null Beeld

Dagboek van Willeke: “Mama ligt roerloos in de gang”

Willeke is de kleindochter van Anne-Wil en de puberdochter van Manon. Iedere woensdag houdt Willeke een dagboek bij voor Libelle.

Woensdag 10 februari

Terwijl ik via de achterdeur binnenkom, merk ik al dat er iets mis is. Arie, die meestal ligt te maffen in haar mand, duwt meteen haar neus tegen mijn benen en piept huilerig naar me. “Hebben ze je uitgehongerd, arme meid?” zeg ik, en ik aai haar gestreste hoofdje. Ik doe mijn jas uit en roep het huis in: “Jezus mam, je kunt toch wel van de bank af komen om Arie eten te geven?” Er komt geen antwoord. Dat is vreemd, want mama komt tegenwoordig nergens meer, en het is al te laat op de dag voor haar middagdutje. Nu ik erover nadenk: het is al bijna avond. Het schemert en er staat nergens een lamp aan.

Ik voel de tocht in mijn nek, ik heb de deur niet goed dichtgetrokken. Maar ik draai me niet om, want ik staar voor me uit. Er ligt iets in de gang. Ik doe het licht aan en besef dat het iemand is. Dat het mama is. Vanaf dat moment beweeg ik door stroop, als in een nachtmerrie. De deur moet dicht. Nee, ik moet aan mama voelen. Of ze niet… Nee, ik moet Boy hebben. Ik wil hem roepen maar er komt niets uit mijn keel. Is hij überhaupt thuis? Ik moet de deur dicht doen, de kou stort nu razendsnel naar binnen. Nee, ik moet naar mama, die roerloos is, en een onheilspellend grote vlek in haar broek heeft waar ik niet naar durf te kijken. Ik moet iemand bellen. Bellen… ziekenhuis. Ik moet een ambulance bellen. Eindelijk klikt het, en met trillende handen pak ik mijn telefoon.

Ik moet ineens denken aan een paar jaar geleden, die keer dat ons buurjongetje door het glas van de achterdeur was gerend. Z’n armen waren van pols tot schouder aan flarden, je kon het witte spul aan de binnenkant zien. Mama riep toen dat ik een ambulance moest bellen, en ik stond maar te treuzelen met de huistelefoon in mijn hand. Want ik wist het nummer niet van de ambulance. “Ik weet het nummer niet, mam!” zei ik. Mama hield de wonden van het bleke jongetje dicht met haar handen en moest bijna lachen van de absurditeit. “Het nummer is 112, rund!”

In het koude, stille huis lach ik een gek hoog lachje. Om de zenuwen nog meer dan de herinnering. “112, rund” herhaal ik tegen mezelf, en ik pak mama’s arm (warm, goddank) terwijl de telefoon overgaat. De vrouw die ik aan de lijn krijg, praat langzaam. Ik word steeds ongeduldiger. Weet ze dan niet dat mijn moeder bewusteloos is? Ze zegt dat ik dapper ben, dat ik een grote meid ben, en dat er hulp onderweg is. Of ik even aan de lijn wil blijven. Daar bedank ik voor, en ik druk haar weg.

Dan is het weer stil in huis. Mama ligt erbij alsof ze gewoon lekker ligt te slapen. Eventjes leg ik mijn hoofd op dat van haar, wang tegen wang. We zijn al tijden niet zo dicht bij elkaar geweest. Onze ruzie van laatst spookt door mijn hoofd en schuldgevoel vult mijn gedachten. Wat als het kindje niet meer leeft? Ik heb het gewenst. Ik heb vaak genoeg in ‘s nachts in bed gebeden dat het allemaal zou verdwijnen. Dat Boy zou verdwijnen, dat die hele zwangerschap nooit gebeurd was, dat de meisjes op school niet nog een reden hadden om me te pesten. De moeder van Boy zei met kerst dat baby’tjes alleen op de wereld komen als er veel liefde is in de familie. Ze wist niet wat ik weet: dat ik alle liefde wegzuig. Mijn schuld. Maar ik mag niet in paniek raken, anders heeft mama niemand meer. Ik haal diep adem en bel mijn oma.

Het dagboek van Anne-Wil (oma Willeke) kun je op Libelle Premium lezen.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden