Janneke Beeld Getty Images/iStockphoto
JannekeBeeld Getty Images/iStockphoto

PREMIUMColumn

Janneke & het hospice: “Aan het eind van de rit verdient iedereen een medaille”

Janneke Siebelink

Janneke komt weer koken in het hospice, ze gaat een goed gevulde groentesoep maken. Mevrouw J. heeft een mooi gedicht bij zich, wat haar sterk houdt tijdens de sombere dagen.

Soms gaat iets kapot. Sommigen zien alleen de scherven, anderen zien een nieuw begin. Sommigen schitteren in de schaduw, anderen somberen in de zon. Sommigen lijken meer uren in een dag te hebben en meer vaste grond onder hun voeten. De een blaast bellen, de ander prikt ze door.

Aankomst

Het is een wolkeloze, krakend verse maartse vrijdag. Een verraderlijk mooie zon, maar eenmaal buiten is het bitterkoud. Als ik binnenkom in het hospice zeg ik even gedag bij mevrouw J. (79) en Kapitein Sok. In het voorbijgaan naar haar kamer zie ik – hoera! – nog steeds de slingers hangen bij mevrouw A. (76), al zie ik haar zelf niet.

We praten over koetjes, kalfjes, mevrouw J. knijpt haar handen dicht en vraagt wat ik ga maken. De tijd tussen deze muren wordt gemeten van ontbijt naar lunch naar avondeten en als men geen voedsel meer kan verdragen, van medicijn naar bezoek naar het ondergaan van de zon en bij het opkomen begint het afpellen van de dag weer van voren af aan.

“Supersoep”, antwoord ik. “Ik maak soep met superveel groenten: pompoen, spinazie, broccoli, munt, knoflook. Gevulde eitjes en sla.”

Superhelden

“Superheldensoep”, constateert mevrouw J., terwijl ze de Kapitein achter zijn oren kriebelt. “Wil je dat blaadje daar even pakken?” Ze knikt naar het bijzettafeltje in het woongedeelte van haar kamer. “Me zoon heeft dat voor me uitgeprint. Gaat ook een beetje over superhelden.” Ik pak het papier en begin te lezen:

Er moeten mensen zijn
die zonnen aansteken,
voordat de wereld verregent.
Mensen die zomervliegers oplaten
als het ijzig wintert,
en die confetti strooien tussen de sneeuwvlokken.
Die mensen moeten er zijn.
(…)

“Wat een prachtig gedicht”, zeg ik, als ik het hardop heb voorgelezen. Ze knikt instemmend.

“Het helpt me als het een beetje donker wordt in me hoofd. Sommige mensen kunnen er niets aan doen hoor, dat weet ik. Dat heb ik van dichtbij gezien. Van me man. Vrienden. Spookachtige sneuneusjes werden ze van de pillen tegen de stemmen en de tranen in hun hoofd, maar ze wilden in ieder geval niet meer dood. Mijn wolken zijn minder donker dan die van hen. Ik heb genoeg aan deze woorden om me een beetje beter te voelen. Daar ken geen pilletje tegenop.”

Ze komen eraan

In de woonkamer hangt de lente boven de eettafel in de vorm van paars en geel crêpepapier gewikkeld om een lange tak waar kleine vogelhuisjes en vrolijke kleine kuikentjes aan schommelen. Mevrouw G. (59) speelt piano, meneer D. (70) verwarmt zichzelf in de zon, mevrouw T. (89) slaat met een zucht de krant dicht en kijkt ontredderd om zich heen.

“Ze komen eraan”, zegt ze tegen niemand in het bijzonder. Meneer D. draait zijn gezicht naar haar toe. “Wie komen eraan?”

“De Russen. Lees je de krant niet?” Ze rolt met haar ogen.

“Maar u hoeft niet bang te zijn,” sust meneer D., “om de deur te openen heb je een pasje nodig, dus hier komen ze niet binnen.” Hij sluit zijn ogen weer, mompelt “De Russen, hoe bestaat het” en dommelt gerustgesteld door zijn eigen inzicht verder in de warmte. Mevrouw T. plukt aan een velletje bij haar nagelriem, murmelt “een pasje, een pasje, dat is goed, dan kunnen ze niet naar binnen”.

Bellen blazen

Ik kijk naar ze, probeer door hun ogen naar de wereld te kijken, naar het verleden, het heden, de kleine toekomst die voor ze in het verschiet ligt en ik denk aan de laatste strofen van het gedicht van Toon Hermans dat ik zojuist las in de kamer van mevrouw J.:

(…)
Weet je,
er moeten mensen zijn,
die bellen blazen
en weten van geen tijd
die zich kinderlijk verbazen
over iets wat barst
van mooiigheid.
Ze roepen van de daken
dat er liefde is
en wonder
als al die anderen schreeuwen:
alles heeft geen zin
dan blijven zij roepen:
neen, de wereld gaat niet onder
en zij zien in ieder einde
weer een nieuw begin
Zij zijn een beetje clown,
eerst het hart
en dan het verstand
en ze schrijven met hun paraplu
i love you in het zand
omdat ze zo gigantisch
in het leven opgaan
en vallen
en vallen
en vallen
en opstaan.
Bij dát soort mensen wil ik horen
die op het tuinfeest in de regen blijven dansen
ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
(…)

De een verbrandt zijn schepen, de ander dobbert door. De een rent door de wereld, de ander struikelt over de tegels. Sommigen hebben altijd wind mee, voor anderen staat de wind iedere dag verkeerd. Dat is niets nieuws, dat is geen hemels inzicht. Wat ik maar wil zeggen: aan einde van de rit verdient iedereen een medaille. Want het is niet niks, het leven overleven. Uiteindelijk zijn we allemaal superhelden.

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden