heb. De enveloppe is dit keer wel wat dikker.

‘We hebben bloed in uw ontlasting gevonden dat kan duiden op darmkanker. Hoeft niet, het kan ook iets anders zijn. U krijgt een vervolgonderzoek. Hoe dat gaat, staat in de bijgevoegde folder. En we hebben voor u een afspraak gemaakt bij de polikliniek in de buurt, waar ze verder zullen uitleggen hoe het onderzoek allemaal in zijn werk gaat.’

Tot het lezen van de brief had ik nergens last van. Nooit iets gevoeld. Maar door het bericht is alles anders. Ik voel nu opeens iets aan mijn darmen. Ik lees de folder gelijk even 6 keer door.

‘U krijgt een een colonoscopie. Met een lange slang en een camera de darmen in en dan weghalen wat ze tegenkomen. Poliepen. Die moeten worden onderzocht. Slechts een klein percentage van de poliepen - 6 tot 10% - ontwikkelt zich tot kanker.’

Ik lees verder: ‘In 23% van de gevallen vinden ze niks, in 28% een kleine poliep, dan is het ook niks. In 28% van de gevallen één of meerdere grote poliepen, die moeten goed worden onderzocht. En in 8% van de gevallen wordt kanker gevonden.’

Percentages zeggen mij opeens niets meer. Ik voel paniek.

Ja, heel vervelend, zeggen mijn vrouw en dochter, maar je kunt niet anders dan nu het onderzoek afwachten en het zal best wel meevallen want je voelt je toch gewoon goed de hele tijd.

Ja, dat klopt, tot een paar minuten geleden. Ik voel nu van alles.

Mijn dochter is zesdejaars geneeskunde. Ik vraag haar om me gerust te stellen. Wees blij, zegt ze, de kans is klein dat ze echt iets vinden en als ze wel iets vinden dan zijn we er waarschijnlijk vroeg bij. Daarom wordt dit onderzoek gedaan.

“Dus waarschijnlijk is het niks?” vraag ik licht-neurotisch

“Nou,” zegt ze als een echte arts, “dat moeten we nu eerst afwachten, daarvoor is dit onderzoek.”

“Dus het komt goed?”

“Dat zien we bij het onderzoek.”

Ik zoek in mijn hoofd de troost van de filosofie ‘niets is erg, alleen het denken maakt het zo’. Dat zal wel. Maar mijn denken is nu eenmaal heel sterk. Mijn denken heeft mijn hele lichaam al veranderd. De afspraak bij de poli is pas over twee weken. Het onderzoek acht dagen erna. Ruim drie weken. Dat is veel voor een hypochonder. Ik heb me inmiddels bij een eventueel slecht scenario neergelegd.

‘De kans dat ze helemaal niks vinden is 23%, de kans op een kleine poliep is 27%.’ Ik weet nu vrijwel zeker dat ik niet bij die percentages hoor. In mijn hoofd ben ik al alles aan het regelen. Ik sla nu de wachtweken over. Die kunnen jullie zelf wel bedenken, als je het voorgaande hebt gelezen. Door naar de dag van het onderzoek. Mijn vrouw rijdt me naar de poli op IJburg. Het is prachtig weer. Ook dat nog.

De lieve verpleegkundige vangt me op. Ze ziet dat ik enorm gespannen ben. Ik krijg daarom een infuus voor een ‘roesje’. Ik word naar de onderzoekskamer gereden. Daar staat een vriendelijke arts, achter hem een slang met behoorlijke doorsnede, van drie meter lang. Die gaat er dus in van achteren. Ziet er niet heel feestelijk uit.

Maar dan val ik in een soort van lichte slaap. In mijn herinnering was er af en toe pijn. Hoewel ik er niet echt bij was. Zelfs tijdens een roes ben ik een hypochonder. Het onderzoek duurt ongeveer twintig minuten. Weet ik verder ook niks van. In de uitrustkamer hoor ik in de verte de verpleegkundige zeggen dat het goed was gegaan, niets verontrustends gevonden. Ik schijn toen gezegd te hebben. “Dan gaan wij samen luxe uit eten.” Daar weet ik dus ook niks meer van, dus dat is niet grensoverschrijdend.

De dokter legt uit dat ik de komende tien jaar geen onderzoek nodig heb en vraagt of ik me erg zorgen had gemaakt. “Welnee”, zeg ik, “altijd gedacht dat het wel mee zou vallen.” Hij lacht van ongeloof. Ik huil van blijdschap. Ik weet nu zeker dat ik me nooit meer ergens zorgen over ga maken. Dat ik er voortaan van uitga dat het uiteindelijk allemaal goed komt.

Nu maar hopen dat er niet binnenkort een andere ziekte dreigt, want ik voel wel wat aan mijn knie.

Peter Heerschop (60) is acteur, cabaretier en schrijver. Maar sinds de eerste lockdown is Peter - tot zijn eigen verbazing – ook nog iets anders: een Libelle-man! En dat maakt van hem een zeer geschikte columnist voor Libelle online.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden