null Beeld

Dagboek van Anne-Wil: “Mijn aandacht wordt getrokken door een briefje op de winkeldeur: wij zoeken een collega”

Anne-Wil heeft twee kinderen, zes kleinkinderen, is getrouwd met Han en heeft momenteel geen baan. Dat laatste zit haar meer dwars dan ze wil toegeven.

Vrijdag

Han heeft niets meer gezegd over mijn ‘thuiszitten’, zoals hij het noemt. Maar ik weet hoe hij erover denkt, en dat zit me dwars. Ik vind trouwens dat het best meevalt met dat thuiszitten. Ik doe iedere dag boodschappen en los daarvan loop ik tweemaal per dag met stevige pas een rondje, dat ik ook nog eens heb uitgebreid tot zeker tweeënhalf rondje omdat ik geen zin heb om af te gaan bij Boy.

Ik ken zo langzamerhand alle tuinen in de omgeving, en ook al aardig wat bewoners die in de tuin bezig zijn als ik langskom. Soms blijft het bij een wederzijdse groet. Andere keren wordt het een babbeltje. Ik zeg dan dat de rozen er zo mooi bijstaan, en dat de bolletjes van de buxushaag zo keurig bijgeknipt zijn, en zij zeggen: “U had vroeger toch een hond? Het is vast veel minder leuk om zonder hond te wandelen.” Dat er mensen zijn die zich Charles nog herinneren, doet me goed. Ik ben nog steeds niet gewend aan een leven zonder hond, ik denk dat je er misschien wel nooit aan went als je een hondenmens bent.

Toen Han gisteren thuiskwam nadat hij een paar klanten had bezocht, en handenwrijvend zei dat hij zo lekker had gewerkt, werd ik van het ene op het andere moment zo kwaad, dat ik de borden die ik in mijn handen had om de tafel mee te dekken met zo’n klap neerzette dat ze allebei spontaan in stukken uit elkaar barstten. We keken er verbijsterd naar, mijn woede was op slag verdwenen, en zwijgend raapte ik de scherven bij elkaar en pakte andere borden. “Sorry”, zei Han. “Ik wist niet dat het zo gevoelig lag.” “Dat is dan behoorlijk onnozel van je”, zei ik.

We aten zwijgend. Waarna Han in de keuken de krant las en ik in de kamer televisie keek. Zo’n programma met bijna altijd dezelfde mensen om een tafel die bijna altijd dezelfde dingen zeggen. Toen we in bed lagen na een kort ‘welterusten’ lagen we allebei wakker. Totdat we ons op een gegeven moment naar elkaar toedraaiden. “Kunnen we niet iets bedenken waardoor we wél kunnen slapen?” vroeg Han. “Ik zou niet weten wat”, zei ik. “Nou, ik anders wel”, antwoordde Han. Zo liep het toch nog goed af met de dag.

Maandag

Op weg naar de supermarkt kom ik langs een modewinkel waar ik altijd even stilsta, omdat de etalage zo leuk is ingericht. Het zijn modieuze kleren, net iets te jeugdig voor mijn leeftijd, maar wat zou ik ze graag dragen. Terwijl ik sta te kijken wordt mijn aandacht getrokken door een briefje op de winkeldeur: ‘Wij zoeken een collega die ons helpt om onze leuke collectie te verkopen’. Ik aarzel en duw dan de winkeldeur open.

Binnen is het ruim en licht. Op een kleine bar zie ik een espressoapparaat staan. Naast de koffiekopjes staan wijnglazen. Er staan een paar comfortabele stoelen waar je even kunt uitrusten na een succesvolle aankoop. De vrouw die met een glimlach naar me toe komt, is jong en elegant. Ineens heb ik spijt van mijn opwelling om hier naar binnen te gaan.

Mijn verhaal dat ik niet kom om iets te kopen, maar om mijzelf als verkoopster aan te bieden, klinkt ook mij niet erg overtuigend in de oren. Ik zie iets veranderen in het gezicht van de vrouw tegenover me. Ze glimlacht nog steeds, maar verbeeld ik het mij of zie ik iets van medelijden op haar gezicht?

“Het spijt me”, zegt ze. “We zoeken iemand die bij onze doelgroep past én in onze kleding. En ik vrees dat u voor allebei niet de juiste persoon bent.” Ik sta weer buiten. Mijn hart bonst in mijn keel en ik voel mijn gezicht gloeien. Het is dat het druk is op straat, anders was ik in tranen uitgebarsten.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden