Janneke Beeld Getty Images/EyeEm
JannekeBeeld Getty Images/EyeEm

PREMIUM

Janneke & het hospice: “‘Ik draag tot het einde Chanel op mijn lippen’, zegt mevrouw K. (60)”

Janneke maakt kennis met een nieuwe bewoner in het hospice. “Ze zal je verbazen”, belooft collega H. En inderdaad...

Janneke SiebelinkGetty Images/EyeEm

Terwijl ik de citroenschil en Parmezaanse kaas rasp voor de dressing van de botersla van Jamie O., bladerdeegplakjes van elkaar lostrek voor kaasstengels en ui en knoflook fruit voor de tomaten-venkelsoep, praat collega H. me bij over de bewoners. Wie op de kamer eet, wie nieuw is, wie is vertrokken.

“En op kamer 3 ligt mevrouw K., zestig jaar. Ze komt niet aan tafel. Ze is hier net een paar dagen. Misschien wil jij haar jouw lunch brengen?”

Ik zie een ‘P.’ staan in het vakje bij haar kamernummer. “Vind ze dat niet vervelend, steeds nieuwe gezichten in zo korte tijd?”

“Ze zal je verbazen. Meer zeg ik niet.” H. zet een vinkje achter haar naam.

De P-zijde

“Mag ik weten wat ze heeft?” Met lichte aarzeling, zorgvuldig als ze is, zegt ze: “Longkanker, uitgezaaid, maar ze geniet nog heel erg van eten. Ga maar, straks, als het tijd is. Dat waardeert ze.” Collega H. is betrokken. Iedereen hier is betrokken, maar H. nog een klein beetje extra. En direct, dat is ze ook, op haar eigen mooie manier. “Het is alleen geen eitjesdag.”

Zwijgend staar ik naar de pan waarin zeker twintig stuks knus liggen te borrelen en ik realiseer me dat ik haar eerder deze ochtend tegen mevrouw Y. (55) nog heel beslist hoorde zeggen dat ze geen eitje mocht vandaag, want het was geen eitjesdag.

“Behalve,” vult ze nu aan, “behalve natuurlijk als je aan die kant ligt.” Ze knikt naar de P-zijde, de palliatieve zijde, de rechtergang wanneer je hier binnenkomt. “Dan mag je zoveel eitjes als je wilt.”

Een stukje tijd

“Mevrouw K.?” Met mijn heup duw ik de deur van haar kamer open. De geur van jasmijn. “Ik kom de lunch brengen.” Terwijl ik van het woongedeelte naar haar bed loop, kijk ik naar buiten. Haar ramen bieden uitzicht op een stad die nog altijd is gehuld in een slaperige januari-nevel. In trage, dikke slierten beweegt de mist om dit gebouw, als een suikerspin waar alle kleur uit is weggetrokken. Een jonge stem zegt: “Kom maar verder.”

De stem is van een betoverend mooie, frêle vrouw, met glanzend donker haar en nieuwsgierige ogen. “Heb jij dat gemaakt? Wat ziet het er feestelijk uit.”

Ongemakkelijk vertel ik wat er op het dienblad staat dat ik op haar verstelbare bedtafel neerzet. Ongemakkelijk, omdat het volstrekt irrelevant voelt. De venkel, de tomaat, kaasstengel, de sla en de vinaigrette. “Met liefde gemaakt”, rommel ik er schuchter achteraan en los nu ter plekke het liefst op in de mist. Vergeef mijn ongemak.

“Blijf je even bij me? Het is zo ongezellig, alleen eten. Pak een stoel.” De deken zakt op haar schoot als ze zichzelf omhoogtrekt en rechtop gaat zitten. Slanke benen die vast hebben gedanst en geflaneerd tekenen zich duidelijk af onder de dunne stof.

Ik denk aan de lunchtafel en denk aan de tijd. De lunch begint om half een. Half een is half een, dat is belangrijk, houvast is belangrijk. Vijftien minuten op een mensenleven lijkt onbeduidend, in dit hospice is ieder snippertje van de tijd van levensbelang. Ik schuif de stoel naar haar bed. Dit stukje van de tijd is voor haar.

De dood strikken met Chanel

“Dat was heerlijk, dank je.” Ze legt het bestek neer ten teken dat ze klaar is, dept haar lippen met het servet en pakt haar toilettasje, haalt er lippenstift en een spiegeltje uit. Zelfbewust kijkt ze me aan.

“Je vraagt je vast af waarom ik de moeite nog neem.” Ik schrik op, was ik aan het staren? “Wat bedoelt u?”

“Waarom ik me nog opmaak. Weet je waarom? Omdat het ieder moment kan gebeuren, die ene ontmoeting.”

“Bedoelt u met de dood?”

“Nou nee, ik bedoel met zomaar iemand. Je weet maar nooit, op straat, op werk, hier in het hospice. Iedere dag kan het leven een onverwachte wending nemen. Al heb ik nog maar een klein stukje bestaan, ook deze dagen zijn kostbaar, júíst kostbaar.” Haar gelakte nagels, de rouge op haar wangen, haar chocoladebruine haar dat haar smalle gezicht omlijst. Het geeft haar iets kwetsbaars. Het is het zichtbare bewijs van die onmiskenbare eigenschap die ons tot mens maakt en waar we allen aan ten prooi vallen, soms al op veel te jonge leeftijd: tegen de klippen op vast willen houden aan dat wat onvermijdelijk ons allen te beurt zal vallen.

“Straks sta ik buiten de tijd.” Ze tuit haar lippen, stift ze, perst ze op elkaar om de kleur te verdelen. ‘Ze zal je verbazen.’ H. had gelijk. Zonder gespeelde onverschilligheid of overdreven sentimenteel gemoed vervolgt ze: “Dan laat ik dit allemaal los. Tot die tijd draag ik Chanel op mijn lippen.” Tot die tijd is het iedere dag eitjesdag. “Rouge Coco. Misschien kan ik er de dood mee strikken.” En dept tot slot parfum van jasmijn achter haar oren en op haar polsen.

Janneke Siebelink (47) kookt één dag in de week als vrijwilliger in een hospice. Voor Libelle schrijft ze over de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. En leert ze: in de nabijheid van de dood, is het leven groots.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden