null Beeld

Uit het vakantiedagboek van Willeke

Zaterdag

Wat doe je op zaterdagavond als je niet naar school hoeft, een knap vriendje hebt en een groep nieuwe vrienden? In je eentje in een veel te krap bed liggen blijkbaar. Na allerlei dreigementen van mama en een paar enthousiaste telefoontjes van oma, moest ik er wel aan geloven: met mijn moeder en mijn oma naar de Veluwe, hoera… Als ik op mijn zij draai, steken mijn knieën over de rand van het bed. Ik wil mijn telefoon pakken, maar die ligt in de woonkamer. Wat zou Floris nu aan het doen zijn? Hij is vast aan het chillen met de groep. Ik begin net een beetje aansluiting te vinden bij zijn gymnasiumvrienden. Ik stel me de meiden uit de groep voor in hun hockeyrokjes en trek een vies gezicht. Morgen flink in de zon liggen, dan lijkt het nog een beetje alsof ik een leuke vakantie heb gehad. Als ik op mijn andere zij ga liggen, kraakt het bed gevaarlijk. Ik hoor mama en oma ook woelen, het wordt een lange nacht. En een héél lange week.

null Beeld

Dinsdag

Als ik mijn ogen opendoe, hangen er twee grijnzende gezichten boven me. Ik ruik zonnebrandcrème en koffie. “Ze leeft!”, roept oma. “Het is al bijna middag, Wil. We gaan eropuit, de wilde natuur in. Daar houd jij zo van! We moeten nu gaan, want vanmiddag gaat het regenen.” Ja, ja, het milieu op nummer één, maar kan de natuur niet even wachten tot ik ben uitgeslapen? “Ik ben op vakantie”, mompel ik. “Wils, doe nou even gezellig”, zegt mama. “We kunnen gratis fietsen lenen! En Sjors van de informatiebalie heeft een toffe route voor ons uitgestippeld!” “Jeetje mam, mieters! Sjors van de informatiebalie! Een toffe route…” Mama kijkt beledigd. Ik zet mijn humeur uit en spring gauw onder de douche.
Als we even later door het bos fietsen, begrijp ik waarom de leenfietsen gratis zijn. De versnellingen van mijn fiets doen het niet en hij trapt vreselijk zwaar en soms ook door. Mama en oma fietsen voor me uit. Ze kíjken niet eens naar die stomme Veluwe waar ze zo nodig naartoe moesten, zo druk zijn ze aan het praten. Titia, Titia, Titia. Inentingen, talkpoeder, tandjes, krampjes, opvang, hoe mama zelf was als baby. Ik had er net zo goed niet kunnen zijn. Zal ik er iets van zeggen? Ja, ik zeg er iets van… ach, laat ook eigenlijk maar.
Die rotfiets en ik slaan een zijweg in, ze missen me toch niet. Ik ga op de trappers staan om een beetje vaart te maken. Ik slinger door het bos en over heidevelden en heb geen idee hoe lang ik al onderweg ben. Het fietspad wordt smaller en het bos lijkt donkerder en dichter dan zonet. Misschien komt het door de donkere wolken. Als ik nu een schuilplek vind, word ik niet nat, en mama en oma wel. Net goed. Ik probeer de bordjes te volgen, maar elk kruispunt ziet er hetzelfde uit en ik kom ook helemaal geen andere fietsers meer tegen. Ik graai naar mijn telefoon en bedenk dan dat ik die natuurlijk niet bij me heb. Dan barst het onweer los. Binnen een minuut ben ik drijfnat. Het wordt steeds donkerder, maar ik weet niet of dat door het onweer komt of het bos. Misschien is het al avond? Net als ik van mijn fiets wil stappen, zie ik een krijtbordje tegen een boom staan. Ik kan nog net lezen wat er staat: warme choco!

null Beeld


Ik sla rechtsaf een onverhard pad op en zie een houten huisje waar licht brandt. Ik kan wel janken van opluchting. Ik laat mijn fiets vallen en klop op de deur. Ik leg mijn oor tegen de deur om te luisteren of er iemand aankomt. Ineens zwaait de deur naar buiten open. Ik schrik me kapot. “Ho! Pardon, had ik je te pakken?” Een oude man staat in de deuropening van het huisje. Ik wrijf over mijn voorhoofd. “Sorry, dat was mijn eigen schuld”, zeg ik. “Ik ben verdwaald, heeft u misschien een telefoon die ik mag gebruiken?”
Hij steekt een sigaret op en grijnst. “Ik dacht al, zo’n meissie zal toch niet voor d’r lol in haar eentje door het bos fietsen.” Hij vist een oude mobiel uit zijn zak. Hij lacht hard als hij me met het toetsenbordje ziet knoeien. “Ja, andere tijden, mop. Ik heb de kiesschijf nog meegemaakt.” Mama’s nummer is het enige dat ik uit mijn hoofd ken. Ze neemt niet op. Ook de tweede en derde keer niet. Ik zie er blijkbaar net zo wanhopig uit als ik me voel. “Weet je waar je heen moet?”, vraagt de man. Ik schud mijn hoofd. Resoluut grist hij wat spullen bij elkaar en draait het bordje op de deur naar ‘Gesloten’. “Hop, de auto in. Wil jij rijden? Grapje.”
Samen tillen we mijn fiets in de laadbak, ik ga naast hem zitten, hij zet de radio aan. De auto is één grote asbak, er zitten brandgaten in de bekleding. “Noem me maar oom Sjaak”, zegt de man. “Zo noemen alle kinderen in het dorp me.” Hij kijkt me even aan.
“Alles goed? Je moeder is vast blij om je terug te hebben straks.” “Ik denk niet dat ze me mist”, zeg ik. “Volgens mij geeft ze geen moer om mij. Ze heeft net een nieuwe baby.” “Ja, dat is lastig. Ik ben de jongste van twaalf, ik kan je vertellen dat dat ook geen pretje is. Hé, kop op, jouw moeder leeft tenminste nog.” Daar moet ik even van slikken. Vervolgens probeer ik te beschrijven waar ons vakantiehuisje ongeveer zou moeten zijn. Sjaak zucht diep en steekt nog een sigaret op. Ik doe het raam een stukje open. “Heeft dat huis een naam?”, vraagt hij dan. “Ja! Iets met… paddenstoelen. De zwam… De Oesterzwam!” Als we een halfuur later aankomen, komt oma naar buiten gerend: “Willeke!” Haar gezicht is wit en haar stem klinkt bezorgd. “Oma… Waar is mama?”

  • Tekst: Tineke Beishuizen, Charlotte Remarque, Maartje Fleur
Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden