null Beeld

PREMIUMCOLUMN

Sylvia: “Ik bleef huilen om m'n beugel, tot ik op een lumineus idee kwam”

Sylvia Witteman

Ze is getrouwd, heeft een dochter (23), twee zoons (20 en 17) en katten Lola en Siepie. Deze week schrijft Sylvia Witteman (56) over de herbeleving van haar jeugdtrauma door een beugel.

“Ja”, zei de tandarts bedachtzaam. Hij had net letterlijk en figuurlijk de kroon op zijn werk gezet en keek nog eens nieuwsgierig naar de rest van mijn gebit. “Het staat hier wel echt behoorlijk scheef, hè?” Speels tokkelde hij met zijn spiegeltje langs de kiezen linksboven. “Hnngg hnnggg”, zei ik. Mijn gebit is inderdaad scheef. Eén kies staat zo ver naar achteren dat het net lijkt of hij ontbreekt. Tenminste, als ik heel breed lach. “Daar is wat aan te doen, hoor!”, zei de tandarts. Hij grijnsde zijn eigen, onberispelijke tanden bloot. “Een beugel is tegenwoordig niet gek meer voor volwassenen. Kijk, er zijn verschillende mogelijkheden...”

Hardnekkig duimzuiger

Een beugel?! Hij praatte rustig verder, maar in mijn oren begon het te zoemen, en bám: ik was terug in mijn kindertijd. Toen al stonden mijn tanden scheef, want ik was een hardnekkig duimzuiger. Alles had mijn moeder geprobeerd om me er vanaf te krijgen: een pleister op mijn duim (die trok ik er meteen weer af), een smerig, bitter goedje (ik waste mijn handen net zo lang tot het weg was), dreigementen, beloften, het schrikbeeld van door het leven te moeten met hazentanden: niets hielp. Het onvermijdelijke gebeurde: mijn tanden groeiden scheef. Voor ik het wist, lag ik in de stoel van de beugeltandarts, die op strategische plaatsen slotjes om mijn kiezen soldeerde. Daar moest elke nacht een buitenboordbeugel in geklikt worden en met een elastiek in mijn nek bevestigd. Daarbij moest ik 24 uur per dag een plaatjesbeugel dragen. “Valt mee, hè?”, zei de orthodontist tegen mijn twaalfjarige spiegelbeeld. Daar stond ik, een benauwde robot. Ik was met stomheid geslagen. Het viel niet mee. Het was afschuwelijk! “Het went wel”, zei mijn moeder die avond, toen ik huilend met die hele constructie in bed lag. Maar het wende niet. Het deed ook pijn. Ik bleef huilen, tot ik na een week of wat op een lumineus idee kwam: ik deed die beugel uit en legde hem onder mijn kussen.

Argwanende tandarts

Zo ging het voortaan elke avond. Ik deed hem in, mijn moeder kwam me instoppen en daarna deed ik hem weer uit. Overdag vertoonde ik me af en toe met de plaatjesbeugel. Mijn moeder trapte erin. De beugeltandarts niet helemaal. “Draag je hem wel?”, vroeg hij telkens, waarop ik beledigd knikte. Dat ging zo een halfjaar door. De tandarts werd steeds argwanender en ik steeds banger van hem. Tot ik op een bijzonder doortastende dag mijn moeder in vertrouwen nam. “Ik draag dat ding niet”, zei ik. “En ik ga hem ook niet dragen. Nooit.” Ze begreep dat ik het meende. De orthodontist werd gebeld, ik moest er nog één keer heen. Zwijgend en ruw haalde hij de slotjes uit mijn mond. Nog nooit in mijn leven ben ik zo opgelucht geweest. Vrij!

“Dus wat denk je ervan?”, vroeg de tandarts aan mijn 56-jarige spiegelbeeld. Ik schudde mijn hoofd. “Nee, dank je”, antwoordde ik. “Je ziet het toch alleen als ik héél breed lach. En zo veel valt er niet te lachen, toch?”

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden