null Beeld

Uit het vakantiedagboek van Anne-Wil

Zaterdag

Laten we eerlijk zijn, ons huisje op de Veluwe valt tegen. Klein, hokkerig en somber. Twee krappe slaapkamers met te smalle bedden, een keuken die bepaald niet uitnodigt iets lekkers klaar te maken en te weinig lampen, die ook nog eens ongezellig licht geven. Maar de locatie is prachtig, aan de rand van het bos, en we gingen hiernaartoe om een beetje uit te waaien en – als het meezit – eens écht met elkaar te praten. Nadat Wil zwijgend om zich heen heeft gekeken, is ze naar haar slaapkamer vertrokken. Ik hoor haar praten op een toon die meisjes alleen maar hebben als ze met hun vriendje bellen. Manon zit op een krakkemikkige rieten stoel voor zich uit te staren. De uitdrukking op haar gezicht laat zich nog het beste omschrijven als: moeder mist haar baby. Als ik via het smalle gangetje naar de achterdeur loop, hoor ik Wil zeggen: “Welnee joh, ik ben over een paar dagen alweer thuis!” Misschien wij alle drie wel, denk ik somber.

Maandag

Het matras is zo slecht dat ik na een kwartier al pijn in mijn rug heb. Na een paar uur woelen val ik uiteindelijk in een onrustige slaap. Ik schrik wakker van een hand op mijn schouder. “Sst! Niet schrikken, oma, maar er loopt iemand om het huisje!” Ik ben meteen klaarwakker. “Sst!”, sist Wil nog een keer. Nu hoor ik het ook. Geritsel buiten. Mijn hart bonst. “Ik bel de politie”, zeg ik zacht. Maar als ik mijn mobiel pak, blijkt de batterij leeg. “Shit”, zegt Wil. “Die van mij is ook leeg. Voordat de politie hier is, zijn wij allang vermoord.” “Wat moeten we nu?”, vraag ik. Ik zit rechtop in bed, mijn hart blijft bonzen. In de gang klinkt gestommel. Wil grijpt mijn arm. “Hij is binnen!”, fluistert ze.
Langzaam gaat de kamerdeur open. Ik zoek het knopje van het bedlampje en knip het licht aan. In het zachte schijnsel zie ik Wil met een enorme zaklamp, klaar om een mep uit te delen, en Manon in de deuropening. “Hebben jullie het ook gehoord?”, vraagt ze. “Mam!” Wils laat de lamp zakken en ik knik alleen maar, nog steeds verstijfd van de schrik. “We moeten nog meer lampen aandoen”, zegt Manon. “Inbrekers zijn bang voor licht.” “Maar niet voor drie vrouwen”, zegt Wil. “Je kijkt dwars door die gordijntjes heen, zeker als het licht aan is.”
Weer geritsel buiten, harder nu. Dan horen we geknor. Wil snelt naar het raam en schijnt naar buiten. Twee wilde zwijnen kijken verschrikt in het felle schijnsel van de zaklamp. Nog meer geknor en weg zijn ze.
We drinken warme chocolademelk. “Pak jij altijd cacao in als je met vakantie gaat, oma?”, vraagt Wil. “Ik zag het pak staan en ik dacht: misschien komt het van pas”, antwoord ik. “Wils, had je echt geslagen als er een inbreker was geweest?” Manon kijk haar vragend aan. “Je weet toch dat ik jou bescherm, mam”, antwoordt ze. “En jou natuurlijk ook, oma”, voegt ze er haastig aan toe.

null Beeld

Dinsdag

“Schiet een beetje op met je ontbijt, Wil”, zegt Manon licht geïrriteerd. “We willen zo snel mogelijk gaan fietsen, het is nu nog lekker weer. Aan het eind van de middag krijgen we buien. Ik ben wel toe aan een beetje frisse lucht na die ‘inbrekers’ van vannacht.” “Ja, rustig maar”, zegt Wil. “Ik heb toevallig vakantie, weet je nog. Ik moet trouwens eerst nog iemand bellen.” “O nee”, zegt Manon. “We hebben afgesproken dat we na twaalven de telefoons wegleggen. Dan had je maar eerder je bed uit moeten komen.” Willeke schuift haar bord van zich af. “We hebben helemaal niks afgesproken”, zegt ze. “Oma en jij hebben gewoon gezegd dat ik mijn telefoon na twaalf uur niet meer mag gebruiken. Want dat is wel zo gezellig. In mijn woordenboek heet dat een bevel. Dáárom liggen onze telefoons in dat kastje.” Ze wijst naar het kastje waarop de televisie staat en mompelt erachteraan: “Vanwege de gezelligheid.”
Als we even later door het bos fietsen, rijdt ze mokkend achter ons aan. “Gewoon even negeren”, zegt Manon zachtjes. “Ze trekt wel weer bij. Denk jij dat een baby van Titia’s leeftijd haar moeder al mist? Zou ze merken dat ik er niet ben?” “Ik heb geen idee”, zeg ik. Het fietspad is te smal om naast elkaar te rijden, ik moet al mijn aandacht bij het fietsen houden, terwijl Manon doorpraat over Titia.

null Beeld


Ondertussen is het steeds harder gaan waaien. “Manon, ik denk dat het gaat onweren. Laten we even op de kaart kijken of we een stuk kunnen afsnijden”, roep ik. Als we naar Wil willen gebaren dat we even stoppen, blijkt ze niet meer achter ons te rijden. Ze is expres ergens afgeslagen. Natuurlijk had ze er genoeg van door haar moeder en mij te worden genegeerd, denk ik. Manon en ik staren naar het lege fietspad waar Willeke had moeten zijn. Dan keert Manon haar fiets om. “Ik ga haar zoeken, ze kan niet ver zijn”, zegt ze als ze weer opstapt. In een poging haar tegen te houden, leg ik mijn handen op het stuur. “Doe niet zo mallotig, Manon. Ze kom echt wel op eigen kracht weer thuis, dit is een Nederlands bos met ANWB-paddenstoelen. Wat kan haar overkomen?”
Dan barst de donkere lucht boven ons open en begint het te plenzen. Manon duwt mijn handen weg. “Manon!”, roep ik. Het maakt niet uit wat ik zeg, ze geeft geen antwoord. Met een gebogen rug rijdt ze tegen de storm in weg. Ineens voelt het bos onheilspellend. Ik fiets zo hard als ik kan terug naar het huisje. Ik was er zeker van dat Wil daar al zou zijn, maar haar leenfiets staat niet tegen de muur en in huis is het stil en donker. Ik trek droge kleren aan en ga in de woonkamer zitten. In het kastje onder de televisie liggen drie mobieltjes. Ik kan niks anders doen dan wachten. Buiten wordt het steeds donkerder en de eerste bliksemflitsen verlichten de kamer kort en fel.

LEES OOK

Het vakantiedagboek van Willeke en Manon

  • Tekst: Tineke Beishuizen, Charlotte Remarque, Maartje Fleur
Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden