null Beeld Getty Images/iStockphoto
Beeld Getty Images/iStockphoto

Janneke & het hospice: “Wat heb je aan beloftes als je stervende bent?”

Na een bezoek aan de huisarts besluit Janneke Siebelink (46) vrijwilligerswerk te gaan doen. Nu kookt ze elke week in een hospice en schrijft erover voor Libelle. Haar doel: het verhaal vertellen van de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. Zodat niemand ongezien in de vergetelheid raakt.

null Beeld

De kop boven dit stukje is geïnspireerd op een tekst die ik lees in de krant van mevrouw T. (89). Het is een actuele krant, niet een krant uit 2012 zoals laatst waarin het verband tussen tandenpoetsen en dementie werd beschreven. De oorspronkelijke titel luidt: ‘De ideale soepdikte en de wereldproblematiek’.

Soeponderzoek

Mevrouw T. (89) schraapt haar keel en begint hardop voor te lezen: “Universitaire natuurkundigen doen in opdracht van Unilever onderzoek naar de ideale soepdikte; de soepdikte die mensen als prettig ervaren.” Ze kijkt op van de krant, draait met haar ogen. “Het gaat om ‘het vloeigedrag in de mondholte’, staat hier.” Ze kijkt weer op, grinnikt. “Wat klinkt dat vies, brrr.” Dan, plotseling streng, tikt ze met haar wijsvinger op de woorden. “Het staat er echt: ‘Fabrikanten en universiteiten bepalen wat de meeste mensen als prettig ervaren en uiteindelijk glijdt de soep steeds gemakkelijker naar binnen. Iedere dag wordt het leven beter en beter. Je zou bijna nergens meer op hoeven te kauwen…’”

Mevrouw T. slaat verontwaardigd de krant dicht en schudt hem alsof ze persoonlijk de onderzoekers onder handen neemt die zich voor dit soepkarretje hebben laten spannen. “Wat een onzin! Ik bepaal zelf toch wat ik wil eten? Waarom moet alles voorgekauwd worden?” De krant belandt op de grond. Ik loop uit de keuken en raap hem weer op. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt.

Vloeibare problemen

Ik zie dat mevrouw T. op een interessant punt is gestopt met voordragen. Ik lees: “Je zou bijna nergens meer op hoeven te kauwen, ware het niet dat aan de andere kant van het bestaan weer nieuwe obstakels opdoemen. Heb je net de ideale soepdikte te pakken of het klimaat warmt op, de zeespiegel stijgt en virussen grijpen hun kans.” Ik vouw de krant op en leg hem uit de buurt van mevrouw T. die in beslag wordt genomen door haar eigen problemen. “Ik ben zo weer terug hoor, zuster.” Ze zwaait terwijl iemand van de zorg haar naar de wc brengt.

“Ik ben de kok”, wil ik nog zeggen, maar ik slik het weer in. Een tijdje geleden las ik dat je mensen die dementeren niet, niet te vaak althans, moet corrigeren omdat het ze wijst op hun falende verstand. Het is niet van de ene op de andere dag dat hun kostbare herinneringen worden uitgewist. Het is een genadeloos en traag proces waarbij de ramen die het licht doorlaten op een gegeven moment kieren worden waar het bewustzijn doorheen kruipt. En het zijn díe momenten die zo mensonterend en vilein zijn. Want dat zijn de momenten, al zijn ze nog zo dun, waarop de ontmantelende geest wéét dat het wordt weggevaagd.

Wat eten we eigenlijk?

Roerend in de pindasoep, probeer ik de samenhang met de levens hier in dit hospice en dat wat ik zojuist las te ontdekken. Waarom wordt ‘onze’ smaakbeleving bepaald door ‘universitaire natuurkundigen’ en samengesmolten tot een homogene smaaksensatie? Smaak is subjectief. Onze smaak, onze mening, is wat ons onderscheidt van anderen. Ons interessant maakt. Ons doet verlangen naar de een en ons achteruit doet deinzen bij een ander. Smaak, geur, substantie, kleur, inhoud. Los van dit alles: bestaat er geen zinvollere invulling van het bestaan van een universitaire natuurkundige? Bij wereldproblematiek en -politiek gaat het om ingrediënten als belofte. En integriteit. Wat heb je hier aan die woorden, aan die grote woorden die onze monden verlaten? Wat heb je aan beloftes als je stervende bent?

“Wat eten we eigenlijk?”, vraagt mevrouw T. die terug aan tafel is gebracht en op raadselachtige wijze de krant weer heeft weten te bemachtigen. Opnieuw slaat ze hem bij de ideale soepdikte open. “Wat denkt u dat we eten?”, antwoord ik vanuit de keuken.

“Ik weet het toch niet, ik ben niet de kok.” Ze zet haar bril op en buigt over de tafel.

“We eten soep. Pindasoep, met taugé en omeletreepjes.”

“Pindasoep? Nog nooit van gehoord. Is het lekker?”

“Ja, ik denk van wel”, zeg ik. “Het is zacht. Een beetje romig. Heel anders dan pindakaas.”

Ze zucht tevreden. “Als het maar niet te dik is.”

Wie heeft universitaire natuurkundigen nodig als je mevrouw T. hebt?

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden