Janneke Beeld Getty Images/iStockphoto
JannekeBeeld Getty Images/iStockphoto

Janneke & het hospice: “‘Ik ga niet dood. En als je niet doodgaat, dan moet je hier weg’, vertelt ze”

Na een bezoek aan de huisarts besluit Janneke Siebelink (46) vrijwilligerswerk te gaan doen. Nu kookt ze elke week in een hospice en schrijft erover voor Libelle. Haar doel: het verhaal vertellen van de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. Zodat niemand ongezien in de vergetelheid raakt.

portret column janneke_groter Beeld janneke
portret column janneke_groterBeeld janneke

21. De leeftijd dat je geheel onafhankelijk bent voor de wet. De leeftijd dat je ouders niet meer onderhoudsplichtig zijn. Je staat nu bij wet op je eigen benen. De dag dat ik 21 werd, fietste ik onbekommerd langs de grachten, septemberwind door mijn haar. In de schemer, langs huizen met verlichte ramen. Op weg naar een café om te proosten met vrienden en familie op alles wat er nog in het verschiet lag - al keek ik toen nog niet verder dan de volgende dag. De dochter van mevrouw O. (55) fietst ook op haar 21ste verjaardag door de stad, novemberregen druppelt van haar paraplu op het linoleum als ze binnenkomt. Zij viert haar 21ste verjaardag hier in het hospice.

Een week eerder

“Het lukt niet, het lukt me niet.” Mevrouw O. zit alleen aan tafel in haar rolstoel die haar een laatste restje fysieke onafhankelijkheid verschaft. Voor haar staat een inmiddels koud geworden cappuccino met één suikerklontje en een bamboerietje. Ze zucht. “Ik krijg het niet voor elkaar.” Al bijna een uur is ze bezig met haar mobieltje. Ik stap uit de keuken en ga bij haar staan. “Wat ben je aan het doen?”, vraag ik. “Kan ik helpen?”

“Mijn dochter wordt volgende week 21. Ik maak een kaart voor haar, een Greetz-kaart. Die maak je online en dan kun je hem per post laten versturen.” Moedeloos laat ze haar telefoon aan me zien. “Maar het lukt niet, het is zo klein op het scherm.”

“21?” Ik kijk haar vragend aan. “Dan ben je heel jong moeder geworden.”

“Dat valt mee, ik was 34.” Haar stem kraakt een beetje, ze hoest.

“Dan maak jij 55 erg mooi, je ziet er jong uit”, zeg ik. Ze draait haar gezicht naar me toe en lacht. “Het komt door de ziekte. Alles wordt lamgelegd. Ook mijn gezichtsspieren. Daarom probeer ik zo veel mogelijk te lachen, om mijn mimiek te trainen.” Haar prachtige, gladde huid schittert plotseling in een geheel ander daglicht. Ze zou het direct inwisselen voor een huid met rimpels, in ruil voor een zelfstandig leven en dansfeest met haar dochter. De mogelijkheid haar eigen rug te kunnen krabben. Want dat is iets waar ik (ook) niet bij stil stond voordat ze me vraagt even tussen haar schouderbladen te wrijven. Ze vertelt: “Ik lig soms in bed en dan kriebelt het verschrikkelijk, maar ik wil het personeel niet lastigvallen voor een beetje kriebel. Ik lig dan vijf, tien, twintig minuten te dubben of ik op het belletje zal drukken. Soms doe ik het wel, soms doe ik het niet.” Ik wrijf nog even extra lang en stevig over haar rug. De vanzelfsprekendheid dat mijn handen alles doen wat ik wil… dat ik mijn voeten kan plaatsen hoe ik wil, wanneer ik wil. Hoe moet het zijn wanneer die vanzelfsprekendheid wegvalt?

Ik neem haar telefoon over, vergroot en verklein het scherm. Het is voor mij, zonder vrijwel geheel verlamd te zijn door een gemene, lichaam- en levensverslindende ziekte, al frustrerend om op het minischermpje de wenskaart te versturen. Wat ben je dapper, denk ik. Wat ben je ongelooflijk stoer.

Nu

Mevrouw O. zit op dezelfde plek als vorige week. Nu met een warme kop cappuccino met een bamboerietje voor haar op tafel. Ze buigt net naar voren om een slokje te nemen als mevrouw C. (80) ogenschijnlijk monter de woonkamer/keuken in stiefelt.

“Het is vrijdag, daar is ze weer!” Met open armen komt ze op me afgelopen. Vijf zinnen later is haar vrolijke voorkomen omgeslagen naar verdriet. Ze vouwt haar armen over elkaar en leunt op het muurtje dat de keuken afschermt van het woongedeelte. “Je weet dat ik weg moet, hè?”

“Waarom moet je weg? Waarheen?”, vraag ik, maar ik weet het antwoord al.

“Ik ga niet dood. En als je niet doodgaat, dan moet je weg.” Haar stem is dun, klinkt vlak. “Ik kwam hier bijna dood binnen, mijn familie stond aan mijn bed om afscheid te nemen en nu ben ik te gezond. Weet je dat dit al de derde keer is dat ik naar een hospice ben gebracht? Ze willen me gewoon niet daarboven. En hier nu ook niet meer.”

Onmenselijk, denk ik - maar ik zeg het niet. Was ze liever doodgegaan? Kun je zo’n vraag stellen?

“Weet je al wanneer je gaat?”

“Nee kind, ze moeten een plek vinden. Ik hoop dat het dat verzorgingstehuis bij de Dappermarkt wordt. Daar zit ook een cafeetje bij en een restaurant. Ander volk hè, beetje volks. Volks volk”, zegt ze met een knipoog.

Parallel, paranormaal, palliatief

“Ga je weg?”, vraagt mevrouw O. met haar hoofd schuin, in een poging om te kijken.

“Ja, terwijl ik op de paranormale afdeling zit”, antwoordt mevrouw C., en gaat naast mevrouw O. zitten.

“Paranormaal?” Mevrouw O. schudt haar hoofd. “Paranormaal?”, herhaalt ze vragend.

“Ik haal het allemaal door elkaar. Die je-weet-wel-kant. Die met de P...” Mevrouw C. draait aan de ring om haar wijsvinger. “Uiteindelijk komen we allemaal aan die kant te liggen. Vanaf het moment dat we worden geboren, stevenen we af op de dood. Iedereen heeft hetzelfde eindpunt. We nemen alleen andere routes. Was dat trouwens jouw dochter die net wegging?”

Vanuit de keuken luister ik mee naar gesprekken die je niet kunt verzinnen.

“Ja, mooi is ze hè? Ik kan nergens heen, dus hebben we het hier gevierd.” Met een luidere stem en half naar mij gericht: “Ze vond de kaart trouwens erg mooi.”

“Was ik nog maar 21", verzucht mevrouw C.

Mijmerend kijken ze voor zich uit. Allebei naar hun eigen parallelle, voorbije wereld. Door hun ogen kijk ik naar toen zij 21 werden. Naar hoe de wind met hun haar speelde, terwijl ze zorgeloos in de schemer langs de grachten fietsten naar een café. Langs ramen waar andere levens werden geleefd. Om, zorgeloos en vanzelfsprekend staand op hun eigen benen, met vrienden te proosten op alles wat er nog in het verschiet lag.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden