null Beeld

Zorgenzoon – deel 28: “Ma, ma, vlug, ik heb bloed!” schreeuwt Lars als ik opendoe”

Anderhalf jaar woonde Lars, inmiddels zeventien, in een instelling. Hij liep zes keer weg. Omdat de rechterlijke machtiging uiteindelijk verliep, hoefde hij niet meer terug. Hij krijgt nu onderdak in een woongroep voor jongeren die om wat voor reden dan ook niet thuis kunnen wonen. Zijn moeder brengt hem weg.

“Godver, jij kunt ook écht niet autorijden. Stom wijf.” Lars kijkt me woedend aan. Zijn grote blauwe ogen staan donker. “Sneller, ma!” Hij tikt met zijn vinger op het dashboard. Stress. “Ik wil niet daar naartoe, ik wil thuis blijven wonen.” Ik geef geen antwoord en rijd schijnbaar onverstoord door. Bij een groot hoekpand in een buitenwijk van de stad parkeer ik de auto. “Kom,” zeg ik, “ik help je.” Samen tillen we drie tassen met kleren uit de auto en bellen aan. Een vriendelijke Turkse jongen doet open. “Hi, welkom.” Zijn armen lijken op kabeltouwen. Hij pakt de tassen van mij over en draagt ze naar boven, gaat ons voor naar een piepklein kamertje waar een eenpersoonsbed staat en een kledingkast. Ik kijk door het raampje naar buiten. Een oude man laat zijn hondje uit bij de nu nog kale bomen op een groen grasveld. Benieuwd wat de buurt straks vindt van de nieuwe bewoners van het Begeleid Wonen-huis op de hoek, waar vijf probleemjongeren proberen een zelfstandig bestaan op te bouwen.

Vrijheid

Lars woont nu officieel op kamers in zijn geboorte- en tevens lievelingsstad. Na bijna twee jaar afgezonderd te zijn geweest van de bewoonde wereld, zit hij er nu, pats boem, in een keer weer middenin. Alsof er een hele grote hand een graai gedaan heeft in het vak met ‘ontspoorde doch kansrijke jongeren’ en Lars aan zijn Lacoste trainingspak heeft opgetild om hem vervolgens 200 kilometer verderop weer neer te zetten.

Wanneer ik hem wil helpen met het inruimen van zijn kledingkast, duwt hij mij de kamer uit. “Weg ma, dat doe ik later zelf wel”. Hij houdt zijn jas aan. Weg wil hij, de stad in, zijn verloren vrijheid inhalen.

Beer Balou

Ruim een week later zit ik tegenover Winfred. Een boom van een jonge vent, met een dikke berenbuik en een ringbaardje. Vanachter een brilletje kijken twee lieve ogen mij aan. Ook zijn stemgeluid is zacht. Wat een verschil met de potige begeleiders uit de instelling die eruit zagen of ze elk moment iemand in de houtgreep konden nemen. Al denk ik niet dat deze Beer Balou iets kan uitrichten mocht er zich een incident voordoen. Maar daarvoor zit hij hier ook niet, vertelt hij mij, hij is vooral aanspreekpunt. “Mijn doel is om ervoor te zorgen dat ik de jongeren help het beste uit zichzelf te halen. Daarbij hoort natuurlijk ook het aanleren van zelfstandigheid en het omgaan met verantwoordelijkheden”. Arme man, hij weet nog niet half wat hij in huis gehaald heeft denk ik in stilte.

Grote mond

Lars wordt ook uitgenodigd door een vrouwelijke ROC onderwijscoördinator. Mopperig gaat hij naar de afspraak. Die helemaal verkeerd afloopt, lees ik later in een mail. De vrouw legt hem diverse opties voor. Maar achterdochtige Lars denkt dat ze hem zomaar in een opleiding wil duwen en zet een grote mond op. Om uiteindelijk uit het gesprek te lopen. Waarom heeft die Balou hem nu ook alleen laten gaan? Hij had toch mee gekund, ter geruststelling? Hoe kun je nu van een jongen die kersvers uit een instelling komt, verwachten dat hij zelfstandig een succesvol gesprek kan voeren over zijn toekomst. Gelukkig wordt er een nieuwe afspraak gepland, dit keer zal Ahmed, de coach met wie Lars regelmatig contact heeft, meegaan. Het gesprek verloopt dit keer stukken beter. Lars zal worden aangemeld bij het ROC, afdeling horeca en bakkerij. Niet dat ze een bakker in de dop in hem zien, maar hij heeft gezegd dat hij manager wil worden bij bijvoorbeeld een horeca bedrijf en dan moet je toch ergens beginnen. Lars heeft nu een huis een school. So far so good.

“Vlug, ik heb bloed!”

Kerst nadert. Lars is nog niet veel op zijn woongroep geweest, zo vertelt Beer Balou tijdens een update gesprek. En hij doet ook niet echt goed mee met de andere jongeren. Die een paar keer per week gezamenlijk boodschappen doen en koken. Liever struint Lars over straat en eet hij onderweg een broodje döner. De jongeren krijgen € 40,- boodschappengeld per week dus waar Lars al die broodjes en uitstapjes van betaalt, is mij een raadsel. Regelmatig staat hij bij mij en Bente voor de deur. Vaak middenin de nacht. Dat is niet de bedoeling natuurlijk. Op een donderdagnacht hoor ik om drie uur ‘s nachts rumoer op straat. De deurbel maakt een paniekerige klingel. “Ma, ma, vlug, ik heb bloed!” schreeuwt Lars als ik opendoe. Hij komt binnen met in zijn kielzog twee jongens die hem ondersteunen. Ik kijk en zie een grote wond op zijn hand waar het bloed uit gutst. Ik jaag de jongens de deur uit, pak een schone theedoek die ik om de wond bind en ren met Lars naar de auto. Plankgas richting ziekenhuis. “Ik was op een feestje en heb me gesneden aan een glas,” vertelt Lars aan de dienstdoende arts die de enorme diepe snee op zijn hand vakkundig dicht naait. Aan de overkant zit een charmante vijftiger met een van pijn verwrongen gezicht op een ziekenhuisbed. Hij is gevallen met de motor en heeft zijn schouder bezeerd. Tussen de pijnscheuten door geeft hij me een knipoog. Ja meneer, u hebt een motor, ik een onvoorzichtige zoon. Mannen blijven kinderen.

Carrousel

Lars staat onder de douche, zijn verbonden hand houdt hij netjes omhoog. Ik ben doodop. Nog een paar dagen, dan is het Kerstmis. Hopelijk krijgen we dan even rust.

Inmiddels bereikt mij ook het bericht dat de relatief nieuwe gezinsmanager van Jeugdzorg, die nog maar een paar maanden aan onze familie verbonden was, alweer gaat vertrekken. Er komt een jonkie voor in de plaats. Ik vind het wel jammer, ik mocht de stoere ex-politievrouw graag. Vanwege haar redelijkheid en inlevingsvermogen. Maar de hulpverlening is een carrousel. Je moet maar wachten bij welk poppetje de muziek nu weer zal stoppen.

Witte wolk

Op Eerste Kerstdag rijd ik in een rode jurk en met twee redelijk opgepoetste jongens in de auto naar mijn zus. Er staat een wolk van een boom, helemaal in het wit. Mijn moedertje is er ook. Ik stort de tas met meegebrachte cadeau’s onder de witte wolk en plof op de bank. De kinderen mogen de cadeaus uitdelen. Ze gedragen zich voorbeeldig. We praten, pakken uit, borrelen en gaan aan tafel. Na het eten gaan de jongens films kijken op de grote bank. Ik klets nog wat na met mijn zus. Het jaar zit er bijna op. Wederom een aaneenschakeling van hobbels en bobbels, van diepe dalen en soms een topje. Hoe het is omgekomen, weet ik niet meer. Ik leef van dag tot dag, van week tot week. Hoe het leven er uitziet over een maand, kan ik nooit zeggen. Het is never a dull moment. Tussen de drama’s door werk ik vooral keihard. Om te zorgen dat ik mezelf overeind houd. Om te zorgen dat ik mijn hoofd kan verzetten. Om te zorgen dat ik mezelf inspireer. En om te zorgen dat ik leuk blijf voor mijn omgeving. Want een tobbende somberende vijftiger, daar zit niemand op te wachten.

Volgende week: Lars zit op het politiebureau

Dit is de zevenentwintigste aflevering van een serie columns over Lars (18), een jongen met ADHD en licht autisme. Zijn gedragsstoornis brengt hem regelmatig in de problemen. Zijn moeder, Febe van Otterlo, is freelance journalist. Om privacyredenen zijn de namen in deze column gefingeerd. De naam Febe van Otterlo is een pseudoniem.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden